Welvaart en aggregatie 1 - 11/11/24
Welvaart geproduceerd door inzet alternatief aanwendbare hulpbronnen (i.t.t. welzijn)
Typen hulpbronnen:
- Arbeid
- Kapitaal
- Natuur
- Traditioneel de focus van economische wetenschap
- Sociale relaties
- Focus van sociale welvaart
Centraal verschil tussen traditionele economische welvaartsopvattingen en sociale welvaart: wel of
geen atomisme
- Welvaart: individuen en groepen
- Geluk, nut, capabilities: meetbaarheid en bepalende factoren
- Sociale vergelijking: status en meritocratie
- Sociale relaties: ruil en samenwerking
- Sociale relaties: sociaal kapitaal en sociale netwerken
Sociale Welvaart
- Ontdekken van randvoorwaarden/hulbronnen die sociale welvaartsproductie beïnvloeden
Randvoorwaarden bestaan uit sociale relaties:
- Intrinsieke waarde van relaties (e.g., behoefte aan ‘embeddedness’)
- Relaties als ‘geleider’ van belangrijke mechanismen (e.g., statuscompetitie)
- Relaties als instrument om individuele en collectieve doelen te bereiken (sociale netwerken en
sociaal kapitaal)
Welvaartsproductie vindt plaats in allerlei ‘sociale eenheden’ --> bij economen vinden we van
oorsprong productieve ‘bedrijven’ en consumptieve ‘huishoudens’
Dit beeld veranderd met New Home Economics (vgl. Gary Becker’s A Treatise on the Family, 1981)
- Huishouden/gezin als welvaartsproducent
- Allocatie van schaarse hulpmiddelen (e.g., gespecialiseerde arbeid) binnen gezin voor de productie
van welvaart voor de gezinsleden
- toepassing van standaardmethoden uit economie
Binnen de sociologie onderscheiden we inmiddels veel meer verschillende sociale contexten waarin
welvaart tot stand komt en wordt beïnvloed:
--> e.g., gemeenschappen, sociale netwerken, statushiërarchieën, etc.
Bij sociologie in Groningen spreken we dan ook van verschillende ordes waarin welvaart wordt
geproduceerd:
--> Markt, PSO, Overheid en Organisaties
Naast ‘arbeid’ en ‘kapitaal’ onderscheiden we ook ‘sociaal kapitaal’ en ‘sociale relaties’ als
productiemiddelen
Economische welvaart is een theoretisch sterk ontwikkeld begrip, maar:
- Het model van de mens en zijn sociale omgeving is onrealistisch --> trade- off tussen ‘tractability’
en realisme
- Leiden de optimale randvoorwaarden voor economische welvaartsproductie tot maximale sociale
welvaart-->
- Aggregatie is theoretisch mogelijk, maar praktisch bezwaarlijk
- De gangbaar gehanteerde welvaartsindicatoren zijn beperkt --> Stiglitz, Sen & Fitoussi
,Economische Welvaart: GDP
Goederen- en dienstenrekening Sector A
- Consolidatie van alle binnenlandse sectoren leidt ertoe
dat intermediaire leveringen wegvallen:
- brutotoegevoegdewaardes=BBP(=C+I+E–M)
- Uit BBP worden alle factordiensten beloond: loon, winst,
huur, pacht, rente (primaire inkomens)
- Directe belastingen + overdrachtsinkomens ‡ secundaire
inkomens
- Primaire/secundaire inkomens van en naar buitenland: Binnenlands --> Nationaal (BNP)
Inkomen Productie Aggregatie d.m.v. optelling
Welvaart van een groep als GDP --> Stiglitz, Sen & Fitoussi (zie BS)
- GDP is de ‘waarde van de totale finale leveringen’ of ‘in het transformatieproces toegevoegde
waarde’
- Op basis van GDP zegt men dus: ‘de welvaart stijgt als de waarde van alle geleverde spulletjes stijgt’
- De waarde kan stijgen door volume- of prijsstijgingen
Tekortkomingen van GDP
1. GDP is zuiver individualistisch: positieve/negatieve externaliteiten worden niet
meegewogen (onbeprijsde schaarste)
2. Goederen waarvoor ‘geen marktprijs bestaat’ (informele productie/overheidsproductie)
tellen niet mee --> zie het probleem van ‘imputations’ bij Stiglitz, Sen & Fitoussi
3. Consumentensurplus wordt niet meegeteld: de marktprijs die een consument betaalt is
gelijk aan wat de marginale consument wil betalen -- > ruilvoordeel ontleend aan infra
marginale eenheden
4. ‘Grensnut van geld’ wordt veronachtzaamd: de marktprijs die een consument bereid is te
betalen hangt mede af van het inkomen van die consument --> een rijker individu wil méér
betalen, maar is niet per se ‘gelukkiger’ met het goed
5. Waarde van vrije tijd wordt veronachtzaamd: stel, we zouden het land omdopen tot een
werkkamp, stijgt dan de welvaart--> Daalt de welvaart door een verbod op kinderarbeid-->
Door de invoering van een pensioengerechtigde leeftijd--> ’value of leisure’ bij Stiglitz, Sen &
Fitoussi
6. Welke goederen moeten we nemen om GDP te berekenen --> nieuwe producten en ‘quality
change’ bij Stiglitz, Sen & Fitoussi
7. Welke prijzen moeten we nemen om GDP te berekenen--> indexcijferprobleem. Waarde-
index = Prijsindex (Laspeyres) X Hoeveelheidsindex (Paascha). Zie oefening in slide 20
8. GDP zegt niets over verdeling, terwijl verdeling wel relevant is voor welvaart ‡ ‘household
perspective and distribution’ bij Stiglitz, Sen & Fitoussi
9. GDP ‘op dit moment’ zegt niets over ‘houdbaarheid’ of sustainability van welvaart --> in
welke mate worden voorraden natuurlijk, fysiek, menselijk en sociaal kapitaal uitgeput óf
doorgegeven aan volgende generaties
10. 10.‘Defensive Expenditures’ (defensieve uitgaven) worden meegeteld in BBP, terwijl ze slechts
gedaan worden om negatieve externaliteiten op te vangen ‡ dit zijn eigenlijk “intermediaire
leveringen”
25. Expenditures required to maintain consumption levels or the functioning of society could be
viewed as a sort of intermediate input – there is no direct benefit, and in this sense they do not give
rise to a final good or service. Nordhaus and Tobin, in their seminal 1973 paper, for example, identify
as “defensive” those activities that “are evidently not directly sources of utility themselves but are
regrettably necessary inputs to activities that may yield utility”. In particular, they adjust income
downwards for expenditures that arise as a consequence of urbanization and a complex modern life.
Many such “defensive expenditures” are incurred by government, while others are incurred by the
,private sector. By way of example, expenditure on prisons could be considered a government-
incurred defensive expenditure and the costs of commuting to work a privately-incurred defensive
expenditure. A number of authors have suggested treating these expenditures as intermediate rather
than final products. Consequently, they would not be part of GDP.
Korte casus: urban sprawl (1)
Urban Sprawl: beweging van stadsbewoners uit het centrum naar vrijstaande, grotere en
comfortabeler huizen in de suburbs --> zijn de effecten op GDP de ‘echte’ welvaartseffecten
1. Groter/fijner huis --> meer woongenot --> GDP stijgt (via imputation)
2. groter en vrijstaand huis 00> GDP stijgt door hogere stookkosten
(defensive expenditures en negatieve externaliteiten via milieuverontreiniging)
3. Meer reistijd van en naar werk --> GDP blijft onveranderd (minder leisure).
Meer autokilometers door woon-werkverkeer --> GDP stijgt door hoger brandstofverbruik (defensive
expenditure en negatieve externaliteiten via milieuverontreiniging)
4. ‘sociale veiligheid’ van binnensteden neemt af --> GDP blijft onveranderd óf stijgt door
uitgaven aan beveiliging (waarde informele relaties en defensive expenditures)
Alternatieve geaggregeerde welvaartsmaten
- Uitgebreide Nationale Rekeningen & GPI
- Social Indicators
- Psychologische indicatoren --> zie volgende week
Uitgebreide NR (extended SNA)
- NR en GDP bedoeld als maat voor economische activiteit, niet “welvaart”
- Uitgebreide NR proberen welvaart beter te meten:
Opname van verschillende “kosten” als defensive expenditures, etc. --> zie artikel over GPI.
Imputatie van waarde van nonmarket goods
- Zeer groot deel (Offer zegt 2/3) van welvaart komt niet via de markt tot stand
- Vanaf midden jaren ‘70 leidt groei van GDP tot stagnatie/daling van welvaart (neg. ext. Van
milieubederf, ongelijkheid, toename scheidingen, etc.)
Social Indicators
- Normatief uitgangspunt: toegang tot bepaalde goederen bepaalt welvaart (geen “abstracte
beschikkingsmacht”)
Huisvesting, voeding, onderwijs, gezondheidszorg, levensverwachting, milieukwaliteit,
misdaadcijfers (veiligheid), armoede (Poverty Line), etc.
- Beroemdste voorbeeld: HDI (GDP p/c, Onderwijs, Levensverwachting)
- GDP p/c houdt curvilineair verband met veel SIs: vanaf een bepaald niveau is marginale effect van
GDP-groei erg klein
- Levensverwachting (LV) heeft een groot positief effect op welvaart:
Grote verschillen in LV-GDP-combinaties tussen landen
Welvaart en aggregatie 2 – 18/11/24
Pareto-criterium
- Vilfredo pareto (1848-1923)
- Uit vorig college bleek: GDP maatstaf voor collectieve welvaart is problematisch
- Pareto-criterium is zuiver indivdualistisch
- Breuk met de gedachte dat individuele welvaart / nut / geluk vergelijkbaar en ‘optelbaar’ moet
zijn over verschillende personen
- Individuele preferenties staan centraal: beter is wat het individu beter acht
- Wanneer is welvaart ‘optimaal’ volgens Pareto?
Pareto-criterium: een toestand is pareto-optimaal wanneer iedere welvaartsverbetering voor één
of meer individuen leidt tot een welvaartsverslechtering voor ten minste één ander individu
- Wat als ‘verbetering’ of ‘verslechtering’ geldt, laat pareto aan het oordeel van de individuen zelf
over
, - We hebben pareto dus geen groepsindicator van ‘sociale welvaart’ (zoals bijvoorbeeld GDP) >
individuele welvaart hoeft niet te worden geaggregeerd (‘opgeteld) om te bepalen of een
toestand pareto-efficient is
- Pareto-verbeteringen: een verandering zodanig dat tenminste één individu erop vooruit gaat,
zonder dat er iemand anders op achteruit gaat
- Een toestand is pareto efficient als er geen pareto-verbeteringen meer mogelijk zijn
- We hebben dus ook alleen ordinale voorkeuren nodig
- Uit de pareto-verbetering-definitie blijkt dat bij pareto ieder individu vetorecht heeft: als één
persoon er door een verandering op achteruit gaat, kan zij die veranderingen ‘blokkeren’
- Als iedere mogelijke verandering zo geblokkeerd wordt is de oorspronkelijke situatie PE
Hieronder zie je 4 inkomensverdelingen over 3 personen
Neem aan dat iedereen een hoger inkomen beter vindt en bepaal de PE verdelingen
PE verdeling is niet per definitie uniek
Optellen van welvaart (‘geluk ontleend aan inkomen) is NIET nodig bij pareto
Verhouding PE en GDP
We lopen de tekortkomingen van het GDP na (zie vorig college)
1. Externaliteiten worden bij PE wél meegewogen als individuen ze meewegen
Hoe dit in de praktijk vormgegeven moet worden is nog zeer de vraag
2. Goederen waarvoor ‘geen marktprijs’ bestaat worden meegewogen als individuen ze
meewegen. Hetzelfde geldt voor de waarde van vrije tijd.
3. We ontsnappen bij PE ook aan de problemen rond i) het consumentensurplus, ii) het
grensnut van geld, iii) de keuze van prijzen en iv) de keuze van goederen (nieuwe producten,
kwaliteitsverbeteringen), omdat we geen indicator op groepsniveau nodig hebben.
Tekortkomingen PE
1. We hebben geen samenvattenden index meer voor ‘sociale welvaart’ > kunnen moeilijker
welvaartsontwikkelingen volgen en afwegingen meer maken
2. PE zegt niets over vedeling, net als GDP
3. PE zegt alleen iets over sustainability in zoverre individuen daar zelf rekening mee houden >
problemen van informatie & bijziendheid
Combinatie van tekortkomingen van GDP en PE maken constructie van uitgebreide NR en
‘dashboards’ van indicatoren aantrekkelijk
Beschouw nogmaals de 4 inkomensverdelingen
Ga ervan uit dat individuen hun welvaart louter ontlenen aan hun relatieve positie t.o.v. anderen.
Bepaal nu de PE verdeling.
4. Als relatieve positie erg belangrijk is, is bijna iedere toestand PE
Welvaart van een groep: groepsbeslissingen
Welvaart geproduceerd door inzet alternatief aanwendbare hulpbronnen (i.t.t. welzijn)
Typen hulpbronnen:
- Arbeid
- Kapitaal
- Natuur
- Traditioneel de focus van economische wetenschap
- Sociale relaties
- Focus van sociale welvaart
Centraal verschil tussen traditionele economische welvaartsopvattingen en sociale welvaart: wel of
geen atomisme
- Welvaart: individuen en groepen
- Geluk, nut, capabilities: meetbaarheid en bepalende factoren
- Sociale vergelijking: status en meritocratie
- Sociale relaties: ruil en samenwerking
- Sociale relaties: sociaal kapitaal en sociale netwerken
Sociale Welvaart
- Ontdekken van randvoorwaarden/hulbronnen die sociale welvaartsproductie beïnvloeden
Randvoorwaarden bestaan uit sociale relaties:
- Intrinsieke waarde van relaties (e.g., behoefte aan ‘embeddedness’)
- Relaties als ‘geleider’ van belangrijke mechanismen (e.g., statuscompetitie)
- Relaties als instrument om individuele en collectieve doelen te bereiken (sociale netwerken en
sociaal kapitaal)
Welvaartsproductie vindt plaats in allerlei ‘sociale eenheden’ --> bij economen vinden we van
oorsprong productieve ‘bedrijven’ en consumptieve ‘huishoudens’
Dit beeld veranderd met New Home Economics (vgl. Gary Becker’s A Treatise on the Family, 1981)
- Huishouden/gezin als welvaartsproducent
- Allocatie van schaarse hulpmiddelen (e.g., gespecialiseerde arbeid) binnen gezin voor de productie
van welvaart voor de gezinsleden
- toepassing van standaardmethoden uit economie
Binnen de sociologie onderscheiden we inmiddels veel meer verschillende sociale contexten waarin
welvaart tot stand komt en wordt beïnvloed:
--> e.g., gemeenschappen, sociale netwerken, statushiërarchieën, etc.
Bij sociologie in Groningen spreken we dan ook van verschillende ordes waarin welvaart wordt
geproduceerd:
--> Markt, PSO, Overheid en Organisaties
Naast ‘arbeid’ en ‘kapitaal’ onderscheiden we ook ‘sociaal kapitaal’ en ‘sociale relaties’ als
productiemiddelen
Economische welvaart is een theoretisch sterk ontwikkeld begrip, maar:
- Het model van de mens en zijn sociale omgeving is onrealistisch --> trade- off tussen ‘tractability’
en realisme
- Leiden de optimale randvoorwaarden voor economische welvaartsproductie tot maximale sociale
welvaart-->
- Aggregatie is theoretisch mogelijk, maar praktisch bezwaarlijk
- De gangbaar gehanteerde welvaartsindicatoren zijn beperkt --> Stiglitz, Sen & Fitoussi
,Economische Welvaart: GDP
Goederen- en dienstenrekening Sector A
- Consolidatie van alle binnenlandse sectoren leidt ertoe
dat intermediaire leveringen wegvallen:
- brutotoegevoegdewaardes=BBP(=C+I+E–M)
- Uit BBP worden alle factordiensten beloond: loon, winst,
huur, pacht, rente (primaire inkomens)
- Directe belastingen + overdrachtsinkomens ‡ secundaire
inkomens
- Primaire/secundaire inkomens van en naar buitenland: Binnenlands --> Nationaal (BNP)
Inkomen Productie Aggregatie d.m.v. optelling
Welvaart van een groep als GDP --> Stiglitz, Sen & Fitoussi (zie BS)
- GDP is de ‘waarde van de totale finale leveringen’ of ‘in het transformatieproces toegevoegde
waarde’
- Op basis van GDP zegt men dus: ‘de welvaart stijgt als de waarde van alle geleverde spulletjes stijgt’
- De waarde kan stijgen door volume- of prijsstijgingen
Tekortkomingen van GDP
1. GDP is zuiver individualistisch: positieve/negatieve externaliteiten worden niet
meegewogen (onbeprijsde schaarste)
2. Goederen waarvoor ‘geen marktprijs bestaat’ (informele productie/overheidsproductie)
tellen niet mee --> zie het probleem van ‘imputations’ bij Stiglitz, Sen & Fitoussi
3. Consumentensurplus wordt niet meegeteld: de marktprijs die een consument betaalt is
gelijk aan wat de marginale consument wil betalen -- > ruilvoordeel ontleend aan infra
marginale eenheden
4. ‘Grensnut van geld’ wordt veronachtzaamd: de marktprijs die een consument bereid is te
betalen hangt mede af van het inkomen van die consument --> een rijker individu wil méér
betalen, maar is niet per se ‘gelukkiger’ met het goed
5. Waarde van vrije tijd wordt veronachtzaamd: stel, we zouden het land omdopen tot een
werkkamp, stijgt dan de welvaart--> Daalt de welvaart door een verbod op kinderarbeid-->
Door de invoering van een pensioengerechtigde leeftijd--> ’value of leisure’ bij Stiglitz, Sen &
Fitoussi
6. Welke goederen moeten we nemen om GDP te berekenen --> nieuwe producten en ‘quality
change’ bij Stiglitz, Sen & Fitoussi
7. Welke prijzen moeten we nemen om GDP te berekenen--> indexcijferprobleem. Waarde-
index = Prijsindex (Laspeyres) X Hoeveelheidsindex (Paascha). Zie oefening in slide 20
8. GDP zegt niets over verdeling, terwijl verdeling wel relevant is voor welvaart ‡ ‘household
perspective and distribution’ bij Stiglitz, Sen & Fitoussi
9. GDP ‘op dit moment’ zegt niets over ‘houdbaarheid’ of sustainability van welvaart --> in
welke mate worden voorraden natuurlijk, fysiek, menselijk en sociaal kapitaal uitgeput óf
doorgegeven aan volgende generaties
10. 10.‘Defensive Expenditures’ (defensieve uitgaven) worden meegeteld in BBP, terwijl ze slechts
gedaan worden om negatieve externaliteiten op te vangen ‡ dit zijn eigenlijk “intermediaire
leveringen”
25. Expenditures required to maintain consumption levels or the functioning of society could be
viewed as a sort of intermediate input – there is no direct benefit, and in this sense they do not give
rise to a final good or service. Nordhaus and Tobin, in their seminal 1973 paper, for example, identify
as “defensive” those activities that “are evidently not directly sources of utility themselves but are
regrettably necessary inputs to activities that may yield utility”. In particular, they adjust income
downwards for expenditures that arise as a consequence of urbanization and a complex modern life.
Many such “defensive expenditures” are incurred by government, while others are incurred by the
,private sector. By way of example, expenditure on prisons could be considered a government-
incurred defensive expenditure and the costs of commuting to work a privately-incurred defensive
expenditure. A number of authors have suggested treating these expenditures as intermediate rather
than final products. Consequently, they would not be part of GDP.
Korte casus: urban sprawl (1)
Urban Sprawl: beweging van stadsbewoners uit het centrum naar vrijstaande, grotere en
comfortabeler huizen in de suburbs --> zijn de effecten op GDP de ‘echte’ welvaartseffecten
1. Groter/fijner huis --> meer woongenot --> GDP stijgt (via imputation)
2. groter en vrijstaand huis 00> GDP stijgt door hogere stookkosten
(defensive expenditures en negatieve externaliteiten via milieuverontreiniging)
3. Meer reistijd van en naar werk --> GDP blijft onveranderd (minder leisure).
Meer autokilometers door woon-werkverkeer --> GDP stijgt door hoger brandstofverbruik (defensive
expenditure en negatieve externaliteiten via milieuverontreiniging)
4. ‘sociale veiligheid’ van binnensteden neemt af --> GDP blijft onveranderd óf stijgt door
uitgaven aan beveiliging (waarde informele relaties en defensive expenditures)
Alternatieve geaggregeerde welvaartsmaten
- Uitgebreide Nationale Rekeningen & GPI
- Social Indicators
- Psychologische indicatoren --> zie volgende week
Uitgebreide NR (extended SNA)
- NR en GDP bedoeld als maat voor economische activiteit, niet “welvaart”
- Uitgebreide NR proberen welvaart beter te meten:
Opname van verschillende “kosten” als defensive expenditures, etc. --> zie artikel over GPI.
Imputatie van waarde van nonmarket goods
- Zeer groot deel (Offer zegt 2/3) van welvaart komt niet via de markt tot stand
- Vanaf midden jaren ‘70 leidt groei van GDP tot stagnatie/daling van welvaart (neg. ext. Van
milieubederf, ongelijkheid, toename scheidingen, etc.)
Social Indicators
- Normatief uitgangspunt: toegang tot bepaalde goederen bepaalt welvaart (geen “abstracte
beschikkingsmacht”)
Huisvesting, voeding, onderwijs, gezondheidszorg, levensverwachting, milieukwaliteit,
misdaadcijfers (veiligheid), armoede (Poverty Line), etc.
- Beroemdste voorbeeld: HDI (GDP p/c, Onderwijs, Levensverwachting)
- GDP p/c houdt curvilineair verband met veel SIs: vanaf een bepaald niveau is marginale effect van
GDP-groei erg klein
- Levensverwachting (LV) heeft een groot positief effect op welvaart:
Grote verschillen in LV-GDP-combinaties tussen landen
Welvaart en aggregatie 2 – 18/11/24
Pareto-criterium
- Vilfredo pareto (1848-1923)
- Uit vorig college bleek: GDP maatstaf voor collectieve welvaart is problematisch
- Pareto-criterium is zuiver indivdualistisch
- Breuk met de gedachte dat individuele welvaart / nut / geluk vergelijkbaar en ‘optelbaar’ moet
zijn over verschillende personen
- Individuele preferenties staan centraal: beter is wat het individu beter acht
- Wanneer is welvaart ‘optimaal’ volgens Pareto?
Pareto-criterium: een toestand is pareto-optimaal wanneer iedere welvaartsverbetering voor één
of meer individuen leidt tot een welvaartsverslechtering voor ten minste één ander individu
- Wat als ‘verbetering’ of ‘verslechtering’ geldt, laat pareto aan het oordeel van de individuen zelf
over
, - We hebben pareto dus geen groepsindicator van ‘sociale welvaart’ (zoals bijvoorbeeld GDP) >
individuele welvaart hoeft niet te worden geaggregeerd (‘opgeteld) om te bepalen of een
toestand pareto-efficient is
- Pareto-verbeteringen: een verandering zodanig dat tenminste één individu erop vooruit gaat,
zonder dat er iemand anders op achteruit gaat
- Een toestand is pareto efficient als er geen pareto-verbeteringen meer mogelijk zijn
- We hebben dus ook alleen ordinale voorkeuren nodig
- Uit de pareto-verbetering-definitie blijkt dat bij pareto ieder individu vetorecht heeft: als één
persoon er door een verandering op achteruit gaat, kan zij die veranderingen ‘blokkeren’
- Als iedere mogelijke verandering zo geblokkeerd wordt is de oorspronkelijke situatie PE
Hieronder zie je 4 inkomensverdelingen over 3 personen
Neem aan dat iedereen een hoger inkomen beter vindt en bepaal de PE verdelingen
PE verdeling is niet per definitie uniek
Optellen van welvaart (‘geluk ontleend aan inkomen) is NIET nodig bij pareto
Verhouding PE en GDP
We lopen de tekortkomingen van het GDP na (zie vorig college)
1. Externaliteiten worden bij PE wél meegewogen als individuen ze meewegen
Hoe dit in de praktijk vormgegeven moet worden is nog zeer de vraag
2. Goederen waarvoor ‘geen marktprijs’ bestaat worden meegewogen als individuen ze
meewegen. Hetzelfde geldt voor de waarde van vrije tijd.
3. We ontsnappen bij PE ook aan de problemen rond i) het consumentensurplus, ii) het
grensnut van geld, iii) de keuze van prijzen en iv) de keuze van goederen (nieuwe producten,
kwaliteitsverbeteringen), omdat we geen indicator op groepsniveau nodig hebben.
Tekortkomingen PE
1. We hebben geen samenvattenden index meer voor ‘sociale welvaart’ > kunnen moeilijker
welvaartsontwikkelingen volgen en afwegingen meer maken
2. PE zegt niets over vedeling, net als GDP
3. PE zegt alleen iets over sustainability in zoverre individuen daar zelf rekening mee houden >
problemen van informatie & bijziendheid
Combinatie van tekortkomingen van GDP en PE maken constructie van uitgebreide NR en
‘dashboards’ van indicatoren aantrekkelijk
Beschouw nogmaals de 4 inkomensverdelingen
Ga ervan uit dat individuen hun welvaart louter ontlenen aan hun relatieve positie t.o.v. anderen.
Bepaal nu de PE verdeling.
4. Als relatieve positie erg belangrijk is, is bijna iedere toestand PE
Welvaart van een groep: groepsbeslissingen