Inhoudsopgave
Les 1: Vraag, Aanbod en Elasticiteit
o Kernconcepten, Theoretische Diepgang, Wiskunde & Formules,
Stappenplannen, Praktijkvoorbeelden.
Les 2: Consumentengedrag en Nutsmaximalisatie
o Kernconcepten, Theoretische Diepgang, Wiskunde & Formules,
Stappenplannen, Praktijkvoorbeelden.
Les 3: Monopolie en Monopsonie
o Kernconcepten, Theoretische Diepgang, Wiskunde & Formules,
Stappenplannen, Praktijkvoorbeelden & Artikelen.
Les 4: Surplus Toe-eigenen en Speltheorie
o Kernconcepten, Theoretische Diepgang, Wiskunde & Formules,
Stappenplannen, Praktijkvoorbeelden & Artikelen.
Les 5: Marktstructuur en Mededinging
o Kernconcepten, Theoretische Diepgang, Wiskunde & Formules,
Stappenplannen, Praktijkvoorbeelden & Artikelen.
Les 6: Risico en Onzekerheid
o Kernconcepten, Theoretische Diepgang, Wiskunde & Formules,
Stappenplannen, Praktijkvoorbeelden.
Les 7: Algemeen Evenwicht, Externaliteiten en Publieke Goederen
o Kernconcepten, Theoretische Diepgang, Wiskunde & Formules,
Stappenplannen, Praktijkvoorbeelden & Artikelen.
Appendix: Wiskundige Begrippen
o Optimalisatieproblemen en Lagrange-multiplicatoren.
,Les 1: Vraag, Aanbod en Elasticiteit
Deze les legt de fundamenten van marktanalyse. We onderzoeken hoe vraag en aanbod de
prijzen en hoeveelheden in een markt bepalen en hoe we de gevoeligheid van vraag en
aanbod voor prijsveranderingen kunnen meten met behulp van elasticiteiten.
Kernconcepten
Concept Definitie
De inverse relatie tussen prijs en gevraagde hoeveelheid, waarbij
Wet van de Vraag (Law of
alle andere factoren die de vraag beïnvloeden constant worden
Demand)
gehouden.
Een curve die de hoeveelheid van een goed weergeeft die
Vraagcurve consumenten bereid zijn te kopen tegen verschillende prijzen. De
curve heeft doorgaans een dalend verloop.
Een curve die de totale hoeveelheid van een goed weergeeft die
Aanbodcurve producenten bereid zijn te verkopen tegen verschillende prijzen.
De curve heeft doorgaans een stijgend verloop.
Een punt waar de gevraagde hoeveelheid gelijk is aan de
Marktevenwicht (Market
aangeboden hoeveelheid. Op dit punt is er geen neiging voor de
Equilibrium)
marktprijs om te veranderen.
Een situatie waarin de aangeboden hoeveelheid tegen een
Excess Supply
bepaalde prijs groter is dan de gevraagde hoeveelheid. Dit creëert
(Aanbodoverschot)
neerwaartse druk op de prijs.
Een situatie waarin de gevraagde hoeveelheid tegen een
Excess Demand
bepaalde prijs groter is dan de aangeboden hoeveelheid. Dit
(Vraagoverschot)
creëert opwaartse druk op de prijs.
Een maatstaf voor de gevoeligheid van de gevraagde hoeveelheid
Prijselasticiteit van de
voor de prijs. Het is de procentuele verandering in de gevraagde
Vraag
hoeveelheid als gevolg van een 1% verandering in de prijs.
Een vraagcurve van de vorm Q = a - bP, waarbij a en b positieve
Lineaire Vraagcurve
constanten zijn.
De prijselasticiteit van de vraag is min oneindig. De vraagcurve is
Perfect Elastische Vraag
een horizontale lijn.
De prijselasticiteit van de vraag is nul. De vraagcurve is een
Perfect Inelastische Vraag
verticale lijn.
,Inkomenselasticiteit van De verhouding van de procentuele verandering van de gevraagde
de Vraag hoeveelheid tot de procentuele verandering van het inkomen.
Kruislingse De verhouding van de procentuele verandering van de gevraagde
Prijselasticiteit van de hoeveelheid van een goed tot de procentuele verandering van de
Vraag prijs van een ander goed.
Theoretische Diepgang
De Logica van Marktevenwicht
Het concept van marktevenwicht is centraal in de micro-economie. Het ontstaat op het
snijpunt van de vraag- en aanbodcurves.
1. Stel dat de prijs hoger is dan de evenwichtsprijs (P > P*): Producenten zijn bereid
meer te verkopen (Qs) dan consumenten willen kopen (Qd). Dit leidt tot een
aanbodoverschot (Qs > Qd). Producenten met onverkochte voorraden zullen hun
prijzen verlagen om kopers aan te trekken. Deze prijsdaling stimuleert de vraag en
vermindert het aanbod, waardoor de markt terugkeert naar het evenwicht.
2. Stel dat de prijs lager is dan de evenwichtsprijs (P < P*): Consumenten willen meer
kopen (Qd) dan producenten bereid zijn te verkopen (Qs). Dit leidt tot een
vraagoverschot (Qd > Qs). Kopers zullen tegen elkaar opbieden om het schaarse goed
te bemachtigen, wat de prijs opdrijft. Deze prijsstijging vermindert de vraag en
stimuleert het aanbod, waardoor de markt terugkeert naar het evenwicht.
Het evenwichtspunt E is dus een stabiel punt zolang de onderliggende vraag- en
aanbodcondities (exogene variabelen zoals inkomen, technologie, etc.) niet veranderen.
De Betekenis van Elasticiteit
Elasticiteit is een cruciaal concept omdat het ons in staat stelt de grootte van reacties op
veranderingen te kwantificeren.
Elastische Vraag (εQ,P < -1): De gevraagde hoeveelheid verandert procentueel meer
dan de prijs. Een prijsverhoging leidt tot een daling van de totale omzet (P * Q). Dit is
typisch voor luxegoederen of goederen met veel substituten.
Inelastische Vraag (-1 < εQ,P < 0): De gevraagde hoeveelheid verandert procentueel
minder dan de prijs. Een prijsverhoging leidt tot een stijging van de totale omzet. Dit
is typisch voor noodzakelijke goederen (bijv. benzine, medicijnen) of goederen met
weinig substituten.
Unitair Elastische Vraag (εQ,P = -1): De gevraagde hoeveelheid verandert
procentueel evenveel als de prijs. Een prijsverandering heeft geen effect op de totale
omzet.
Wiskunde & Formules
,Formule Omschrijving
Qd = a - bP Algemene vorm van een lineaire vraagcurve.
Qs = c + dP Algemene vorm van een lineaire aanbodcurve.
Prijselasticiteit van de Vraag εQ,P = (% verandering in Q) / (% verandering in P) = (ΔQ/Q) /
(εQ,P) (ΔP/P) = (ΔQ/ΔP) * (P/Q)
Elasticiteit voor een lineaire
Voor Q = a - bP, is ΔQ/ΔP = -b. Dus, εQ,P = -b * (P/Q).
vraagcurve
εQ,I = (% verandering in Q) / (% verandering in I) = (ΔQ/Q) /
Inkomenselasticiteit (εQ,I)
(ΔI/I) = (ΔQ/ΔI) * (I/Q)
Kruislingse Prijselasticiteit εQ_i,P_j = (% verandering in Qi) / (% verandering in Pj) =
(εQ_i,P_j) (ΔQi/Qi) / (ΔPj/Pj)
Stappenplannen voor Oefeningen
Hoe bereken je het marktevenwicht?
Stap 1: Identificeer de vraagfunctie (Qd) en de aanbodfunctie (Qs).
o Voorbeeld: Qd = 600 - 50P en Qs = -150 + 100P.
Stap 2: Stel de vraag gelijk aan het aanbod (Qd = Qs). Dit is de evenwichtsvoorwaarde.
o Voorbeeld: 600 - 50P = -150 + 100P.
Stap 3: Los de vergelijking op voor de evenwichtsprijs (P*).
o Voorbeeld: 750 = 150P → P* = 5.
Stap 4: Vul de evenwichtsprijs P* in in de vraag- of aanbodfunctie om de
evenwichtshoeveelheid (Q*) te vinden.
o Voorbeeld: Q* = 600 - 50(5) = 350. Het evenwicht is P*=5, Q*=350.
Hoe bepaal je de prijselasticiteit van de vraag in een specifiek punt?
Stap 1: Bepaal de vraagfunctie, de prijs P en de bijbehorende hoeveelheid Q.
Stap 2: Bereken de afgeleide van de vraagfunctie naar de prijs (ΔQ/ΔP of dQ/dP).
Voor een lineaire curve Q = a - bP is dit -b.
Stap 3: Pas de formule εQ,P = (ΔQ/ΔP) * (P/Q) toe.
o Voorbeeld: Vraagcurve Qd = 300 - 50P. Bereken de elasticiteit bij P=4.
o Bij P=4 is Q = 300 - 50(4) = 100.
o ΔQ/ΔP = -50.
, o εQ,P = -50 * (4/100) = -2. De vraag is elastisch op dit punt.
Praktijkvoorbeelden & Artikelen
De markt voor rozen: De prijs en hoeveelheid van rozen zijn in februari (rond
Valentijnsdag) veel hoger dan in augustus. Dit wordt verklaard door een grote
verschuiving van de vraagcurve naar rechts in februari, wat leidt tot een nieuw, hoger
evenwichtspunt voor zowel prijs als hoeveelheid.
De Amerikaanse maïsmarkt (2006-2008): De prijs van maïs verdubbelde van $3 naar
$6 per bushel. Dit was het gevolg van een gecombineerd effect: de vraagcurve
verschoof naar rechts (door o.a. de vraag naar ethanol) en de aanbodcurve verschoof
naar links. Beide factoren dreven de evenwichtsprijs omhoog.
De Californische energiecrisis (1999-2001): De groothandelsprijs voor elektriciteit
steeg enorm. Dit kwam door een linkse verschuiving van het aanbod (minder
waterkracht, hogere aardgasprijzen) en een rechtse verschuiving van de vraag. Omdat
zowel de vraag als het aanbod voor elektriciteit zeer inelastisch zijn, resulteerden
deze verschuivingen in een extreem grote prijsstijging. Dit illustreert dat de impact
van een aanbod- of vraagverschuiving op de prijs veel groter is wanneer de curves
inelastisch (steil) zijn.
,Les 2: Consumentengedrag en Nutsmaximalisatie
Deze les duikt in de theorie van consumentenkeuze. We modelleren de voorkeuren van
consumenten met behulp van nutsfuncties en indifferentiecurven en combineren dit met de
budgetbeperking om de optimale keuze van een consument te bepalen.
Kernconcepten
Concept Definitie
Een numerieke waarde die de mate van bevrediging aangeeft die een
Nut (Utility)
consument ontleent aan een bepaalde goederenmand.
Marginaal Nut De extra nut die een consument verkrijgt door één extra eenheid van
(Marginal Utility, MU) een goed te consumeren. Het is de helling van de totale nutsfunctie.
Wet van Afnemend Het principe dat naarmate de consumptie van een goed toeneemt,
Marginaal Nut de extra bevrediging van elke extra eenheid afneemt.
Een curve die alle combinaties van goederen (mandjes) weergeeft
Indifferentiecurve
die een consument hetzelfde niveau van nut verschaffen.
De mate waarin een consument bereid is het ene goed op te geven
Marginale
voor een extra eenheid van het andere goed, terwijl het nut constant
Substitutievoet (MRS)
blijft. Het is de negatieve helling van de indifferentiecurve.
Een lijn die alle combinaties van goederen weergeeft die een
Budgetlijn
consument kan kopen met zijn of haar volledige inkomen.
De goederenmand die het nut van de consument maximaliseert,
Optimale Keuze gegeven de budgetbeperking. Dit punt bevindt zich waar de
indifferentiecurve de budgetlijn raakt.
De verandering in de geconsumeerde hoeveelheid van een goed als
Inkomenseffect gevolg van een verandering in de koopkracht (reëel inkomen) van de
consument.
De verandering in de geconsumeerde hoeveelheid van een goed als
Substitutie-effect gevolg van een verandering in de relatieve prijzen van goederen, bij
een constant nutsniveau.
Normaal Goed Een goed waarvan de consument meer koopt als zijn inkomen stijgt.
Een goed waarvan de consument minder koopt als zijn inkomen
Inferieur Goed
stijgt.
Theoretische Diepgang
, De Logica van Nutsmaximalisatie
Een rationele consument streeft ernaar de goederenmand te kiezen die de hoogste
bevrediging (nut) oplevert, binnen de grenzen van zijn budget.
1. De Budgetbeperking: De budgetlijn toont wat mogelijk is. De helling van de
budgetlijn, -Px/Py, vertegenwoordigt de objectieve ruilvoet op de markt: hoeveel van
goed y je moet opgeven om één extra eenheid van goed x te kunnen kopen.
2. De Voorkeuren: De indifferentiecurven tonen wat de consument wil. De helling van
de indifferentiecurve, de MRSx,y, vertegenwoordigt de subjectieve ruilvoet van de
consument: hoeveel van goed y hij bereid is op te geven voor één extra eenheid van
goed x.
3. Het Optimum: De optimale keuze is waar de hoogst bereikbare indifferentiecurve de
budgetlijn raakt (tangentie). Op dit punt zijn de hellingen gelijk: MRSx,y = Px/Py.
De intuïtie hierachter is dat als MRSx,y > Px/Py, de consument meer waarde hecht aan een
extra eenheid x dan de markt. Hij kan zijn nut verhogen door meer x te kopen en minder y.
Dit proces gaat door totdat de marginale substitutievoet daalt en gelijk wordt aan de
prijsverhouding. Op dat punt is er geen verdere verbetering mogelijk. Dit kan ook worden
uitgedrukt als de marginale nut per uitgegeven euro die voor elk goed gelijk moet zijn:
MUx/Px = MUy/Py.
Inkomens- en Substitutie-effecten
Wanneer de prijs van een goed daalt, zijn er twee effecten:
1. Substitutie-effect: Het goed wordt relatief goedkoper. Consumenten zullen geneigd
zijn meer van dit goed te kopen en minder van andere, nu relatief duurdere
goederen. Dit effect is altijd negatief: een prijsdaling leidt tot een hogere vraag (en
vice versa).
2. Inkomenseffect: De koopkracht van de consument neemt toe. Hij kan met hetzelfde
inkomen meer kopen.
o Voor normale goederen leidt een hogere koopkracht tot meer consumptie.
Het inkomenseffect versterkt het substitutie-effect.
o Voor inferieure goederen leidt een hogere koopkracht tot minder
consumptie. Het inkomenseffect werkt het substitutie-effect tegen.