Inhoud
1 INLEIDING: START EVOLUTIE IN DE BENADERING VAN ‘MILIEUPROBLEMEN’ ........ 6
1.1 Compartimenteel begrippenkader (jaren’70) ................................................ 6
1.1.1 Compartimenteel kader: sterktes en zwaktes ........................................ 6
1.2 Hoofdtypes ingrepen/effecten als begrippenkader, begin jaren ‘80 ................. 7
1.3 Thematisch/ procesmatig begrippenkader (half jaren ’80).............................. 7
1.3.1 Voordelen en nadelen van procesmatige begrippenkader ....................... 8
1.4 Geïntegreerd perspectief, 21ste eeuw .......................................................... 9
1.4.1 Overgang naar omgevingsbeleid ........................................................... 9
1.5 Besluit ..................................................................................................... 10
2 MILIEUPROBLEMEN ALS ‘MENS-MILIEU’PROBLEMEN........................................ 11
2.1 Wisselwerking mens-milieu....................................................................... 11
2.1.1 Milieu = fysieke systeem ..................................................................... 12
2.1.2 Mens = sociale systeem, samenleving ................................................. 12
2.1.3 Betekenissen en functies die we geven aan het milieu .......................... 13
3 MENSELIJKE INGREPEN KUNNEN LEIDEN TOT MILIEUPROBLEMEN .................... 14
3.1 Milieuprobleem- of Milieuverstoringsketen Driving forces (D) ....................... 14
3.1.1 Driving forces (D) ............................................................................... 14
3.1.2 Pressure (P) ....................................................................................... 15
3.1.3 State (S) ............................................................................................ 15
3.1.4 Impact (I) .......................................................................................... 15
3.1.5 Response (R) ..................................................................................... 16
3.1.6 Voorbeeld ......................................................................................... 17
3.2 Voorbeeld (toegepaste) examenvraag: ....................................................... 17
4 DISCURSIEVE EVOLUTIE VAN HET MILIEUBELEID .............................................. 19
4.1 Wat is een (milieu)discours ? ..................................................................... 19
4.1.1 Discursieve evolutie van het milieubeleid: blik op 50 jaar verandering .... 20
4.1.2 Framing ............................................................................................ 22
4.1.3 Discours vs. Beleid ............................................................................ 22
4.2 De drie grote milieudiscours ...................................................................... 25
1
, 4.2.1 Grenzen aan de groei ......................................................................... 25
4.2.2 Ecomodernisme ................................................................................ 26
4.2.3 Duurzame ontwikkeling ...................................................................... 29
5 MILIEUBEGINSELEN VAN HET VLAAMSE MILIEUBELEID ..................................... 32
5.1 Ethische/politieke principes ...................................................................... 32
5.1.1 Voorkeur brongerichte maatregelen en preventief handelen ................. 32
5.1.2 De vervuiler betaalt ............................................................................ 33
5.1.3 (Extern) integratiebeginsel .................................................................. 34
5.1.4 Stand-still beginsel ............................................................................ 34
5.1.5 Hoog beschermingsniveau met oog voor socio-economische impact.... 35
5.1.6 Voorzorgsbeginsel ............................................................................. 36
6 MILIEUVRAAGSTUKKEN ALS POLITIEKE VRAAGSTUKKEN ................................... 38
6.1 Metafoor ‘Tragedy of the Commons’ ........................................................... 38
6.1.1 Vier types van goederen ..................................................................... 38
6.1.2 Milieuproblemen en niet-uitsluitbare goederen .................................... 39
6.1.3 De metafoor ‘Tragedy of the Commons’ .............................................. 39
6.1.4 Welke goederen lenen zich makkelijkst voor common pool beheer? ...... 43
6.1.5 Milieuproblemen: politieke dilemma’s en trade-offs ............................. 44
6.2 De spanning tussen eigen en collectief belang ............................................ 45
6.2.1 Prisoner's dilemma (Common’s dilemma) ........................................... 45
6.2.2 Vertrouwensdilemma (Trust dilemma – Assurance game) ..................... 47
6.2.3 Chicken dilemma (de lafaard – free riders) ........................................... 47
6.2.4 Vrijwilligersdilemma (volunteer’s time dilemma) .................................. 48
6.3 Het vraagstuk van de instrumentering ........................................................ 48
6.3.1 Hoe dilemma’s oplossen? .................................................................. 49
6.3.2 Directe regulering (direct provision) ..................................................... 50
6.3.3 Indirecte regulering ............................................................................ 50
6.3.4 Policy mixes ...................................................................................... 52
6.3.5 Voorbeeld (toegepaste) examenvraag.................................................. 54
7 DOMINANTE PERSPECTIEVEN OP (MILIEU)BELEID ............................................ 56
7.1 Drie dominante perspectieven voor de analyse van milieubeleid .................. 56
7.2 Doelrationeel perspectief op beleid ........................................................... 56
2
, 7.2.1 Kenmerken van het doelrationeel perspectief ...................................... 56
7.2.2 Veronderstellingen binnen dit perspectief ........................................... 57
7.2.3 Evaluatiecriteria ................................................................................ 57
7.2.4 De beleidscyclus van het doelrationeel perspectief!!!........................... 58
7.2.5 TYPES VAN BELEIDSEVALUATIE .......................................................... 64
7.2.6 Evaluatiecategorieën: Outputs, Outcomes en Impacts ......................... 66
7.2.7 Effectiviteit van het beleid .................................................................. 68
7.2.8 Kritieken op doelrationeel perspectief ................................................. 71
7.3 Interactieperspectief op milieubeleid ......................................................... 72
7.3.1 Afzetten tegen het doelrationele perspectief ........................................ 72
7.3.2 Veronderstellingen achter het interactieperspectief ............................. 72
7.3.3 Hoe verloopt beleid in dit perspectief? ................................................ 73
7.3.4 Beleidsnetwerk-analyse ..................................................................... 75
7.3.5 Sterktes en zwaktes van het interactieperspectief ................................ 76
7.4 Het institutioneel perspectief op milieubeleid ............................................ 77
7.4.1 Padafhankelijkheid: keuzes uit het verleden bepalen de toekomst ......... 78
7.4.2 De rol van discoursen ........................................................................ 79
7.4.3 Beleidsarrangementen: analyse vanuit institutioneel perspectief .......... 79
7.4.4 Sterktes en zwaktes van het institutioneel perspectief .......................... 80
7.5 Analyse: Welk beleidsperspectief is ‘het beste’? ......................................... 81
7.5.1 Een normatieve vraag zonder eenduidig antwoord ................................ 81
8 MBE DOORHEEN DE 3 PERSPECTIEVEN OP MILIEUBELEID ................................ 83
8.1 Basiscriteria doorheen de 3 perspectieven ................................................. 83
8.1.1 Doelrationeel perspectief ................................................................... 83
8.1.2 Interactie-perspectief ........................................................................ 83
8.1.3 Institutioneel perspectief ................................................................... 84
8.1.4 Voorbeelden van milieubeleid ............................................................ 85
8.2 Uitdagingen voor milieubeleid ................................................................... 86
9 MILIEUBELEIDSPLANNING............................................................................... 88
9.1 Groei, bloei en evolutie van strategische milieubeleidsplanning ................... 88
9.1.1 Het doelrationeel perspectief ............................................................. 88
9.1.2 Evolutie van milieubeleidsplanning ..................................................... 88
3
, 9.1.3 Voorbeelden van milieubeleidsplannen............................................... 89
9.2 Typologie van plannen .............................................................................. 90
9.2.1 Soorten plannen ................................................................................ 90
9.2.2 Verschil tussen federaal en Vlaams plan ............................................. 91
9.3 Ideale inhoud van een (milieu)beleidsplan? ................................................ 92
9.3.1 Probleemschets en milieutoestand..................................................... 92
9.3.2 Doelstellingenbepaling ...................................................................... 93
9.3.3 Instrumentering, organisatie en programmering ................................... 93
9.4 Functies van een milieubeleidsplan ........................................................... 94
9.5 Sterktes van het instrument MBP ............................................................... 95
9.6 Beperkingen van het instrument MBP ......................................................... 96
9.6.1 Hardnekkige milieuproblemen ............................................................ 96
9.6.2 Grenzen van incrementele aanpak ...................................................... 96
9.6.3 Nood aan systeemverandering ........................................................... 96
10 TRANSITIEGOVERNANCE ............................................................................. 97
10.1 Uitgangspunt............................................................................................ 97
10.1.1 Wat verstaan we onder een systeem? .................................................. 97
10.2 Transitie ................................................................................................... 98
10.2.1 Transitiegovernance ........................................................................... 98
10.2.2 Transitiemanagement ........................................................................ 99
10.2.3 Multilevelperspectief ........................................................................100
10.2.4 Sterktes en zwaktes van het transitiemodel ........................................102
11 JUST TRANSITION........................................................................................104
11.1 Inleiding ..................................................................................................104
11.1.1 Types van rechtvaardigheid ...............................................................105
11.1.2 Regressiviteit ....................................................................................105
11.2 Ongelijkheid in verantwoordelijkheid voor klimaatprobleem .......................106
11.2.1 Geografische ongelijkheid: cumulatieve emissies ...............................106
11.2.2 Temporele/intergenerationele ongelijkheid .........................................107
11.2.3 Individuele ongelijkheid ....................................................................108
11.3 Ongelijkheid in de impact van klimaatverandering ......................................109
11.3.1 Geografische ongelijkheid .................................................................109
4