de ontwikkeling van iemands
rechtvaardigheidsgevoel & van zijn besef van
goed & fout + zijn gedrag daarbij morele ontwikkeling
zichtbaar in hun houding tov morele
schendingen
tijdens groeien & ontwikkelen verandert ook
het moreel besef van kinderen
zichtbaar in hun gedrag bij confrontatie met
morele kwesties
zichtbaar in spel vaste & onveranderlijke regels
materiële gevolgen objectieve verantwoordelijkheid
stadium 1 4 - 7 jaar
moreel realisme / heteronome moraliteit
houden geen rekening met intentie / bedoeling
overtreden van regels dient direct bestraf te
worden immanente rechtvaardigheid
er bestaat een 'juiste' manier om een spel te
spelen & ze houden zich aan deze formele stadium 2 7 - 10 jaar Piagets visie op morele ontwikkeling
regels beginnendcoöperatiestadium
De morele ontwikkeling volgens
Kohlberg & Piaget
mensen kunnen spelregels zelf wijzigen als ze (ontstaan van moreel besef)
het daar onderlingmee eens zijn
stadium 3 vanaf 10 jaar
subjectieve moraal, omstandigheden, autonome coöperatiestadium / autonome
handelingsmotieven, bedoelingen moraliteit
subjectieve verantwoordelijkheid: motieven,
bedoelingen
CENTRAAL: rechtvaardigheid
Jean Piaget: 1896 - 1980
nog niet op wetten & regels gebaseerd
kwantiteit + kwaliteit van onze kennis & ons
begrip neemt elk stadium toe
goed = wat je leuk & fijn vindt
slecht = waar je verdrietig van bent / wat je Inleiding
pijn doet op basis van fouten
PREconventioneel
universele cognitieve ontwikkelingsstadia 1) sensomotrische fase baby- & peutertijd
gericht op gevolgen
straf vermijden & beloning bij gehoorzaamheid (eigen belang centraal)
Kohlbergs stadia van morele ontwikkeling 2) preoperationele fase kleutertijd
wel op wetten & regels gebaseerd verschillende stadia
3) concreet operationele fase lagere schooltijd
conventioneel
goed = wat de maatschappij definieert als
goed
4) formeel operationele fase adolescentie & volwassenheid
gebaseerd op principes die de regels van de
samenleving overstijgen
principes zijn de hoogste morele principes
zoals altruisme POSTconventioneel
goed = universeel overeengekomen afspraken
kennis als resultaat van direct motorisch
hoogste vorm van cognitief functioneren gedrag
bereikt (formeel-operationeel)
cognitief kader / concept dat helpt bij het
verdere evolutie in de manier waarop met organiseren & interpreteren van informatie
denkschema's wordt omgegaan
schema / denkstructuur bv: hoe gedragen op school
voorraad abstracte begrippen & denkwijzen
=> stil zitten, luisteren & noteren, hand
blijven toenemen
opsteken ...
niet noodzakelijk gebaseerd op pure logica
het proces waardoor het individu & zijn
Basisbegrippen omgeving steeds beter afgestemd raken
denken om te denken
(theoretische constructies /
ideaalvoorstellingen het integreren van nieuwe stukken uit de
omgeving binnen de al aanwezige schema's
van het individu
alles is mogelijk, nog geen grenzen van het adolescenten
reëel haalbare ervaren, daarom ruimere
vrijheidsmarge in hun denken (wat je ziet) aanpassen aan bestaand schema
adaptie
nieuwe finaliteit voor het denken: instrument realistischer assimilatie er wordt geen nieuwe kennis toegevoegd
om problemen uit dagelijks leven mee aan te
Het postformele denken
pakken omgeving toepassen
volwassenen
pragmatischer want al keuzes gemaakt in hun voorbeeld: ik laat de bal vallen en die stuitert
leven terug
dualistisch: zwart-wit denken / wij-zij- via wisselwerking tussen 2 processen aanpassen van bestaande schema's aan de
tegenstelling adolescenten eigenschappen van een nieuw stuk omgeving
waarmee het individu in aanraking komt
realitivistisch: genuanceerder oordeel relativerend
(toleranter, flexibeler) schema wijzigen door er nieuwe kennis aan toe
te voegen
volwassenen
belang van onderwijs om relativistisch denken
te kunnen ontwikkelen accommodatie verandering in bestaande manier van denken
vaste gestructureerde aanpak / schema's bij zichzelf aanpassen
kenmerken postformele denken
beoordelen of aanpakken problemen adolescenten
voorbeeld: ik laat het glas vallen maar dit
stuitert niet terug, het breekt
expertise --> persoonlijke stijl
(lijkt subjectief & eerder intuïtief dan persoonlijk
wetenschappelijk)
volwassenen
expertise is dan herhaaldelijk getoetste kennis
op snellere & doeltreffendere manier ingezet
geboorte - 2 jaar (baby- & peutertijd)
abstracte begrippen, propositioneel denken,
hypotheses, experimenteel & combinatorisch
denken ontwikkeling van zintuigen, motoriek, idee dat mensen & objecten bestaan bestaan,
geheugen & objectpermanentie ook al zijn ze niet zichtbaar
adolescenten
kunnen analytisch denken maar niet echt
niet-tastbare ideeën / concepten creatief activiteit die de ontwikkeling van cognitieve
schema's mogelijk maakt, dankzij de herhaling
circulaire reactie van een willekeurige mototrische handeling
achter de letterlijke inhoud de figuurlijke werkelijkheid op originele manier benaderen creatief
betekenis achterhalen
vanzelfsprekendheid in vraag stellen aanvankelijk reflexmatige bewegingen leiden
tot eerste kennisverwervingen
bv: algebra symbolen voor symbolen
woorden & symbolen deskundig om problemen op te lossen MAAR volwassenen
motorisch reageren op zintuiglijke indrukken,
'liefde', 'vrijdhied', 'eerlijkheid' ... ook inventiviteit (nieuwe ontdekkingen)
maar aanvankelijk GEEN interne
abstracte begrippen denkactiviteiten
filosofische & wetenschappelijke termen neemt weer af naarmate ouder worden, dan
meer routine 0 - 1 maand
dingen die je niet ziet, zijn niet zomaar
beeldspraak, gezegden, woordspelingen, verdwenen maar blijven ergens aanwezig
metaforen verbale uitdrukkingen Sensomotorische stadium de verschillende reflexen die bepalend zijn
zoekt het object enkel waar het de eerste voor de interacties met de wereld vormen de
geleidelijk ontstaan van objectpermanentie eerst A niet B fout keer verborgen werd 1) eenvoudige reflexen kern van het cognitieve leven
ironie, sarcasme dubbele bodems
vervolgens volledig: object zoeken waar het bv: zuigreflex maakt dat de baby op alles
concrete inhouden <=> schoolkinderen zuigt wat zijn lippen raakt
laatst verborgen werd
kan totaal onwerkelijk / onzinnig zijn vertrekken vanuit iets denkbeeldigs / 1 - 4 maanden
ouders blijven bestaan ook als ze de kamer
=> bv: raadsel verondersteld
betrekking op mensen verlaten
baby's gaan acties die zij eerder afzonderlijk
mogelijke verklaringen & oplossingen uitvoerden combineren tot geïntegreerde
doen vooral aan assimilatie & minder/niet aan bv: op een stoel kan je zitten, dus deze ook activiteiten
(hypothesen) bedenken accommodatie ik kan met mijn voeten in de zandbak spelen
vervolgens concrete voorspellingen afleiden 2) eerste gewoonten & primaire circulaire herhaling van acties, omdat ze leuk zijn om te
geen onderscheid tussen zichzelf & omgeving reacties doen
(= deductief)
geen objectpermanentie primaire circulaire reactie
ik = omgeving (egocentrisch) bv: handje, duimpje zuigen
toetsen of dit een goede oplossing was hypothethisch-deductief redeneren link met zelfbesef
wel objectpermanentie omgeving = onafhankelijk van eigen ik intrinsiek motiverend
doel = tot meer zekerheid komen & kritisch
denken
bv: baby grijpt een object & zuigt er
vertrekt van bestaande realiteit tegelijkertijd aan of hij staart naar een object
terwijl hij het aanraakt
haakt af bij onlogische uitspraak, adolescent
kan daar makkelijk in meegaan <=> schoolkind 4 - 8 maanden
De cognitieve
baby's verleggen hun cognitieve horizon naar
verzint uitleg, verklaring / oplossing maar gaat
niet na of het klopt & of er iets beter zou zijn
Kenmerken formeel operationeel ontwikkelingstheorie de wereld buiten zichzelf & beginnen in te
stadium spelen op hun omgeving
(= inductief)
van Jean Piaget
beweringen / stellingen prettige gebeurtenissen uit hun omgeving
herhalen
logisch redeneren = afzonderlijke stellingen
(proposities) met elkaar linken zodat je tot 3) secundaire circulaire reacties secundaire circulaire reactie per toeval ontdekt
een nieuw inzicht (conclusie) komt
bv: bel en wieg
zekerheid: uit de opbouw van de propositioneel denken
argumentatie, los van de feiten extrensiek motiverend
welke conclusie kun je met zekerheid trekken stelling 1: alle vogels leggen eieren bv: baby die herhaaldelijk een rammelaar in
alle vogels leggen witte eieren op basis van deze twee beweringen? stelling 2: eieren zijn wit zijn wieg oppakt & die op verschillende
manieren schudt toont aand at hij zijn
voorbeeld
6 substadia van het cognitieve schema met betrekking tot het
uitspraken enkel 'waar' indien ze schudden van rammelaars kan wijzigen
overeenkomen met de waarneembare
sensomotorische stadium
werkelijkheid <=> schoolkinderen (van passief gewaarworden naar
8 - 12 maanden
actief waarnemen)
voorheen regels & verklaringen die als baby's gaan gebeurtenissen bewuster tot
vanzelfsprekend werden gezien plots in vraag stand brengen & combineren verschillende
stellen schema's tot 1 handeling
ouders & autoriteiten kritisch tegemoet treden verschillende schema's combineren &
4) coördinatie van secundaire circulaire coördineren tot een enkele actie om een
zwakke plekken zoeken in verklaringen & deze reacties coordinatie van secundaire circulairereacties probleem op te lossen
doorprikken
ontwikkeling objectpermanentie
onrechtvaardigheid leidt tot groter idealisme
kritisch denken
intentioneel gedrag
abstract redeneren > halen plezier uit
discussiëren bv: baby duwt een speeltje weg om een ander
speeltje te kunnen pakken dat daar
proberen de wereld op actieve manier te gedeeltelijk zichtbaar onder ligt
12 jaar - volwassenheid (adolescentie &
begrijpen volwassenheid)
2 - 7 jaar (kleutertijd) 12 - 18 maanden
nemen aan wat volwassenen & autoriteiten logisch redeneren = verbanden zien &
zeggen (strikte toepassing) <=> schoolkinderen begrijpen kinderen herhalen niet alleen prettige
ontwikkeling van logisch redeneren & abstract ontwikkeling van taal, fijne motoriek &
symbolisch denken activiteiten maar lijken mini-experimenten uit
denken baby's ontwikkelen de intentionele variatie te voeren om te ontdekken wat de gevolgen
abstract denken = het denken komt los van
5) tertiaire circulaire reacties van acties die gewenste resultaten opleveren zijn
het concrete egocentrisch denken de wereld alleen vanuit zichzelf bekijken
intellectuele ontwikkeling bv: baby laat herhaaldelijk een speeltje vallen
door middel van een symbool/teken verwijzen
symbolisch denken (symboolfuncite) naar iets dat actueel niet aanwezig is vanuit verschillende posities en kijkt steeds
logische conclusies uit concrete waarnemingen aandachtig naar hoe het valt
& ervaringen (eenvoudige, vraagstukken,
verbanden leggen ...) begin van redeneren 18 - 24 maanden
einde lagere school
de waarheid van een uitspraak = absoluut => concreet-operationele Preoperationeel stadium gebruik van concepten (afgelijnde baby's zouden vanaf dit stadium kunnen
start van innerlijke representaties denkinhouden) tegenover taalontwikkeling belangrijkste verandering is het vermogen tot bedenken waar onzichtbare objecten zouden
inhoud van een conclusie bepaalt of ze juist is mentale representatie of symbolisch denken kunnen zijn
structuur in tijd & ruimte
nadenken over abstracte & hypothetische duidelijk in spel!
situaties wel al parallele categorieën (honden, katten,
vogels, vissen) maar nog geen hiërarchische
sturcturen ('dieren') bv: pop eten geven
bv: wiskunde, ethiek concepten die niet waarneembaar zijn 6) het begin van denken
georganiseerde, formele, logische mentale innerlijke voorstelling van die gebeurtenis
vermogen om verder te denken dan de begin adolescentie processen indirecte imitatie: doen alsof via mentale representatie (je weet hoe je dat doet)
bv: hoe iets zou kunnen zijn concrete, huidige situatie => formeel-operationele
nog geen logische congitieve denkoperaties
GEVOLG: denkfouten bv: een bouwblokje als kookpotje, een bord
de waarheid van een uitspraak is relatief Formeel operationeel stadium via gebruik van symbolen als stuur
niet meer de inhoud van een conclusie MAAR als een bal onder een meubelstuk rolt kan hij
de manier waarop ze tot stand kwam (vorm) bv: baby kan een onzichtbaar traject van een beredeneren waar die aan de andere kant
object volgen weer zal verschijnen
vermogen om abstract te denken over
hypothetische situaties (niet-waarneembare)
inzichten toetsen door op systematische
manier naar elke variabele te kijken
(analyseren) + daaruit gevolgen afleiden
(redeneren)
niet meer louter de inhoud maar HOE een onvermogen om zich op meer dan 1 aspect te
conclusie tot stand komt concentreren
wetenschappelijke manier van denken toespitsen op slechts 1 kenmerk
(fromele logica)
enkel oog voor oppervlakkige, in het oog
naïve, simplistische oplossingen voor complexe springende elementen
vraagstukken (simplistisch, zwart-wit, 1
oorzaak-1 gevolg) begin adolescentie visuele beeld domineert hun denken (uiterlijke
verschijning)
KANTTEKENING
=> volgens Piaget beriekt men pas op 15 jaar stabieler & flexiebeler, meerdere variabelen begrip van behoud (hoeveelheid, aantal,
dit stadium (sommige gevallen pas op nog tegelijk, kritischer, meer nuance middenadolescentie +/- 15 jaar volume ...)
latere leeftijd & in andere gevallen nooit) centratie
inzicht dat de hoeveelheid gelijk blijft als de
vorm verandert
niet begrijpen dat verandering in een dimensie
niet betekent dat andere dimensies daarom
ook veranderen
inschattingsfouten
nog niet doorhebben dat schijn bedriegt
(misleiding)
neiging tot centratie leidt tot negeren van
relevante elementen
niet meer blind staren op 1 enkel aspect MAAR
meerdere elementen in rekening brengen gedecentreerd denken proces waarbij de ene toestand verandert in
de andere
de tussenliggende stadia van een
enkel oog hebben voor de begin- &
veranderingsproces mee in rekening brengen aandacht voor transformaties
onvolledige begrip van transformatie eindtoestand van een gebeurtenis
men kan in gedachten de omgekeerde Kenmerken concreet-operationele
geen besef hebben van wijzigingen
beweging maken reversibiliteit stadium (transformaties) die onderweg kunnen
plaatsvinden
men kan zich volledig verplaatsen in de
denkwereld + het perspectief van de ander perspectiefname besef dat een transformatie omgekeerd kan
worden om het getransformeerde in zijn
oorspronkelijke staat terug te brengen
7 - 12 jaar (lagere schooltijd)
onvermogen om een uitgevoerde handeling in
hoeveelheid = het idee dat kwantiteit niet onvolledige begrip van reversibiliteit gedachten terug te draaien
gerelateerd is aan fysieke verschijning DUS
dat een bol klei evenveel klei kan bevatten
als een 'pannenkoek' van klei vasthangen aan chronologisch verloop van
een gebeurtenis
reversibiliteit = begrijpen van het principe otnwikkeling van conservatie van hoeveelheid,
Kenmerken preoperationeel stadium
onvermogen om zich te verplaatsen in de
dat je een proces in gedachten kunt omdraaien reversibiliteit & logica
ander
logica = relatie begrijpen tussen tijd, afstand
gebrek aan besef dat anderen situaties vanuit
& snelheid
een ander fysiek perspectief zien
kunnen logisch denken bij concrete problemen 2 vormen onvermogen om zich te realiseren dat anderen
egocentrisme gedachten, gevoelens & standpunten hebben
schoolkind laat zich minder misleiden die veerschillen
bv: lengte & hoeveelheid vergelijken, tellen &
GEVOLG: niet bewustzijn van effect eigen
rekenen stilstaan in staat om zich te redeneren met gedrag op anderen
meer doordachte argumenten, waardoor men
VOORWAARDE: tot de juiste oplossing komen juiste conclusies kan trekken
driebergenexperiment
is niet voldoende MAAR de denkoperatie met
duidelijke strategie of argumentatie
4 - 7 jaar
het begrip van behoud testen aan de hand
van een aantal taken vorm van denken waarbij peuters & kleuters
gretig kennis over de wereld proberen te
verwerven met behulp van primitief redeneren
hoeveelheid, aantal, volume ...
Concreet-operationeel stadium
geen logische tussenstappen
laat zich niet meer misleiden door uiterlijke
kenmerken (in tegenstelling tot kleuter)
conservatietaken oordelen spontaan, op intuïtieve manier
men beseft dat bepaalde eigenschappen
hetzelfde blijven, zelfs als hun vorm / uiterlijk inschakelen van denkoperaties, daarna hoogtepunt nieuwsgierigheid & fantasie waarom-vragen
verandert oordelsvorming
(onjuiste) verklaringen voor alles wat ze
hoeveelheid, massa, lengte, volume, waarnemen, maar niet in staat om redenering
substantie, oppervlakte, aantal ... verschillende domeinen te onderbouwen
ontstaan van intuïtief denken
drie soorten taken levenloze dingen gevoelens, gedachten /
sorteren volgens 1/meerdere ordeningsprincipes
animisme bedoelingen hebben
classificatietaken
rekening houden met deelverzamelingen & vanaf 7 jaar inzicht in hiërarchische
overkoepelende klassen structeren vroeger enkel parallelle categorisering verwarring fantasie & werkelijkheid fysiognomisch waarnemen emoties / karaktertrekken zien in dingen
rangschikken in een op- / aflopende reeks op gedachten, wensen / woorden kunnen de
bv: grootte, hoeveelheid .. basis van een criterium magisch denken werkelijkheid veranderen & hebben kracht
seriatietaken
vergelijken ipv gissen (kleuters) acties, gebeurtenissen & resultaten met elkaar
beginnend begrip van functionaliteit in verband brengen volgens bepaalde logica oorzaak-gevolg
blijven vastzitten aan concrete, fysieke
realiteit (realistische, waarneembare situaties) besef dat bepaalde objecten hetzelfde
blijven, ongeacht veranderingen in vorm,
schoolkinderen kunnen de taken correct beperkingen begrip van identiteit omvang & uiterlijk conservatiebegrip
oplossen MAAR ze hebben er concreet, nog niet in staat abstracte hypothetische
waarneembaar materiaal voor nodig vragen te begrijpen (formele logica)
Floating Topic
rechtvaardigheidsgevoel & van zijn besef van
goed & fout + zijn gedrag daarbij morele ontwikkeling
zichtbaar in hun houding tov morele
schendingen
tijdens groeien & ontwikkelen verandert ook
het moreel besef van kinderen
zichtbaar in hun gedrag bij confrontatie met
morele kwesties
zichtbaar in spel vaste & onveranderlijke regels
materiële gevolgen objectieve verantwoordelijkheid
stadium 1 4 - 7 jaar
moreel realisme / heteronome moraliteit
houden geen rekening met intentie / bedoeling
overtreden van regels dient direct bestraf te
worden immanente rechtvaardigheid
er bestaat een 'juiste' manier om een spel te
spelen & ze houden zich aan deze formele stadium 2 7 - 10 jaar Piagets visie op morele ontwikkeling
regels beginnendcoöperatiestadium
De morele ontwikkeling volgens
Kohlberg & Piaget
mensen kunnen spelregels zelf wijzigen als ze (ontstaan van moreel besef)
het daar onderlingmee eens zijn
stadium 3 vanaf 10 jaar
subjectieve moraal, omstandigheden, autonome coöperatiestadium / autonome
handelingsmotieven, bedoelingen moraliteit
subjectieve verantwoordelijkheid: motieven,
bedoelingen
CENTRAAL: rechtvaardigheid
Jean Piaget: 1896 - 1980
nog niet op wetten & regels gebaseerd
kwantiteit + kwaliteit van onze kennis & ons
begrip neemt elk stadium toe
goed = wat je leuk & fijn vindt
slecht = waar je verdrietig van bent / wat je Inleiding
pijn doet op basis van fouten
PREconventioneel
universele cognitieve ontwikkelingsstadia 1) sensomotrische fase baby- & peutertijd
gericht op gevolgen
straf vermijden & beloning bij gehoorzaamheid (eigen belang centraal)
Kohlbergs stadia van morele ontwikkeling 2) preoperationele fase kleutertijd
wel op wetten & regels gebaseerd verschillende stadia
3) concreet operationele fase lagere schooltijd
conventioneel
goed = wat de maatschappij definieert als
goed
4) formeel operationele fase adolescentie & volwassenheid
gebaseerd op principes die de regels van de
samenleving overstijgen
principes zijn de hoogste morele principes
zoals altruisme POSTconventioneel
goed = universeel overeengekomen afspraken
kennis als resultaat van direct motorisch
hoogste vorm van cognitief functioneren gedrag
bereikt (formeel-operationeel)
cognitief kader / concept dat helpt bij het
verdere evolutie in de manier waarop met organiseren & interpreteren van informatie
denkschema's wordt omgegaan
schema / denkstructuur bv: hoe gedragen op school
voorraad abstracte begrippen & denkwijzen
=> stil zitten, luisteren & noteren, hand
blijven toenemen
opsteken ...
niet noodzakelijk gebaseerd op pure logica
het proces waardoor het individu & zijn
Basisbegrippen omgeving steeds beter afgestemd raken
denken om te denken
(theoretische constructies /
ideaalvoorstellingen het integreren van nieuwe stukken uit de
omgeving binnen de al aanwezige schema's
van het individu
alles is mogelijk, nog geen grenzen van het adolescenten
reëel haalbare ervaren, daarom ruimere
vrijheidsmarge in hun denken (wat je ziet) aanpassen aan bestaand schema
adaptie
nieuwe finaliteit voor het denken: instrument realistischer assimilatie er wordt geen nieuwe kennis toegevoegd
om problemen uit dagelijks leven mee aan te
Het postformele denken
pakken omgeving toepassen
volwassenen
pragmatischer want al keuzes gemaakt in hun voorbeeld: ik laat de bal vallen en die stuitert
leven terug
dualistisch: zwart-wit denken / wij-zij- via wisselwerking tussen 2 processen aanpassen van bestaande schema's aan de
tegenstelling adolescenten eigenschappen van een nieuw stuk omgeving
waarmee het individu in aanraking komt
realitivistisch: genuanceerder oordeel relativerend
(toleranter, flexibeler) schema wijzigen door er nieuwe kennis aan toe
te voegen
volwassenen
belang van onderwijs om relativistisch denken
te kunnen ontwikkelen accommodatie verandering in bestaande manier van denken
vaste gestructureerde aanpak / schema's bij zichzelf aanpassen
kenmerken postformele denken
beoordelen of aanpakken problemen adolescenten
voorbeeld: ik laat het glas vallen maar dit
stuitert niet terug, het breekt
expertise --> persoonlijke stijl
(lijkt subjectief & eerder intuïtief dan persoonlijk
wetenschappelijk)
volwassenen
expertise is dan herhaaldelijk getoetste kennis
op snellere & doeltreffendere manier ingezet
geboorte - 2 jaar (baby- & peutertijd)
abstracte begrippen, propositioneel denken,
hypotheses, experimenteel & combinatorisch
denken ontwikkeling van zintuigen, motoriek, idee dat mensen & objecten bestaan bestaan,
geheugen & objectpermanentie ook al zijn ze niet zichtbaar
adolescenten
kunnen analytisch denken maar niet echt
niet-tastbare ideeën / concepten creatief activiteit die de ontwikkeling van cognitieve
schema's mogelijk maakt, dankzij de herhaling
circulaire reactie van een willekeurige mototrische handeling
achter de letterlijke inhoud de figuurlijke werkelijkheid op originele manier benaderen creatief
betekenis achterhalen
vanzelfsprekendheid in vraag stellen aanvankelijk reflexmatige bewegingen leiden
tot eerste kennisverwervingen
bv: algebra symbolen voor symbolen
woorden & symbolen deskundig om problemen op te lossen MAAR volwassenen
motorisch reageren op zintuiglijke indrukken,
'liefde', 'vrijdhied', 'eerlijkheid' ... ook inventiviteit (nieuwe ontdekkingen)
maar aanvankelijk GEEN interne
abstracte begrippen denkactiviteiten
filosofische & wetenschappelijke termen neemt weer af naarmate ouder worden, dan
meer routine 0 - 1 maand
dingen die je niet ziet, zijn niet zomaar
beeldspraak, gezegden, woordspelingen, verdwenen maar blijven ergens aanwezig
metaforen verbale uitdrukkingen Sensomotorische stadium de verschillende reflexen die bepalend zijn
zoekt het object enkel waar het de eerste voor de interacties met de wereld vormen de
geleidelijk ontstaan van objectpermanentie eerst A niet B fout keer verborgen werd 1) eenvoudige reflexen kern van het cognitieve leven
ironie, sarcasme dubbele bodems
vervolgens volledig: object zoeken waar het bv: zuigreflex maakt dat de baby op alles
concrete inhouden <=> schoolkinderen zuigt wat zijn lippen raakt
laatst verborgen werd
kan totaal onwerkelijk / onzinnig zijn vertrekken vanuit iets denkbeeldigs / 1 - 4 maanden
ouders blijven bestaan ook als ze de kamer
=> bv: raadsel verondersteld
betrekking op mensen verlaten
baby's gaan acties die zij eerder afzonderlijk
mogelijke verklaringen & oplossingen uitvoerden combineren tot geïntegreerde
doen vooral aan assimilatie & minder/niet aan bv: op een stoel kan je zitten, dus deze ook activiteiten
(hypothesen) bedenken accommodatie ik kan met mijn voeten in de zandbak spelen
vervolgens concrete voorspellingen afleiden 2) eerste gewoonten & primaire circulaire herhaling van acties, omdat ze leuk zijn om te
geen onderscheid tussen zichzelf & omgeving reacties doen
(= deductief)
geen objectpermanentie primaire circulaire reactie
ik = omgeving (egocentrisch) bv: handje, duimpje zuigen
toetsen of dit een goede oplossing was hypothethisch-deductief redeneren link met zelfbesef
wel objectpermanentie omgeving = onafhankelijk van eigen ik intrinsiek motiverend
doel = tot meer zekerheid komen & kritisch
denken
bv: baby grijpt een object & zuigt er
vertrekt van bestaande realiteit tegelijkertijd aan of hij staart naar een object
terwijl hij het aanraakt
haakt af bij onlogische uitspraak, adolescent
kan daar makkelijk in meegaan <=> schoolkind 4 - 8 maanden
De cognitieve
baby's verleggen hun cognitieve horizon naar
verzint uitleg, verklaring / oplossing maar gaat
niet na of het klopt & of er iets beter zou zijn
Kenmerken formeel operationeel ontwikkelingstheorie de wereld buiten zichzelf & beginnen in te
stadium spelen op hun omgeving
(= inductief)
van Jean Piaget
beweringen / stellingen prettige gebeurtenissen uit hun omgeving
herhalen
logisch redeneren = afzonderlijke stellingen
(proposities) met elkaar linken zodat je tot 3) secundaire circulaire reacties secundaire circulaire reactie per toeval ontdekt
een nieuw inzicht (conclusie) komt
bv: bel en wieg
zekerheid: uit de opbouw van de propositioneel denken
argumentatie, los van de feiten extrensiek motiverend
welke conclusie kun je met zekerheid trekken stelling 1: alle vogels leggen eieren bv: baby die herhaaldelijk een rammelaar in
alle vogels leggen witte eieren op basis van deze twee beweringen? stelling 2: eieren zijn wit zijn wieg oppakt & die op verschillende
manieren schudt toont aand at hij zijn
voorbeeld
6 substadia van het cognitieve schema met betrekking tot het
uitspraken enkel 'waar' indien ze schudden van rammelaars kan wijzigen
overeenkomen met de waarneembare
sensomotorische stadium
werkelijkheid <=> schoolkinderen (van passief gewaarworden naar
8 - 12 maanden
actief waarnemen)
voorheen regels & verklaringen die als baby's gaan gebeurtenissen bewuster tot
vanzelfsprekend werden gezien plots in vraag stand brengen & combineren verschillende
stellen schema's tot 1 handeling
ouders & autoriteiten kritisch tegemoet treden verschillende schema's combineren &
4) coördinatie van secundaire circulaire coördineren tot een enkele actie om een
zwakke plekken zoeken in verklaringen & deze reacties coordinatie van secundaire circulairereacties probleem op te lossen
doorprikken
ontwikkeling objectpermanentie
onrechtvaardigheid leidt tot groter idealisme
kritisch denken
intentioneel gedrag
abstract redeneren > halen plezier uit
discussiëren bv: baby duwt een speeltje weg om een ander
speeltje te kunnen pakken dat daar
proberen de wereld op actieve manier te gedeeltelijk zichtbaar onder ligt
12 jaar - volwassenheid (adolescentie &
begrijpen volwassenheid)
2 - 7 jaar (kleutertijd) 12 - 18 maanden
nemen aan wat volwassenen & autoriteiten logisch redeneren = verbanden zien &
zeggen (strikte toepassing) <=> schoolkinderen begrijpen kinderen herhalen niet alleen prettige
ontwikkeling van logisch redeneren & abstract ontwikkeling van taal, fijne motoriek &
symbolisch denken activiteiten maar lijken mini-experimenten uit
denken baby's ontwikkelen de intentionele variatie te voeren om te ontdekken wat de gevolgen
abstract denken = het denken komt los van
5) tertiaire circulaire reacties van acties die gewenste resultaten opleveren zijn
het concrete egocentrisch denken de wereld alleen vanuit zichzelf bekijken
intellectuele ontwikkeling bv: baby laat herhaaldelijk een speeltje vallen
door middel van een symbool/teken verwijzen
symbolisch denken (symboolfuncite) naar iets dat actueel niet aanwezig is vanuit verschillende posities en kijkt steeds
logische conclusies uit concrete waarnemingen aandachtig naar hoe het valt
& ervaringen (eenvoudige, vraagstukken,
verbanden leggen ...) begin van redeneren 18 - 24 maanden
einde lagere school
de waarheid van een uitspraak = absoluut => concreet-operationele Preoperationeel stadium gebruik van concepten (afgelijnde baby's zouden vanaf dit stadium kunnen
start van innerlijke representaties denkinhouden) tegenover taalontwikkeling belangrijkste verandering is het vermogen tot bedenken waar onzichtbare objecten zouden
inhoud van een conclusie bepaalt of ze juist is mentale representatie of symbolisch denken kunnen zijn
structuur in tijd & ruimte
nadenken over abstracte & hypothetische duidelijk in spel!
situaties wel al parallele categorieën (honden, katten,
vogels, vissen) maar nog geen hiërarchische
sturcturen ('dieren') bv: pop eten geven
bv: wiskunde, ethiek concepten die niet waarneembaar zijn 6) het begin van denken
georganiseerde, formele, logische mentale innerlijke voorstelling van die gebeurtenis
vermogen om verder te denken dan de begin adolescentie processen indirecte imitatie: doen alsof via mentale representatie (je weet hoe je dat doet)
bv: hoe iets zou kunnen zijn concrete, huidige situatie => formeel-operationele
nog geen logische congitieve denkoperaties
GEVOLG: denkfouten bv: een bouwblokje als kookpotje, een bord
de waarheid van een uitspraak is relatief Formeel operationeel stadium via gebruik van symbolen als stuur
niet meer de inhoud van een conclusie MAAR als een bal onder een meubelstuk rolt kan hij
de manier waarop ze tot stand kwam (vorm) bv: baby kan een onzichtbaar traject van een beredeneren waar die aan de andere kant
object volgen weer zal verschijnen
vermogen om abstract te denken over
hypothetische situaties (niet-waarneembare)
inzichten toetsen door op systematische
manier naar elke variabele te kijken
(analyseren) + daaruit gevolgen afleiden
(redeneren)
niet meer louter de inhoud maar HOE een onvermogen om zich op meer dan 1 aspect te
conclusie tot stand komt concentreren
wetenschappelijke manier van denken toespitsen op slechts 1 kenmerk
(fromele logica)
enkel oog voor oppervlakkige, in het oog
naïve, simplistische oplossingen voor complexe springende elementen
vraagstukken (simplistisch, zwart-wit, 1
oorzaak-1 gevolg) begin adolescentie visuele beeld domineert hun denken (uiterlijke
verschijning)
KANTTEKENING
=> volgens Piaget beriekt men pas op 15 jaar stabieler & flexiebeler, meerdere variabelen begrip van behoud (hoeveelheid, aantal,
dit stadium (sommige gevallen pas op nog tegelijk, kritischer, meer nuance middenadolescentie +/- 15 jaar volume ...)
latere leeftijd & in andere gevallen nooit) centratie
inzicht dat de hoeveelheid gelijk blijft als de
vorm verandert
niet begrijpen dat verandering in een dimensie
niet betekent dat andere dimensies daarom
ook veranderen
inschattingsfouten
nog niet doorhebben dat schijn bedriegt
(misleiding)
neiging tot centratie leidt tot negeren van
relevante elementen
niet meer blind staren op 1 enkel aspect MAAR
meerdere elementen in rekening brengen gedecentreerd denken proces waarbij de ene toestand verandert in
de andere
de tussenliggende stadia van een
enkel oog hebben voor de begin- &
veranderingsproces mee in rekening brengen aandacht voor transformaties
onvolledige begrip van transformatie eindtoestand van een gebeurtenis
men kan in gedachten de omgekeerde Kenmerken concreet-operationele
geen besef hebben van wijzigingen
beweging maken reversibiliteit stadium (transformaties) die onderweg kunnen
plaatsvinden
men kan zich volledig verplaatsen in de
denkwereld + het perspectief van de ander perspectiefname besef dat een transformatie omgekeerd kan
worden om het getransformeerde in zijn
oorspronkelijke staat terug te brengen
7 - 12 jaar (lagere schooltijd)
onvermogen om een uitgevoerde handeling in
hoeveelheid = het idee dat kwantiteit niet onvolledige begrip van reversibiliteit gedachten terug te draaien
gerelateerd is aan fysieke verschijning DUS
dat een bol klei evenveel klei kan bevatten
als een 'pannenkoek' van klei vasthangen aan chronologisch verloop van
een gebeurtenis
reversibiliteit = begrijpen van het principe otnwikkeling van conservatie van hoeveelheid,
Kenmerken preoperationeel stadium
onvermogen om zich te verplaatsen in de
dat je een proces in gedachten kunt omdraaien reversibiliteit & logica
ander
logica = relatie begrijpen tussen tijd, afstand
gebrek aan besef dat anderen situaties vanuit
& snelheid
een ander fysiek perspectief zien
kunnen logisch denken bij concrete problemen 2 vormen onvermogen om zich te realiseren dat anderen
egocentrisme gedachten, gevoelens & standpunten hebben
schoolkind laat zich minder misleiden die veerschillen
bv: lengte & hoeveelheid vergelijken, tellen &
GEVOLG: niet bewustzijn van effect eigen
rekenen stilstaan in staat om zich te redeneren met gedrag op anderen
meer doordachte argumenten, waardoor men
VOORWAARDE: tot de juiste oplossing komen juiste conclusies kan trekken
driebergenexperiment
is niet voldoende MAAR de denkoperatie met
duidelijke strategie of argumentatie
4 - 7 jaar
het begrip van behoud testen aan de hand
van een aantal taken vorm van denken waarbij peuters & kleuters
gretig kennis over de wereld proberen te
verwerven met behulp van primitief redeneren
hoeveelheid, aantal, volume ...
Concreet-operationeel stadium
geen logische tussenstappen
laat zich niet meer misleiden door uiterlijke
kenmerken (in tegenstelling tot kleuter)
conservatietaken oordelen spontaan, op intuïtieve manier
men beseft dat bepaalde eigenschappen
hetzelfde blijven, zelfs als hun vorm / uiterlijk inschakelen van denkoperaties, daarna hoogtepunt nieuwsgierigheid & fantasie waarom-vragen
verandert oordelsvorming
(onjuiste) verklaringen voor alles wat ze
hoeveelheid, massa, lengte, volume, waarnemen, maar niet in staat om redenering
substantie, oppervlakte, aantal ... verschillende domeinen te onderbouwen
ontstaan van intuïtief denken
drie soorten taken levenloze dingen gevoelens, gedachten /
sorteren volgens 1/meerdere ordeningsprincipes
animisme bedoelingen hebben
classificatietaken
rekening houden met deelverzamelingen & vanaf 7 jaar inzicht in hiërarchische
overkoepelende klassen structeren vroeger enkel parallelle categorisering verwarring fantasie & werkelijkheid fysiognomisch waarnemen emoties / karaktertrekken zien in dingen
rangschikken in een op- / aflopende reeks op gedachten, wensen / woorden kunnen de
bv: grootte, hoeveelheid .. basis van een criterium magisch denken werkelijkheid veranderen & hebben kracht
seriatietaken
vergelijken ipv gissen (kleuters) acties, gebeurtenissen & resultaten met elkaar
beginnend begrip van functionaliteit in verband brengen volgens bepaalde logica oorzaak-gevolg
blijven vastzitten aan concrete, fysieke
realiteit (realistische, waarneembare situaties) besef dat bepaalde objecten hetzelfde
blijven, ongeacht veranderingen in vorm,
schoolkinderen kunnen de taken correct beperkingen begrip van identiteit omvang & uiterlijk conservatiebegrip
oplossen MAAR ze hebben er concreet, nog niet in staat abstracte hypothetische
waarneembaar materiaal voor nodig vragen te begrijpen (formele logica)
Floating Topic