A. Meetinstrumenten in
kwantitatief onderzoek
Variabelen
o Verband: juistheid controleren op fouten
o Verklarende (suiker)
o Uitkomst (cariës)
Gevonden verbanden of effecten kunnen
ontstaan zijn door:
• Toeval: (Chance)
• Systematische fouten: (Bias)= systematische vertekening van onderzoeksresultaten als gevolg
van een fout in de meting.
• Additionele factoren: (Confounding)= alle belangrijke factoren die gerelateerd zijn aan de te
onderzoeken risicofactor of blootstelling EN ook aan de uitkomst.
▪ Kan een verband tussen blootstelling en uitkomst verzwakken of versterken.
Effect modificerende variabele= heeft invloed op hoe sterk het effect van de verklarende variabele is
op de uitkomst variabele.
Soorten meetinstrumenten
o Eenvoudige telsysteem
o Fysieke en biologische parameters – enkelvoudig of samengesteld
o Vragenlijsten
o Observaties
Juistheid van meetinstrumenten
Betrouwbaarheid= de consistentie van de metingen, herhaald dezelfde meting
o Eerst betrouwbaarheid hebben om de validiteit te beoordelen
4 types
1. De inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid= De mate waarin de uitslagen van de metingen bij
dezelfde patiënt variëren als verschillende mensen de test uitvoeren
(inter = tussen)
2. De intra-beoordelaarsbetrouwbaarheid= De mate waarin de uitslagen van de metingen bij
dezelfde patiënt variëren als dezelfde persoon de test meermaals uitvoert
(intra = binnen)
→ Graad van betrouwbaarheid uitgedrukt in:
, o Kappa coëfficiënt (nominale of ordinale)
o Correlatiecoëfficiënt (continue)
▪ Waarde -1 en +1
3. De test-hertest betrouwbaarheid=de stabiliteit verwijst naar het constant blijven van de
meetresultaten over de tijd.
▪ Twee keer dezelfde vragenlijst laten afnemen op een ander
tijdstip.
▪ Of de vragen goed geformuleerd zijn, op dezelfde manier kan
beantwoord worden.
→ Uitkomst wordt uitgedrukt in correlatiecoëfficiënt
o Voorbeeld: Pearsons, Spearman, intra-class correlatiecoëfficiënt
+1: perfecte positieve correlatie
-1: perfecte negatieve correlatie
0: absoluut geen correlatie
4. De interne consistentie betrouwbaarheid =de mate waarin delen van een instrument
onderling overeenstemmen.
▪ Binnen hetzelfde meetinstrument
▪ Uitgedrukt in Cronbach’s alfa coëfficiënt
(𝛼)
o Voorbeeld: Vragenlijst hetzelfde gaat
bevragen maar op een andere manier
Validiteit= de mate waarin gemeten wordt wat men daadwerkelijk wilde meten.
Categorieën:
Inhoudsvaliditeit =covert mijn meetinstrument de content die
we willen meten.
▪ Omvat het alle domeinen van het te meten
onderwerp? Is het representatief? Is het relevant? Is het
op een begrijpelijke manier voorgesteld?
▪ Panel experts zal evalueren
▪ Geen statistiek
Criterium validiteit= is er een goede overeenkomst tussen het nieuwe instrument en het bestaand
instrument.
▪ Gelijktijdige (concurrent validiteit)
▪ Voorspellend (predictive validiteit)
▪ Statistiek: correlatiecoëfficiënt
, Begripsvaliditeit= Zoekt overeenkomst tussen het verondersteld theoretisch concept en het
meetinstrument.
▪ Statistiek:
correlatiecoëfficiënt
▪ Factor analyse
▪ Oordeel experten
B. Beoordelen resultaten kwantitatief onderzoek
(1)Diagnose onderzoek
➢ Interventie is een nieuwe diagnostische test vergelijken met een referentie test
➢ Diagnose= het vaststellen van een bepaalde gezondheidstoestand op basis van gegevens
Informatie verzamelen
o Klinisch verschijnselen
o Medische voorgeschiedenis (anamnese)
o Beeldvormend materiaal
o Gegevens via lichaamsvochten (bloed/speeksel)
o Voorafgaande omstandigheden/blootstellingen (roken)
o Best mogelijke test te hebben
o Kostprijs verantwoord?
Validiteit bepalen
o Vergelijken met een gouden standaard
(referentietest)
o Gekende test die veel wordt
gebruikt
o Komt de uitkomst van de diagnostische
test(indextest) overeen met de gouden
standaard?
o Valide referentietest kiezen
o Index- en referentietest uitvoeren bij alle patiënten
Sensitiviteit= proportie van de werkelijke
zieken die ook positief getest werden
A
o (a+c)
o Hoog = hoog aantal werkelijke zieken
Specificiteit= proportie niet-zieken met
negatief testresultaat
D
o (b+d)
o Hoog = weinig fout-positieve resultaten
True positive= positieve test bij een ziek persoon (a).
True negatives= negatieve test bij een niet-ziek persoon (d)
False positives= positieve test bij een persoon die de ziekte niet heeft (b)