H8: celverbindingen
8.1 inleiding
Cellen zitten niet los in het lichaam, maar zijn gegroepeerd in weefsels.
Cellen zijn verbonden via juncties, dit zijn eiwitstructuren die meerdere
functies hebben:
Cellen kunnen aan elkaar of aan het substraat hechten.
Cellen kunnen via deze verbindingen ook communiceren met elkaar.
Er zijn drie grote typen celverbindingen:
1. Hechtingsverbindingen — zorgen voor stevige verbinding tussen
cellen of tussen cel en extracellulaire matrix.
2. Afsluitende verbindingen — vormen barrières, zoals occludens-
juncties die zorgen dat stoffen niet zomaar tussen cellen door
kunnen.
3. Communicatieverbindingen — laten cellen informatie uitwisselen. Er
zijn twee soorten:
o Kanaalvormende verbindingen (bijvoorbeeld gap junctions):
kleine openingen voor metabolische koppeling (uitwisseling
van ionen en kleine moleculen).
o Signaaloverdragende verbindingen (zoals synapsen):
biochemische contactpunten voor het doorgeven van signalen.
Het epitheel (weefsel dat de oppervlakken bedekt) is een goed model om
deze verbindingen te bestuderen:
Afsluitende verbindingen (occludens-juncties) zorgen dat er een
barrière is.
Cel-cel en cel-matrix verbindingen zijn gekoppeld aan het cytoskelet
(belangrijk voor stevigheid en structuur).
Kanaalvormende verbindingen zorgen voor metabolische koppeling
tussen cellen.
8.2 celadhesie
Celadhesie gebeurt via transmembraanproteïnen, die contact maken met
andere cellen of de extracellulaire matrix.
Er zijn 4 grote categorieën adhesiemoleculen:
1. CAMs (Cell Adhesion Molecules)
, 2. Cadherines
3. Selectines
4. Integrine
Verschillen tussen deze moleculen:
CAMs en cadherines werken vooral via homofiele interacties: ze
binden met exact hetzelfde type molecule op een andere cel.
Selectines en integrines werken via heterofiele interacties: ze binden
met een ander soort molecule (bijvoorbeeld suikergroepen of CAMs).
Meer details per type:
CAMs behoren tot de immunoglobuline (Ig)-familie, met meerdere Ig-
domeinen. Ze kunnen zowel homofiel als heterofiel binden, en hun
binding is calcium-onafhankelijk.
Lectines zijn eiwitten die suikergroepen herkennen. Selectines zijn
een type lectine en binden een specifieke suikergroepen op andere
cellen (heterofiele interactie).
Rol van selectines bij immuunrespons:
Bij een ontsteking of wond moeten witte bloedcellen (leukocyten)
snel naar de plek van de ontsteking migreren. Dit gebeurt via een
proces genaamd extravasatie.
Stap 1: Weak adhesion and rolling
o Leukocyten worden vertraagd in de bloedbaan door zwakke
binding aan selectines op het endotheel (de binnenbekleding
van bloedvaten).
o Cytokines (signaalmoleculen) zorgen dat het endotheel
selectines naar het oppervlak brengt (via gereguleerde
exocytose).
Stap 2: Strong adhesion and emigration
o De binding van selectines aan suikergroepen op leukocyten
activeert de leukocyt.
o Dit leidt tot het blootstellen van integrines op de leukocyt, die
steviger binden aan het endotheel.
Integrines zijn transmembraaneiwitten die cellen
verbinden met de extracellulaire matrix of andere cellen
via heterofiele interacties en een sleutelrol spelen in
adhesie, signaaloverdracht en celmigratie.
8.1 inleiding
Cellen zitten niet los in het lichaam, maar zijn gegroepeerd in weefsels.
Cellen zijn verbonden via juncties, dit zijn eiwitstructuren die meerdere
functies hebben:
Cellen kunnen aan elkaar of aan het substraat hechten.
Cellen kunnen via deze verbindingen ook communiceren met elkaar.
Er zijn drie grote typen celverbindingen:
1. Hechtingsverbindingen — zorgen voor stevige verbinding tussen
cellen of tussen cel en extracellulaire matrix.
2. Afsluitende verbindingen — vormen barrières, zoals occludens-
juncties die zorgen dat stoffen niet zomaar tussen cellen door
kunnen.
3. Communicatieverbindingen — laten cellen informatie uitwisselen. Er
zijn twee soorten:
o Kanaalvormende verbindingen (bijvoorbeeld gap junctions):
kleine openingen voor metabolische koppeling (uitwisseling
van ionen en kleine moleculen).
o Signaaloverdragende verbindingen (zoals synapsen):
biochemische contactpunten voor het doorgeven van signalen.
Het epitheel (weefsel dat de oppervlakken bedekt) is een goed model om
deze verbindingen te bestuderen:
Afsluitende verbindingen (occludens-juncties) zorgen dat er een
barrière is.
Cel-cel en cel-matrix verbindingen zijn gekoppeld aan het cytoskelet
(belangrijk voor stevigheid en structuur).
Kanaalvormende verbindingen zorgen voor metabolische koppeling
tussen cellen.
8.2 celadhesie
Celadhesie gebeurt via transmembraanproteïnen, die contact maken met
andere cellen of de extracellulaire matrix.
Er zijn 4 grote categorieën adhesiemoleculen:
1. CAMs (Cell Adhesion Molecules)
, 2. Cadherines
3. Selectines
4. Integrine
Verschillen tussen deze moleculen:
CAMs en cadherines werken vooral via homofiele interacties: ze
binden met exact hetzelfde type molecule op een andere cel.
Selectines en integrines werken via heterofiele interacties: ze binden
met een ander soort molecule (bijvoorbeeld suikergroepen of CAMs).
Meer details per type:
CAMs behoren tot de immunoglobuline (Ig)-familie, met meerdere Ig-
domeinen. Ze kunnen zowel homofiel als heterofiel binden, en hun
binding is calcium-onafhankelijk.
Lectines zijn eiwitten die suikergroepen herkennen. Selectines zijn
een type lectine en binden een specifieke suikergroepen op andere
cellen (heterofiele interactie).
Rol van selectines bij immuunrespons:
Bij een ontsteking of wond moeten witte bloedcellen (leukocyten)
snel naar de plek van de ontsteking migreren. Dit gebeurt via een
proces genaamd extravasatie.
Stap 1: Weak adhesion and rolling
o Leukocyten worden vertraagd in de bloedbaan door zwakke
binding aan selectines op het endotheel (de binnenbekleding
van bloedvaten).
o Cytokines (signaalmoleculen) zorgen dat het endotheel
selectines naar het oppervlak brengt (via gereguleerde
exocytose).
Stap 2: Strong adhesion and emigration
o De binding van selectines aan suikergroepen op leukocyten
activeert de leukocyt.
o Dit leidt tot het blootstellen van integrines op de leukocyt, die
steviger binden aan het endotheel.
Integrines zijn transmembraaneiwitten die cellen
verbinden met de extracellulaire matrix of andere cellen
via heterofiele interacties en een sleutelrol spelen in
adhesie, signaaloverdracht en celmigratie.