© Kato Van de Velde
Economie:
H8: internationale betrekkingen:
8.1 betekenis & beschrijving van het Belgische
handelsverkeer:
8.1.1 internationale context:
invoerquote (m) = geeft verhouding weer van waarde van invoer van goederen & diensten
t.o.v. waarde van bbp tegen marktprijs
M
m= x 100
bbp
uitvoerquote (x) = geeft verhouding weer van waarde van uitvoer van goederen & diensten
t.o.v. waarde van bbp tegen marktprijs
X
x= x 100
bbp
veel import & export = open economie
openheidsgraad = uitvoer uitgedrukt in beschikbare middelen
X
x’ = x 100
bbp+ M
8.1.2 de buitenlandse handel van België 2021 – 2024:
EMU = Europese Monetaire Unie
Europese landen die € gebruiken
dekkingscoëfficiënt = waarde van goederenuitvoer in procenten van goedereninvoer
indexcijfer van prijspeil bij uitvoer
nettoruilvoet = x 100
indexcijfer van prijspeil bij invoer
indexcijfer van prijzen van invoer met dat van uitvoer vergelijken
ontwikkeling van prijzen van in- & uitvoer is in vele gevallen belangrijke factor met betrekking
tot evenwicht op handelsbalans
8.2 de werking van het systeem van vrij internationaal
handelsverkeer:
8.2.1 de theorie van A. Smith: absolute kostenverschillen:
elk land specialiseert zich in product waar het een absoluut kostenvoordeel heeft
totale wereldproductie zal dankzij wederzijdse handel stijgen
‘wet van het absolute kostenverschil’
1
, © Kato Van de Velde
mogelijk totale productie te verhogen als elk land zich specialiseert in bedrijfstak waarin het
een absoluut kostenvoordeel heeft
8.2.2 de theorie van D. Ricardo: relatieve kostenverschillen:
arbeidsproductiviteit = productie per werknemer
‘wet van comparatieve kostenverschillen’
het ene land specialiseert zich in product waar het relatief het sterkste in is
het andere land specialiseert zich in het product waar het relatief het minst zwak is
beperkingen: - preferenties van consumenten oefenen geen invloed uit
- arbeidsproductiviteit blijft voor beide landen hetzelfde terwijl er toch
schaalvergrotingseffecten zijn
- geen rekening gehouden met transportkosten
- productiefactoren arbeid & kapitaal kunnen zich niet verplaatsen naar andere
landen
- geen milieukosten
- geen handelsbelemmeringen
oorzaken van handel tussen landen:
natuurlijke omstandigheden
kwaliteit van productiefactoren
kosten van productiemiddelen verschillen
preferenties van consumenten
handelspolitiek
8.2.3 de voordelen van de internationale vrijhandel:
leidt tot specialisatie
afzetmarkten worden groter
consumenten profiteren van lagere prijzen in het buitenland
meer keuzemogelijkheden voor consumenten
betere kwaliteit door grotere efficiëntie
8.2.4 ongebreidelde vrijhandel of niet?:
protectionisme = vrijhandel belemmeren
omvat allerlei overheidsmaatregelen om binnenlandse economie te beschermen
opvoedingsargument (= infant industry argument):
nieuwe of bestaande bedrijven die nieuwe producten maken waarvoor land erg geschikt
is, kunnen in beginjaren erg moeilijk krijgen als sterke concurrentie komt uit buitenland
lageloonlandenargument:
internationale handel verandert internationale arbeidsverdeling
relatief arbeidsintensieve productieprocessen verplaatsen zich naar ontwikkelingslanden
met lage lonen
antidumpingargument:
dumping = als producenten in buitenland verkocht worden tegen lagere prijs dan prijs
waartegen men dezelfde goederen in binnenland levert
2
Economie:
H8: internationale betrekkingen:
8.1 betekenis & beschrijving van het Belgische
handelsverkeer:
8.1.1 internationale context:
invoerquote (m) = geeft verhouding weer van waarde van invoer van goederen & diensten
t.o.v. waarde van bbp tegen marktprijs
M
m= x 100
bbp
uitvoerquote (x) = geeft verhouding weer van waarde van uitvoer van goederen & diensten
t.o.v. waarde van bbp tegen marktprijs
X
x= x 100
bbp
veel import & export = open economie
openheidsgraad = uitvoer uitgedrukt in beschikbare middelen
X
x’ = x 100
bbp+ M
8.1.2 de buitenlandse handel van België 2021 – 2024:
EMU = Europese Monetaire Unie
Europese landen die € gebruiken
dekkingscoëfficiënt = waarde van goederenuitvoer in procenten van goedereninvoer
indexcijfer van prijspeil bij uitvoer
nettoruilvoet = x 100
indexcijfer van prijspeil bij invoer
indexcijfer van prijzen van invoer met dat van uitvoer vergelijken
ontwikkeling van prijzen van in- & uitvoer is in vele gevallen belangrijke factor met betrekking
tot evenwicht op handelsbalans
8.2 de werking van het systeem van vrij internationaal
handelsverkeer:
8.2.1 de theorie van A. Smith: absolute kostenverschillen:
elk land specialiseert zich in product waar het een absoluut kostenvoordeel heeft
totale wereldproductie zal dankzij wederzijdse handel stijgen
‘wet van het absolute kostenverschil’
1
, © Kato Van de Velde
mogelijk totale productie te verhogen als elk land zich specialiseert in bedrijfstak waarin het
een absoluut kostenvoordeel heeft
8.2.2 de theorie van D. Ricardo: relatieve kostenverschillen:
arbeidsproductiviteit = productie per werknemer
‘wet van comparatieve kostenverschillen’
het ene land specialiseert zich in product waar het relatief het sterkste in is
het andere land specialiseert zich in het product waar het relatief het minst zwak is
beperkingen: - preferenties van consumenten oefenen geen invloed uit
- arbeidsproductiviteit blijft voor beide landen hetzelfde terwijl er toch
schaalvergrotingseffecten zijn
- geen rekening gehouden met transportkosten
- productiefactoren arbeid & kapitaal kunnen zich niet verplaatsen naar andere
landen
- geen milieukosten
- geen handelsbelemmeringen
oorzaken van handel tussen landen:
natuurlijke omstandigheden
kwaliteit van productiefactoren
kosten van productiemiddelen verschillen
preferenties van consumenten
handelspolitiek
8.2.3 de voordelen van de internationale vrijhandel:
leidt tot specialisatie
afzetmarkten worden groter
consumenten profiteren van lagere prijzen in het buitenland
meer keuzemogelijkheden voor consumenten
betere kwaliteit door grotere efficiëntie
8.2.4 ongebreidelde vrijhandel of niet?:
protectionisme = vrijhandel belemmeren
omvat allerlei overheidsmaatregelen om binnenlandse economie te beschermen
opvoedingsargument (= infant industry argument):
nieuwe of bestaande bedrijven die nieuwe producten maken waarvoor land erg geschikt
is, kunnen in beginjaren erg moeilijk krijgen als sterke concurrentie komt uit buitenland
lageloonlandenargument:
internationale handel verandert internationale arbeidsverdeling
relatief arbeidsintensieve productieprocessen verplaatsen zich naar ontwikkelingslanden
met lage lonen
antidumpingargument:
dumping = als producenten in buitenland verkocht worden tegen lagere prijs dan prijs
waartegen men dezelfde goederen in binnenland levert
2