Plantenbescherming 1
INTRO
Natuurlijk ecosysteem Agrocultureel ecosysteem
Homogener
Lagere biodiversiteit
Hogere dichtheid van
gewassoorten
Na WO2 was er een stroomversnelling van Chemische plantenbescherming.
Bescherming is nodig (cultuurgewassen) tegen vaak geteeld in een vreemde biotoop, concurrentie-
en adaptatievermogen, als het aantrekkelijk is voor plagen, als men een homogene biotoop wilt. Ook
kunnen cultuurgewassen zich moeilijk handhaven zonder een pakket van inputs.
Voedselzekerheid~ voedselveiligheid
Voordelen: arbeid, verbetering volksgezondheid, productiviteit, hygiëne
Nadelen: ecotoxicologische problemen
Schadebeeld:
- Concurrentie voor groeifactoren
- Beschadiging of functionele belemmering van essentiële plantenfuncties: fotosynthese,
stomata
- Productie van toxinen → mycotoxinen
, - Verstoring plantenhormoonbalansen
- Wegvreten bladoppervlakte
- Bevuiling van te oogsten producten
- Cosmetische schade
Primitieve opbrengs: als je gewas gaat zaaien
of planten en totaal niets voorzeit van
bemesting/ onkruidbeheersing/
insectenbeheersing, ziektenbeheersing. Het
resultaat is geen tot een zeer lage opbrengst.
Potentiële opbrengst: plant maximaal
verzorgen+ optimaal belichten/ bemesten.
Haalbare opbrengst: omdat in realiteit het allemaal niet mogelijk is
Actuele verliezen: zo laag mogelijk houden door plantenbescherming
Omvang verliezen afhankelijk van interactie plant~plantvijand~ecosysteem
- Tijdstip van aantasting
- Omgevingsfactoren (temp, RV,…)
- Resistentie/ tolerantie van plant
- Virulentie/ agressiviteit pathogeen
Chemie nodig?
Aardoppervlakte= 70% water, 30% land → 11% geschikt voor landbouw; 3% intensief bewerken
bodem.
De bevolking neemt toe dus er moet meer voedsel voorzien worden; meer mensen leven in
voedselonzekerheid.
Landbouwproductiviteit
Soortenbeperktheid: +- 350000 beschreven plantensoorten → 3000 leveren voedsel; 300 belangrijk;
10 soorten leveren 95% van het voedsel (tarwe, rijst, maïs, aardappel,… → binnen deze soorten is er
genetische erosie)
Knelpunten groene revolutie: productieverhoging door areaaluitbreiding; gebrek aan input/
productie potentieel/ kennis
Knelpunten voor stijgende productiviteit: biobrandstoffen; genetisch potentieel sommige
landbouwgewassen; CO2-neutrale economie; marginale opbrengststijging neemt af; opwarming
planeet
Green deal: EU tegen 2050 klimaat neutraal; Farm-to-fork + biodiversiteit ( gebruik PBM tegen 2030
reduceren met 50%; kunstmest met 20%) → politieke oplossing; 25% EU landbouwgrond
biolandbouw.
Biologische landbouw:
- Verlichting: landbouw ‘verwetenschappelijkt’
o Justus von Liebig (1803-1870) → grondlegger chemische bemesting
▪ + productieverhoging
▪ - verschraling van bodem
o wetten van Mendel (1822-1884)→ genetische selectie
▪ + hogere productie en zekerheid
▪ - verdwijnen van genetische diversiteit
o Hogere graad van mechanisatie
▪ + meer werk verzetten per tijdseenheid
, ▪ - hoog energieverbruik
ste
- 1 keerpunt= Reactie tegen “verwetenschappelijking” van landbouw
o Alternatieve landbouwsystemen met sterk filosofische/ ideologische inslag
o 1924: oorsprong van Biodynamische landbouw
- 1960: bewustwording ecologische impact van landbouw
o 1962: “silent spring”
o Bezorgdheden (milieubewuste productie)
de
- 2 keerpunt= alternatieve landbouwsystemen met sterkmilieubewustzijn als uitgangspunt
(door idealisten)
- Vanaf 1990: voedselschandalen
o Dioxine-crisis
o Gekke koeienziekte
o 3de keerpunt: bio groeit omwille van consumenten die meer voedselveiligheid
wensen.
o → groei biologische landbouw
- Momenteel: duurzaamheid -3P’s
o Evenwicht tussen People-Planet-Profift (economisch levensvatbaar, sociaal
aanvaardbaar, ecologisch verantwoord
o 4de keerpunt: evolutie naar meer faire manier van vergoeding voor boer (door
landbouwers)
Land sparring vs land sharing
Seq= verspreidingsequivalenten
Toxiciteit
Weegt de gebruikte hoeveelheid actieve stof op
ecotoxiciteit voor waterorganismen en de verblijftijd
in het milieu
- Combinatie van best beschikbare middelen uit conventionele als biologische landbouw
- Evenwicht tussen effectiviteit, haalbaarheid en betaalbaarheid
IPM: Integrated pest management (8principes)
1) Preventie
a. Gewasrotatie/ teelttechniek
b. Conserverende bodembewerking
c. Resistente/ tolerante cultivars en gecertificeerd zaad- en pootgoed
d. Evenwichtige bemesting
e. Hygiënemaatregelen
f. Bescherming nuttige org.
2) Monitoring (foto)
a. Visuele monitoring – veldwaarnemingen
b. Computermodellen
c. Onderzoeksstation
d. Teeltadviseurs
e. Analyses
3) Beslissen
a. Teler
b. Adviseur
c. Onderzoeksinstelling
d. DSS: Decision Support System
, 4) Curatief handelen niet chemisch
a. Biologisch (natuurlijke vijanden → prooi-predator evenwicht; opletten exoten)
i. Predatoren: plaaginsect is voedsel (bijtende monddelen, stekende
monddelen)
ii. Parasieten: plaaginsect is voedsel in slechts deel van levenscyclus van
natuurlijke vijand. (sluipvliegen)
iii. Entomopathogeen (nematoden/ schimmels)
iv. Begrip: polyfaag/ specifiek
b. Mechanisch: omgevingsstress veroorzaken die het organisme niet kan verdragen
i. Omgevingsfactoren aanpassen (temp, RV, Geluid,…)
ii. Fysieke uitsluiting door vallen of fysieke barrières
iii. Directe fysieke interactie: schoffelen, branden, insecten manueel verwijder.
c. Fysisch
5) Curatief chemisch met minste impact
a. Curatief= “to cure”= genezend, ingrijpend nadat
symptoom zichtbaar wordt
b. Minste impact:
i. Technische geen vanzelfsprekende
inschatting
ii. Productkeuze goed maken
iii. Rol van adviseurs/ onderzoek/
praktijkcentra.
6) Curatief chemisch met laagste dosering
a. Zie fytoweb
b. Afhankelijk van onkruiddruk/ ziektedruk/plaagdruk: hoog= hogere dosis/ laag<>
c. Hong onkruid= lage dosering hanteren
d. Probleemonkruiden= hogere dosering
7) Resistentie- opbouw vermijden
a. Metabolisch
b. Target site
c. Penetratie
d. Gedrag organisme
e. Vermijden:
i. Afwisselen chemische ‘families’ /
werkingsprincipes
ii. Correcte dosering: over- en onderdosering vermijden
iii. Aantal behandelingen beperken
iv. Mengsels hanteren
8) Reflectie
Belang IPM → verplicht vanuit EU; vegaplan certificering
INTRO
Natuurlijk ecosysteem Agrocultureel ecosysteem
Homogener
Lagere biodiversiteit
Hogere dichtheid van
gewassoorten
Na WO2 was er een stroomversnelling van Chemische plantenbescherming.
Bescherming is nodig (cultuurgewassen) tegen vaak geteeld in een vreemde biotoop, concurrentie-
en adaptatievermogen, als het aantrekkelijk is voor plagen, als men een homogene biotoop wilt. Ook
kunnen cultuurgewassen zich moeilijk handhaven zonder een pakket van inputs.
Voedselzekerheid~ voedselveiligheid
Voordelen: arbeid, verbetering volksgezondheid, productiviteit, hygiëne
Nadelen: ecotoxicologische problemen
Schadebeeld:
- Concurrentie voor groeifactoren
- Beschadiging of functionele belemmering van essentiële plantenfuncties: fotosynthese,
stomata
- Productie van toxinen → mycotoxinen
, - Verstoring plantenhormoonbalansen
- Wegvreten bladoppervlakte
- Bevuiling van te oogsten producten
- Cosmetische schade
Primitieve opbrengs: als je gewas gaat zaaien
of planten en totaal niets voorzeit van
bemesting/ onkruidbeheersing/
insectenbeheersing, ziektenbeheersing. Het
resultaat is geen tot een zeer lage opbrengst.
Potentiële opbrengst: plant maximaal
verzorgen+ optimaal belichten/ bemesten.
Haalbare opbrengst: omdat in realiteit het allemaal niet mogelijk is
Actuele verliezen: zo laag mogelijk houden door plantenbescherming
Omvang verliezen afhankelijk van interactie plant~plantvijand~ecosysteem
- Tijdstip van aantasting
- Omgevingsfactoren (temp, RV,…)
- Resistentie/ tolerantie van plant
- Virulentie/ agressiviteit pathogeen
Chemie nodig?
Aardoppervlakte= 70% water, 30% land → 11% geschikt voor landbouw; 3% intensief bewerken
bodem.
De bevolking neemt toe dus er moet meer voedsel voorzien worden; meer mensen leven in
voedselonzekerheid.
Landbouwproductiviteit
Soortenbeperktheid: +- 350000 beschreven plantensoorten → 3000 leveren voedsel; 300 belangrijk;
10 soorten leveren 95% van het voedsel (tarwe, rijst, maïs, aardappel,… → binnen deze soorten is er
genetische erosie)
Knelpunten groene revolutie: productieverhoging door areaaluitbreiding; gebrek aan input/
productie potentieel/ kennis
Knelpunten voor stijgende productiviteit: biobrandstoffen; genetisch potentieel sommige
landbouwgewassen; CO2-neutrale economie; marginale opbrengststijging neemt af; opwarming
planeet
Green deal: EU tegen 2050 klimaat neutraal; Farm-to-fork + biodiversiteit ( gebruik PBM tegen 2030
reduceren met 50%; kunstmest met 20%) → politieke oplossing; 25% EU landbouwgrond
biolandbouw.
Biologische landbouw:
- Verlichting: landbouw ‘verwetenschappelijkt’
o Justus von Liebig (1803-1870) → grondlegger chemische bemesting
▪ + productieverhoging
▪ - verschraling van bodem
o wetten van Mendel (1822-1884)→ genetische selectie
▪ + hogere productie en zekerheid
▪ - verdwijnen van genetische diversiteit
o Hogere graad van mechanisatie
▪ + meer werk verzetten per tijdseenheid
, ▪ - hoog energieverbruik
ste
- 1 keerpunt= Reactie tegen “verwetenschappelijking” van landbouw
o Alternatieve landbouwsystemen met sterk filosofische/ ideologische inslag
o 1924: oorsprong van Biodynamische landbouw
- 1960: bewustwording ecologische impact van landbouw
o 1962: “silent spring”
o Bezorgdheden (milieubewuste productie)
de
- 2 keerpunt= alternatieve landbouwsystemen met sterkmilieubewustzijn als uitgangspunt
(door idealisten)
- Vanaf 1990: voedselschandalen
o Dioxine-crisis
o Gekke koeienziekte
o 3de keerpunt: bio groeit omwille van consumenten die meer voedselveiligheid
wensen.
o → groei biologische landbouw
- Momenteel: duurzaamheid -3P’s
o Evenwicht tussen People-Planet-Profift (economisch levensvatbaar, sociaal
aanvaardbaar, ecologisch verantwoord
o 4de keerpunt: evolutie naar meer faire manier van vergoeding voor boer (door
landbouwers)
Land sparring vs land sharing
Seq= verspreidingsequivalenten
Toxiciteit
Weegt de gebruikte hoeveelheid actieve stof op
ecotoxiciteit voor waterorganismen en de verblijftijd
in het milieu
- Combinatie van best beschikbare middelen uit conventionele als biologische landbouw
- Evenwicht tussen effectiviteit, haalbaarheid en betaalbaarheid
IPM: Integrated pest management (8principes)
1) Preventie
a. Gewasrotatie/ teelttechniek
b. Conserverende bodembewerking
c. Resistente/ tolerante cultivars en gecertificeerd zaad- en pootgoed
d. Evenwichtige bemesting
e. Hygiënemaatregelen
f. Bescherming nuttige org.
2) Monitoring (foto)
a. Visuele monitoring – veldwaarnemingen
b. Computermodellen
c. Onderzoeksstation
d. Teeltadviseurs
e. Analyses
3) Beslissen
a. Teler
b. Adviseur
c. Onderzoeksinstelling
d. DSS: Decision Support System
, 4) Curatief handelen niet chemisch
a. Biologisch (natuurlijke vijanden → prooi-predator evenwicht; opletten exoten)
i. Predatoren: plaaginsect is voedsel (bijtende monddelen, stekende
monddelen)
ii. Parasieten: plaaginsect is voedsel in slechts deel van levenscyclus van
natuurlijke vijand. (sluipvliegen)
iii. Entomopathogeen (nematoden/ schimmels)
iv. Begrip: polyfaag/ specifiek
b. Mechanisch: omgevingsstress veroorzaken die het organisme niet kan verdragen
i. Omgevingsfactoren aanpassen (temp, RV, Geluid,…)
ii. Fysieke uitsluiting door vallen of fysieke barrières
iii. Directe fysieke interactie: schoffelen, branden, insecten manueel verwijder.
c. Fysisch
5) Curatief chemisch met minste impact
a. Curatief= “to cure”= genezend, ingrijpend nadat
symptoom zichtbaar wordt
b. Minste impact:
i. Technische geen vanzelfsprekende
inschatting
ii. Productkeuze goed maken
iii. Rol van adviseurs/ onderzoek/
praktijkcentra.
6) Curatief chemisch met laagste dosering
a. Zie fytoweb
b. Afhankelijk van onkruiddruk/ ziektedruk/plaagdruk: hoog= hogere dosis/ laag<>
c. Hong onkruid= lage dosering hanteren
d. Probleemonkruiden= hogere dosering
7) Resistentie- opbouw vermijden
a. Metabolisch
b. Target site
c. Penetratie
d. Gedrag organisme
e. Vermijden:
i. Afwisselen chemische ‘families’ /
werkingsprincipes
ii. Correcte dosering: over- en onderdosering vermijden
iii. Aantal behandelingen beperken
iv. Mengsels hanteren
8) Reflectie
Belang IPM → verplicht vanuit EU; vegaplan certificering