Academiejaar 2025-2026 KU Leuven
FENOMENOLOGIE
,INHOUDSTAFEL
1 Inleiding ........................................................................................................................... 4
1.1 Introductie 4
1.2 Fenomenologie als propedeutiek (voorgeschiedenis) 4
1.3 Drie definities van fenomenologie 5
1.3.1 Fenomenologie als autonome discipline 5
1.3.2 Fenomenologie als fenomenologisch gegrond filosofisch project 6
1.3.3 Fenomenologie als (historische) beweging 8
1.4 Principe van alle principes 10
2 Fenomenologische methoden ....................................................................................... 12
2.1 Methode 1: Beschrijving 12
2.1.1 Methodologie 12
2.1.2 Fenom ≈ beschrijvende psychologie? 13
2.2 Methode 2: Eidetische variatie 14
2.2.1 Husserl vs. Kant 14
2.2.2 Methode v/d eidetische variatie 14
2.3 Methode 3: Epoché 15
2.4 Methode 4: Fenomenologische reducties 16
3 Fenomenologische sleutelbegrippen ............................................................................ 18
3.1 Correlatie, intentionaliteit en betekenis 18
3.1.1 Correlatie 18
3.1.2 Intentionaliteit en betekenis 19
3.2 Waarheid, evidentie, vervulling 21
3.2.1 Introductie: Logische Onderzoekingen (Husserl) 21
3.2.2 Tekens 21
3.2.3 Eidetische variatie 22
3.2.4 Uitdrukkingen in communicatieve context 22
3.2.5 Uitdrukkingen in niet-communicatieve context 23
3.2.6 Essentiële componenten v/d uitdrukking 24
3.2.7 Betekenis en O 26
3.2.8 Evidentie en teleurstelling 26
3.2.9 Waarheid 28
3.3 Embodiment en leefwereld 29
3.3.1 Introductie 29
3.3.2 Embodiment 29
3.3.3 Leefwereld 33
4 Transcendentale wending ............................................................................................. 35
4.1 Introductie 35
4.2 3 verschuivingen in Husserls eigen fenomenologie 35
4.2.1 Methode van fenomenologische reductie(s) 35
4.2.2 Ontologische prioriteit van BWZ aan wereld 37
4.2.3 Aandacht voor het ‘ik’ 37
4.3 Positionaliteit (Setzungscharakter) 38
4.4 Attituden (Einstellung) 38
© Jeroen Goots Fenomenologie 2
,5 Fenomenologische ethiek .............................................................................................. 41
5.1 Introductie 41
5.2 Waarden en emoties 41
5.2.1 Introductie 41
5.2.2 Max Scheler 42
5.2.3 Emotieve cognitie ↔ emotieve reacties 48
5.2.4 Stratificatie 49
5.3 Normen 50
5.3.1 Introductie 50
5.3.2 Normativiteit 51
5.4 Vrijheid: existentialisme 53
5.4.1 Verschuiving in vroege 20e eeuw 53
5.4.2 Martin Heidegger 54
5.4.3 Jean-Paul Sartre 57
5.4.4 Conclusie: twee verschillende ideeën van vrijheid 58
6 Analytisch-continentale kloof ...................................................................................... 60
6.1 De kloof 60
6.1.1 Onderzoekscentra 60
6.1.2 Kloof tussen analytische en continentale filosofie 60
6.1.3 Logisch empirisme 62
6.1.4 2 debatten die tot deze kloof hebben geleid 63
6.2 Heidegger in context 64
6.2.1 Introductie 64
6.2.2 Voorwoord aan De vraag naar de techniek (1954) 65
6.2.3 Het ding: Geviert en Gestell 66
6.2.4 De sterfelijken 69
© Jeroen Goots Fenomenologie 3
,1 INLEIDING
1.1 INTRODUCTIE
wat?
- grote invloed op hedendaagse filosofie
o existentialisme, structuralisme, postmodernisme verwijzen naar fenomenologie
o hebben fenomenologie nodig om zz uit te leggen
- uitgangspunt: we moeten ons bewust terughouden
o mbt (metaf) veronderstellingen
o voorrang geven aan beschrijving van wat we beleven (= fenomenen)
gevolg: oefent grote aantrekkingskracht uit in niet-filosofische contexten
- psychologie, psychopathologie, pedagogie, sociologie, biologie, fysica...
- impliceert veelzijdigheid + praktische relevantie v/d fenomenologie
- MAAR fenom in zoveel contexten gebruikt (filosofisch + niet-filosofisch) → zorgt voor
verwarring → verduidelijking v/d term nodig
fenomenologie als... (cf. infra)
1) propedeutiek
2) autonome discipline
3) fenomenologisch gegrond filosofisch project
4) (historische) beweging
1.2 FENOMENOLOGIE ALS PROPEDEUTIEK (VOORGESCHIEDENIS)
Johan Heinrich Lambert
- wilde nieuwe systematiek v/d filosofie ontwikkelen
o verschillende zuilen v/d filosofie, waaronder fenom
- introduceert ‘fenomenologie’
o theorie v/d zintuiglijke verschijningen
o wil kritische discipline zijn → om het begrip tegen de verschijningen te
beschermen, om niet door de verschijningen misleid te w
o “theorie v/d verschijning en v haar invloed op de juistheid of onjuistheid v
menselijke kennis”
- gevolg: fenom = propedeutische studie
© Jeroen Goots Fenomenologie 4
, o propedeutische studie v verschijningen voor zover ze het begrip/verstand
misleiden
o propedeutisch: maakt wet analyse v/d ervaring mog → fysica + metaf steunt op
fenom
- briefuitwisseling met Kant
o gaat akkoord met Kant: metaf moet voorafgegaan w door phaenomologia
generalis → moet wetten v zint erv verduidelijken om te voorkomen dat deze
oordelen v/d zuivere rede ‘verwart’
o fenom w neg discipline → enkel propedeutische rol (≈ Kant)
o Kant neemt de term op die manier over v Lambert
1.3 DRIE DEFINITIES VAN FENOMENOLOGIE
1.3.1 Fenomenologie als autonome discipline
1.3.1.1 Goethe
wetenschapper: kleuren + planten
Theorie van kleuren (1810)
- totaal andere houding dan Kant, eerder houding van Hume en empiristen
- beschrijving v fenomenen is niet alleen propedeutisch
- distanteert zich van Newtons theorie van kleuren
o Newton:
§ fysica van kleuren (golven, optiek)
o Goethe:
§ Newtons theorie is volgens Goethe niet genoeg
§ ervaring doden dmv woorden → Newton spreekt zich maar uit over
tekens, niet over de dingen zelf, over de kleuren zelf
§ bv. optische wetten kunnen berekenen -x-> eigenlijke kleur gezien
- dus: andere methode nodig
o wet die ervaring niet doodt
o moet onafh zijn van wiskundige optiek → kleuren moeten bestudeerd w qua
kleuren
o tegenstelling: denken (wiskunde) ↔ ervaren (belevenis)
- concreet:
o chromatische structuren moeten w beschreven
© Jeroen Goots Fenomenologie 5
, o teken mag niet in de plaats v/h ding gesteld w
o hoe dragen fenomenen structuur in zz?
reactie 20e eeuw
- Goethe kan fenomenen verduidelijken die Newton niet kan verduidelijken
- MAAR heeft wetn. van 20e eeuw voor de rest niet zo hard beïnvloed
1.3.1.2 Definitie van fenomenenologie
fenom = theorie v/d verschijningen: hoe verschijnt iets aan het BWZ?
- niet def uit analytische traditie
o 1e pers. perspectief, qualia
o over unieke individuele ervaring dat méér is dan eigenlijke geestesstructuur
o (enkel) mental states
o ‘what it is like (to be a bat)’
- wel akten, dynamische, procesmatige structuren
o niet wat is het, waarom is het, wel hoe is het → vraagt om beschrijving
o beschrijving van belevenisstructuren
o opm: ook def van (1), dus ook Goethe hing deze definitie en aanpak aan
1.3.2 Fenomenologie als fenomenologisch gegrond filosofisch project
definitie
- fenomenologie = filosofisch project gebaseerd op definitie (1)
methode = beschrijvingsaanpak
- fenom gelooft dat dat de beste manier is om aan filosofie te doen → gebruikt om
filosofie te hervormen
- cf. Wittgenstein: we moeten alle uitleg afschaffen, en alleen beschrijving moet ervoor
in de plaats komen
beschrijvende psychologie en fenom
→ tegen verklarende psychologie beschrijvende psychologie ontwikkeld
- Brentano (1838-1917)
o beschrijvende benadering v psychologie (= fenom)
o introduceert term ‘intentionaliteit’
§ elk psychisch fenomeen heeft intentionele inhoud
§ alle vormen v gedachten, BWZ = BWZ van iets
§ bv. ik denk aan, ik hou van, ik hoop iets = intentionele akten
© Jeroen Goots Fenomenologie 6
, o Husserl studeerde bij Brentano
- Carl Stumpf (1848-1936)
o psycholoog en filosoof
o fenom beschreven als propedeutische wet → moet neutraal zijn tov
natuur/cultuur
o introduceert
§ in psychologie: functies, akten
§ phenomena: hun inhoud
o Husserl was assistent
- Kazimierz Twardowski
o wat als wij ons richten op iets dat niet bestaat?
o hoe referentie naar dat O ontologisch beschouwen?
o bv. denken aan eenhoorn
gestaltpsychologie
- Carl Stumpf
o schreef over muziekwaarneming
o structuren v/d waarneming v melodie → vraag: eerst waarneming v gehele
structuur OF van afzonderlijke geluiden?
- antwoord Gestaltpsychologie: eerst Gestalt, dan individuele dingen
o Gestalt = figuur, structuur
o eerst gehele betekenisvolle structuren (zintuiglijke individuele elementen plus
meer), daarna pas individuele elementen
o reliëf van waarnemingswetten a/h licht brengen die meer tonen dan wat strikt
gezien de figuren zijn
o < holisme
- bv. dubbelzinnige figuren
o 2 verschillende betekenissen/interpretaties tov zelfde gegevens MAAR we zien
maar 1 betekenis tegelijkertijd → we kunnen switchen tussen de 2
§ bv. bistabiele eend/konijnfiguur
§ bv. My Wife and my Mother-in-Law
o Wittgenstein, Husserl schreven over bistabiele beelden → interpretatie in
waarnemingen die meer ziet dan wat er precies staat
© Jeroen Goots Fenomenologie 7