H.11 Het spijsverteringsstelsel
Accessoire (aanvullende) organen van het spijsverteringsstelsel
Speekselklieren
Lever
Galblaas
Pancreas
Deze organen komen nooit rechtstreeks in contact met voedsel of
ontlasting, maar spelen wel een essentiële rol in de vertering.
Functies van de accessoire organen
Speekselklieren: Produceren speeksel dat in de mondholte
terechtkomt. Speeksel is nodig voor het kauwen en het begin van de
vertering, maar de klieren zelf raken het voedsel niet.
Lever: Produceert gal, een stof die helpt bij de vertering van vetten.
Galblaas: Slaat gal op en geeft het af wanneer dat nodig is.
Pancreas (alvleesklier): Produceert pancreassap, dat belangrijke
verteringsenzymen bevat.
Dunne darm
Het eerste deel van de dunne darm is het duodenum (twaalfvingerige
darm), dat via een kleine opening verbonden is met de maag.
In het duodenum bevindt zich de papil van Vater, een kleine opening
waar:
o Pancreassap (van de pancreas)
o Galsap (van de lever via de galblaas)
samen in de dunne darm terechtkomen.
Gal helpt bij de vertering van vetten.
Na het duodenum gaat het voedsel verder door:
o het jejunum
o het ileum
Overgang naar de dikke darm
Vanuit het ileum (rechtsonder in de buik) komt het voedsel in de dikke
darm.
Aan het begin van de dikke darm zit de appendix (blindedarm), die
weinig belangrijke functies heeft.
De plaats waar de dunne darm op de dikke darm aansluit, is te zien op
de afbeelding.
Laatste deel van het spijsverteringsstelsel
De ontlasting gaat vervolgens naar:
o de endeldarm (rectum) → opslag van ontlasting
o het anale kanaal
o en verlaat het lichaam via de anus, die wordt afgesloten door de
kringspier.
Accessoire (aanvullende) organen van het spijsverteringsstelsel
Speekselklieren
Lever
Galblaas
Pancreas
Deze organen komen nooit rechtstreeks in contact met voedsel of
ontlasting, maar spelen wel een essentiële rol in de vertering.
Functies van de accessoire organen
Speekselklieren: Produceren speeksel dat in de mondholte
terechtkomt. Speeksel is nodig voor het kauwen en het begin van de
vertering, maar de klieren zelf raken het voedsel niet.
Lever: Produceert gal, een stof die helpt bij de vertering van vetten.
Galblaas: Slaat gal op en geeft het af wanneer dat nodig is.
Pancreas (alvleesklier): Produceert pancreassap, dat belangrijke
verteringsenzymen bevat.
Dunne darm
Het eerste deel van de dunne darm is het duodenum (twaalfvingerige
darm), dat via een kleine opening verbonden is met de maag.
In het duodenum bevindt zich de papil van Vater, een kleine opening
waar:
o Pancreassap (van de pancreas)
o Galsap (van de lever via de galblaas)
samen in de dunne darm terechtkomen.
Gal helpt bij de vertering van vetten.
Na het duodenum gaat het voedsel verder door:
o het jejunum
o het ileum
Overgang naar de dikke darm
Vanuit het ileum (rechtsonder in de buik) komt het voedsel in de dikke
darm.
Aan het begin van de dikke darm zit de appendix (blindedarm), die
weinig belangrijke functies heeft.
De plaats waar de dunne darm op de dikke darm aansluit, is te zien op
de afbeelding.
Laatste deel van het spijsverteringsstelsel
De ontlasting gaat vervolgens naar:
o de endeldarm (rectum) → opslag van ontlasting
o het anale kanaal
o en verlaat het lichaam via de anus, die wordt afgesloten door de
kringspier.