diergeneeskunde
Radiografie:
Wilhelm Conrad Röntgen 1895
Röntgenstraal= elektromagnetische golf
- Verplaatsing gebeurt met de snelheid van het
licht (300000km/sec)
- Verplaatsing gebeurt in een rechte lijn
- Vereisen geen medium
- Mogelijkheid om hun energie af te geven aan de
materie (ioniserend effect)
Elektromagnetische golf ʋ = λ x f (hoe korter/ lager de golflengte, hoe hoger de frequentie)
ʋ= snelheid van de elektromagnetische golg
λ = golflengte voor RX golflengte tussen de 0,05 tot 10nm
f= frequentie= aantal golven per seconde
Hoe ontstaan X- stralen? opbouw van een röntgenbuis
- Loden omhulsel
- Vacuüm
- Kathode (-) opgebouwd uit wolfraam
ontstaan elektronenwolk
- Anode (+): aantrekken van de
elektronen
- Botsing van de elektronen op de anode
(99% warmte en 1% X-straling)
Focus= plaats op de anode waar de elektronen
tegen botsen – hoe kleiner, hoe scherper de afbeelding
Focus= puntvorm °warmteontwikkeling
Types van Röntgenbuis
Vaste anode in gesloten buis (sealed tube)<-> Draaianode buis (rotating anode tube)
Gevaren van een Röntgenbuis
1) Stralingsgevaar loden omhulsel
2) Thermisch gevaar oliekoeling
3) (hoogspanningsgevaar aarding van het toestel)
,Factoren die de emissie van X- stralen beïnvloeden
1) Kwaliteit (KV)
spanningsverschil, hoge snelheid van elektronen, hogere energie/ frequentie
röntgenstraling en hoge penetratievermogen doorheen weefsel (harde straling)
{Kwaliteit is afh. van spanningsverschil tussen kathode en anode (no 40-150kV)}
2) Kwantiteit (mAs)
mA (afhankelijk van de stroom doorheen de kathode) {1A= 6,25x 1018 elektronen per
sec}
belichtingstijd (s)
(atoomgetal anode (wolfraam))
Eigenschappen van X- stralen
- Ioniserende werking
- Doordringingsvermogen
- Fluorescerend vermogen
- Fotografisch vermogen
- Biologische werking (radioprotectie)
Ioniserende werking en doordringinsvermogen van X-stralen
1) Het foto-elektrisch effect of absorptie ~ materie
(atoomgetal
2) Diffusie of strooistraling belang van contrast ~
KV~objectdikte
wat nu? Diafragmeren! Verplicht dat in iedere röntgenbuis
collimator/ lichtvizier aanwezig is!
Correct instellen van Kv en mAs
- Eerst correct meting uitvoeren
- Nadien belichtinswaarden (kV en mAs) instellen aan de
hand van table
- Nieuwere RX toestellen automatisch
3e manier strooistralenrooster
- Opgebouwd uit zeer dunne loden lamellen omgeven
door weinig absorberend
materiaal
- Tussen de patiënt en de
röntgenfilm
- Goed rooster filtert 80-90%
uit
4e manier filter in of op het
diafragma
Hoe ontstaat een röntgenbeeld?
4 verschillende röntgendensiteiten in het lichaam
(lucht, vet, weke delen, bot)
Beoordeling van de kwaliteit van de RX opname
1) Contrast van de RX-opname (verschil in zwarting moet
minstens 25% zijn om te kunnen waarnemen)
Oorzaken voor slecht contrast:
Te korte ontwikkelingstijd
Onderbelichting (te weinig penetratie van de Xstralen)
Overbelichting
, Te veel strooistraling
2) Scherpte van de RX opname
Oorzaken
Slechte fixatie van patiënt
Te lange belichtingstijd
Bewogen cassette (GHD)
Fysiologisch
3) Over en onderbelichting
4) Over en onderbelichting
Oorzaken Onderbelichting Overbelichting
kV, mA of sec Te laag Te hoog
FFA Te groot Te klein
Ontwikkelingstijd Te kort Te lang
Strooistralenrooster Niet correct gebruiken /
5) Artefacten
Projectiefenomenen
Superpositie
- RX= tweedimensionaal beeld van een object
°superpositie: delen die van elkaar
gescheiden zijn kunnen op RX in/ naast elkaar
geprojecteerd worden
- !!!! altijd minstens 2 richtingen nemen
loodrecht op elkaar!!!!
Hochkant effect
- Detail is enkel zichtbaar in 1 bepaalde richting
- !!! Altijd minstens 2 richtingen nemen loodrecht op
elkaar!!!
- Fissuren thv carpus/ tarsus –> CT nodig
Vergroting
- Focus = plaats waaruit de primaire X-stralenbundel
vertrekt
Lage afstand tussen de focus en object hoge vergroting+ Kleinere scherpte
Hoge afstand tussen film en object hoge vergroting+ lage scherpte
Reden waarom we het te onderzoeken lidmaat steeds zo dicht mogelijk tegen de
cassette aanbrengen
Het silhouet sign
- 2 structuren op verschillende diepte gelegen en geen contact hebben met
elkaar scherpe aflijning
- 2 structuren die wel contact hebben met elkaar geen aflijning zichtbaar
Mach effect