H10: tumor en transplantatie
immunologie
Foto 1: bewijs ter ondersteuning van het idee dat het immuunsysteem
reageert tegen tumoren
1. Lymfocyteninfiltratie rond tumoren
Tumoren en nabijgelegen lymfeknopen bevatten vaak veel
lymfocyten
Betekenis: Immuunrespons tegen tumor → betere prognose
2. Afstoting van getransplanteerde tumoren
Tumoren die tussen genetisch identieke dieren worden
getransplanteerd, worden afgestoten.
Afstoting gaat sneller als het dier eerder met die tumor in
contact kwam.
Betekenis: Adaptieve immuniteit (specificiteit + geheugen) →
lymfocyten spelen sleutelrol.
3. Immuundeficiëntie verhoogt tumorincidentie
Personen met een verzwakt immuunsysteem ontwikkelen
vaker tumoren.
Betekenis: Immuunsysteem beschermt tegen tumorgroei.
4. Blokkade van inhibitorische T-celreceptoren (PD-1, CTLA-4)
Therapeutische blokkade van deze remmende pathways
activeert T-cellen → tumorremissie.
Betekenis: Tumoren ontsnappen deels door T-celremming →
immuunsysteem kan tumoren bestrijden als remming wordt
opgeheven
Foto 2: soorten tumorantigenen die door T-cellen worden herkend
Soorten tumorantigenen
1. Neoantigenen (mutatie-geïnduceerd)
Ontstaan door mutaties in tumorcellen → gewijzigde eiwitten
Vreemd voor immuunsysteem → herkend door T-cellen en
antistoffen
2. Aberrante expressie van normale eiwitten
Eiwitten die normaal alleen in bepaalde weefsels voorkomen
(bv. testis-antigenen) verschijnen in tumoren
Voorbeeld: Tumoren die testis-specifieke antigenen tot
expressie brengen.
3. Overexpressie van normale eiwitten
Normale eiwitten komen in veel hogere concentratie voor in
tumorcellen.
, Voorbeeld: HER2 bij borstkanker.
4. Normale eiwitten met verhoogde expressie
Eiwitten die normaal aanwezig zijn, maar in tumoren sterk
verhoogd.
Voorbeelden: CD20, tyrosinase.
5. Virale antigenen (oncogene virussen)
Tumoren veroorzaakt door virussen bevatten virale eiwitten.
Voorbeelden: HPV (humaan papillomavirus), EBV (Epstein-Barr
virus)
Foto 3: Immuunreactie tegen tumoren
1. Opname van tumorantigenen
Dendritische cellen nemen tumorantigenen op door fagocytose
2. Transport naar lymfeknoop
Dendritische cellen migreren via afferente lymfevaten naar
een regionale lymfeknoop
3. Activatie van T-cellen
In de lymfeknoop presenteren dendritische cellen
tumorantigenen aan CD8+ T-cellen
Dit activeert tumor-antigeen-specifieke cytotoxische T-
lymfocyten (CTL’s)
4. Migratie naar tumor
Geactiveerde CTL’s verlaten de lymfeknoop en migreren via de
bloedbaan naar de tumor
5. Doding van tumorcellen
CTL’s herkennen tumorcellen en veroorzaken apoptose van
deze cellen
Foto 4: hoe tumoren immuunreacties ontwijken
Mechanismen van immuunontwijking door tumoren
1. Failure to present tumor antigens
Tumorcellen verliezen MHC klasse I expressie → geen
presentatie van antigenen.
Gevolg: T-cellen herkennen tumor niet → geen activatie
2. Failure to produce tumor antigen
Tumorcellen verliezen of verbergen specifieke antigenen
Gevolg: Geen herkenning door T-cellen → tumor ontsnapt
3. Productie van immunosuppressieve moleculen
Tumoren maken inhibitorische liganden (bv. PD-L1) die binden
aan T-celreceptoren (PD-1, CTLA-4)
Gevolg: Remming van T-celactivatie
4. Immunosuppressieve cytokines
immunologie
Foto 1: bewijs ter ondersteuning van het idee dat het immuunsysteem
reageert tegen tumoren
1. Lymfocyteninfiltratie rond tumoren
Tumoren en nabijgelegen lymfeknopen bevatten vaak veel
lymfocyten
Betekenis: Immuunrespons tegen tumor → betere prognose
2. Afstoting van getransplanteerde tumoren
Tumoren die tussen genetisch identieke dieren worden
getransplanteerd, worden afgestoten.
Afstoting gaat sneller als het dier eerder met die tumor in
contact kwam.
Betekenis: Adaptieve immuniteit (specificiteit + geheugen) →
lymfocyten spelen sleutelrol.
3. Immuundeficiëntie verhoogt tumorincidentie
Personen met een verzwakt immuunsysteem ontwikkelen
vaker tumoren.
Betekenis: Immuunsysteem beschermt tegen tumorgroei.
4. Blokkade van inhibitorische T-celreceptoren (PD-1, CTLA-4)
Therapeutische blokkade van deze remmende pathways
activeert T-cellen → tumorremissie.
Betekenis: Tumoren ontsnappen deels door T-celremming →
immuunsysteem kan tumoren bestrijden als remming wordt
opgeheven
Foto 2: soorten tumorantigenen die door T-cellen worden herkend
Soorten tumorantigenen
1. Neoantigenen (mutatie-geïnduceerd)
Ontstaan door mutaties in tumorcellen → gewijzigde eiwitten
Vreemd voor immuunsysteem → herkend door T-cellen en
antistoffen
2. Aberrante expressie van normale eiwitten
Eiwitten die normaal alleen in bepaalde weefsels voorkomen
(bv. testis-antigenen) verschijnen in tumoren
Voorbeeld: Tumoren die testis-specifieke antigenen tot
expressie brengen.
3. Overexpressie van normale eiwitten
Normale eiwitten komen in veel hogere concentratie voor in
tumorcellen.
, Voorbeeld: HER2 bij borstkanker.
4. Normale eiwitten met verhoogde expressie
Eiwitten die normaal aanwezig zijn, maar in tumoren sterk
verhoogd.
Voorbeelden: CD20, tyrosinase.
5. Virale antigenen (oncogene virussen)
Tumoren veroorzaakt door virussen bevatten virale eiwitten.
Voorbeelden: HPV (humaan papillomavirus), EBV (Epstein-Barr
virus)
Foto 3: Immuunreactie tegen tumoren
1. Opname van tumorantigenen
Dendritische cellen nemen tumorantigenen op door fagocytose
2. Transport naar lymfeknoop
Dendritische cellen migreren via afferente lymfevaten naar
een regionale lymfeknoop
3. Activatie van T-cellen
In de lymfeknoop presenteren dendritische cellen
tumorantigenen aan CD8+ T-cellen
Dit activeert tumor-antigeen-specifieke cytotoxische T-
lymfocyten (CTL’s)
4. Migratie naar tumor
Geactiveerde CTL’s verlaten de lymfeknoop en migreren via de
bloedbaan naar de tumor
5. Doding van tumorcellen
CTL’s herkennen tumorcellen en veroorzaken apoptose van
deze cellen
Foto 4: hoe tumoren immuunreacties ontwijken
Mechanismen van immuunontwijking door tumoren
1. Failure to present tumor antigens
Tumorcellen verliezen MHC klasse I expressie → geen
presentatie van antigenen.
Gevolg: T-cellen herkennen tumor niet → geen activatie
2. Failure to produce tumor antigen
Tumorcellen verliezen of verbergen specifieke antigenen
Gevolg: Geen herkenning door T-cellen → tumor ontsnapt
3. Productie van immunosuppressieve moleculen
Tumoren maken inhibitorische liganden (bv. PD-L1) die binden
aan T-celreceptoren (PD-1, CTLA-4)
Gevolg: Remming van T-celactivatie
4. Immunosuppressieve cytokines