Deel 1: Meerkeuzevragen (42 Vragen)
Hoorcollege 1: Vraag en Aanbod
Het model van vraag en aanbod vormt de hoeksteen van de micro-economische analyse. Het
is het fundamentele instrument om de werking van markten, de totstandkoming van prijzen
en de impact van economische schokken te doorgronden. Een grondige beheersing van dit
model is essentieel, niet enkel als theoretische basis, maar als een strategisch raamwerk dat
de fundamenten legt voor alle verdere analyses van consumentengedrag, bedrijfsstrategieën
en overheidsbeleid.
--------------------------------------------------------------------------------
Vraag 1
Stel dat de marktvraag naar graan wordt gegeven door Qd = 150 - 5P en het marktaanbod
door Qs = 10 + 2P, waarbij Q de hoeveelheid in miljoenen tonnen is en P de prijs in euro per
ton. Wat is de evenwichtsprijs en -hoeveelheid op deze markt?
A. P = 10, Q = 100
B. P = 20, Q = 50
C. P = 25, Q = 25
D. P = 50, Q = 20
--------------------------------------------------------------------------------
Vraag 2
De vraag naar concerttickets wordt beschreven door de functie Q = 200 - 4P. Wat is de
prijselasticiteit van de vraag bij een prijs van P = 30, en hoe kan de vraag bij deze prijs
worden omschreven?
A. -1.0, eenheidselastisch
B. -0.67, inelastisch
C. -1.5, elastisch
D. -2.5, elastisch
--------------------------------------------------------------------------------
Vraag 3
Beoordeel de volgende twee stellingen:
, Stelling I: Voor een normaal goed zal een daling van het gemiddelde
consumenteninkomen de vraagcurve naar links doen verschuiven.
Stelling II: Een technologische innovatie die de productiekosten verlaagt, zal de
aanbodcurve naar rechts doen verschuiven.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist, Stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist, Stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
--------------------------------------------------------------------------------
Vraag 4
Wat is het meest waarschijnlijke gevolg van de invoering van een bindende maximumprijs
(prijsplafond) in een markt met perfecte concurrentie?
A. Er ontstaat een aanbodoverschot (surplus) en de verhandelde hoeveelheid stijgt.
B. Er ontstaat een vraagoverschot (tekort) en de verhandelde hoeveelheid daalt.
C. De marktprijs stijgt tot boven het evenwichtsniveau om het tekort te compenseren.
D. Zowel het consumentensurplus als het producentensurplus neemt toe.
--------------------------------------------------------------------------------
Vraag 5
Welke van de volgende opties beschrijft de kenmerken van een markt met perfecte
concurrentie het best?
A. Enkele grote bedrijven, gedifferentieerde producten, en aanzienlijke toetredingsbarrières.
B. Een gefragmenteerde industrie, homogene producten, en vrije toe- en uittreding.
C. Eén dominant bedrijf, een uniek product, en door de overheid verleende exclusiviteit.
D. Veel bedrijven, gedifferentieerde producten, en beperkte informatie voor consumenten.
--------------------------------------------------------------------------------
Vraag 6
Welke van de onderstaande uitspraken vat de algemene bevinding van het paper van De
Loecker & Warzynski (2012), zoals besproken in het hoorcollege, het best samen?
A. Mark-ups zijn de afgelopen decennia wereldwijd gedaald door toegenomen internationale
concurrentie.
,B. De stijging van mark-ups wordt voornamelijk gedreven door een groot aantal kleine,
innovatieve start-ups.
C. Er is een duidelijke stijging in mark-ups waargenomen, die voornamelijk wordt veroorzaakt
door grote, reeds productieve bedrijven met hoge mark-ups.
D. Mark-ups zijn stabiel gebleven, maar de winsten zijn gestegen door een daling van de
vaste kosten in de productiesector.
--------------------------------------------------------------------------------
De analyse van de markt als geheel biedt inzicht in evenwichtsuitkomsten, maar de
vraagcurve zelf is de aggregatie van talloze individuele beslissingen. Om de
microfundamenten van marktgedrag te begrijpen, verleggen we onze focus nu naar de
theorie die de keuzes van de individuele consument verklaart.
Hoorcollege 2: Consumentengedrag
De consumentenkeuzetheorie is fundamenteel voor het doorgronden van de vraagzijde van
de markt. Door het modelleren van preferenties via nutsfuncties en het in rekening brengen
van budgetbeperkingen, kunnen we niet alleen de individuele vraagcurve afleiden, maar ook
de reacties van consumenten op prijs- en inkomensveranderingen systematisch ontleden in
substitutie- en inkomenseffecten. Dit biedt een krachtig analytisch kader om de impact van
economisch beleid op consumentenwelvaart te evalueren.
--------------------------------------------------------------------------------
Vraag 7
Een consument heeft een nutsfunctie U(x, y) = xy. De prijs van goed x is €4 en de prijs van
goed y is €2. De consument heeft een budget van €80. Wat is de optimale consumptiebundel
(x, y) voor deze consument?
A. x = 15, y = 10
B. x = 20, y = 0
C. x = 10, y = 20
D. x = 8, y = 24
--------------------------------------------------------------------------------
Vraag 8
Een consument met nutsfunctie U(x, y) = xy en een inkomen van €80 wordt geconfronteerd
met prijzen Px = €4 en Py = €2. De prijs van goed x daalt vervolgens naar Px = €2. Wat is het
totale effect van deze prijsdaling op de gevraagde hoeveelheid van goed x?
A. De vraag naar x stijgt met 5 eenheden.
, B. De vraag naar x stijgt met 10 eenheden.
C. De vraag naar x stijgt met 20 eenheden.
D. De vraag naar x blijft onveranderd.
--------------------------------------------------------------------------------
Vraag 9
Duid het juiste antwoord aan. Onder de standaard aannames over consumentenvoorkeuren
geldt voor indifferentiecurven dat ze:
A. elkaar kunnen snijden, een positieve helling hebben en concaaf zijn ten opzichte van de
oorsprong.
B. niet dalend zijn, elkaar niet snijden en convex zijn ten opzichte van de oorsprong.
C. een negatieve helling hebben, elkaar niet snijden, en dat curven verder van de oorsprong
een hoger nutsniveau vertegenwoordigen.
D. lineair zijn, elkaar snijden op de assen, en dat lagere curven een hoger nutsniveau
vertegenwoordigen.
--------------------------------------------------------------------------------
Vraag 10
Stel dat het inkomen van een student aanzienlijk stijgt na het afstuderen en het vinden van
een eerste baan. Voor welk van de volgende goederen zal de vraag van deze persoon
waarschijnlijk dalen, waardoor het als een inferieur goed wordt beschouwd?
A. Tickets voor het openbaar vervoer.
B. Restaurantmaaltijden van hoge kwaliteit.
C. Een nieuwe, duurdere smartphone.
D. Biologische groenten en fruit.
--------------------------------------------------------------------------------
Vraag 11
Beoordeel de volgende twee stellingen:
Stelling I: Voor perfecte complementen is het substitutie-effect van een
prijsverandering altijd gelijk aan nul.
Stelling II: Voor quasi-lineaire voorkeuren is het inkomenseffect van een
prijsverandering voor het niet-lineaire goed altijd gelijk aan nul (ervan uitgaande dat
er een interne oplossing is).