Angst- en eetstoornissen
Inleiding
angst en depressie gaan hand in hand, beiden zijn zeer prevalent. Angstklachten komen heel vaak voor.
Begrip Angst
Normale reactie op angstopwekkende prikkel gekenmerkt door specifieke gedachten, gedragingen en lichamelijke symtomen.
Pathologische angst (angststoornis) :
Ongewone intense en/of langdurige angst die buiten proporties is
Angst zonder angstopwekkende prikkel
Angststoornissen zijn meest frequent voorkomende psychiatrische aandoeningen.
Cerebraal angstcircuit
Autonome reacties (Locus coeruleus, amygdala)
⇒ Snellere ademhaling en hartslag
Motorische reacties (basale ganglia, motorische cortex)
⇒ Fight, flight, freezing
Emotionele responsen (Amygdala)
⇒ Angst en bedreiging
Geheugen (Hippocampus)
⇒ Eerdere ervaringen zullen mede bepalen hoe de situatie wordt ingeschat
Generieke behandeling
Behandeling - algemeen
Cognitieve gedragstherapie
→ Angsthiërarchie, angstthermometer
→ Exposure (habituatie/extinctie)
Medicamenteuze behandeling
→ Anxiolytica: beperkte indicatie
→ SSRI’s
Beschrijving specifieke angststoornissen
1. Specifieke fobie
Kenmerken
Een aanhoudende en irrationele angst voor een bepaald object of voor een bepaalde situatie.
Blootstelling aan de fobische prikkel veroorzaakt bijna zonder uitzondering een onmiddellijke angstreactie, die de vorm kan
krijgen van een situatie-gebonden paniekaanval
De fobische situatie wordt vermeden of anders doorstaan met intense angst of lijden.
De persoon erkent dat zijn angst feitelijk ongegrond is.
Duurt meestal 6 maanden of langer.
De angst of het vermijdingsgedrag is zo ernstig dat het interfereert met de dagelijkse bezigheden of sociale relaties. De
betrokkenen lijdt ernstig onder de angst. De angst en vermijding kunnen niet beter verklaard worden door een andere
angststoornis.
Typen
1. Diertype
Begint op de kinderleeftijd
2. Natuurtype
Storm, hoogtes of water
Begint op de kinderleeftijd
3. Bloed-injectie-verwonding type
Bloed, wonden, medische ingrepen
Sterke familiale belasting
Vasovagale reactie; bloeddrukval, kan leiden tot flauwvallen
Angst- en eetstoornissen 1
, 4. Situationeel type
Openbaar vervoer, tunnels, bruggen, liften, vliegen, autorijden of afgesloten ruimten
1ste piek : kinderleeftijd, 2de piek : 25ste levensjaar.
5. Overig type
Situaties die zouden kunnen leiden tot benauwdheid, overgeven of een ziekte oplopen
Etiopathogenese en behandeling
Etiopathogenese:
Biologisch model : weinig argumenten
Psychologisch model : Leertheoretisch :
Klassieke conditionering : aanleren van de angst
Operante conditionering : aanleren van het vermijdingsgedrag
Behandeling:
Exposuretechnieken (gedragstherapie)
In vivo
In vitro (imaginair)
In virtual reality
geen plaats voor medicatie
2. Paniekstoornis
Kenmerken
algemeen:
Recidiverende onverwachte paniekaanvallen
Ten minste één van de aanvallen werd gevolgd door ten minste één maand waarin betrokkene:
Zicht voortdurend zorgen maakte over nieuwe aanvallen.
Piekerde over de gevolgen van een nieuwe aanval.
T.g.v. de aanval een belangrijke gedragsverandering vertoonde.
Kenmerken zelf:
Een begrensde periode van intense angst of gevoel van onbehagen, waarbij vier (of meer) van de volgende symptomen plotseling
ontstaan, die binnen tien minuten een maximum bereiken:
1. Hartkloppingen, bonzend hart of versnelde hartactie
2. Transpireren
3. Trillen of beven
4. Gevoel van ademnood of verstikking
5. Naar adem snakken (ook wel hyperventilatie)
6. Pijn of onaangenaam gevoel op de borst
7. Misselijkheid of buikklachten
8. Gevoel van duizeligheid, onvastheid, licht in het hoofd of flauwte
9. Derealisatie (gevoel van onwerkelijkheid) of depersonalisatie (gevoel los van zichzelf te staan) ⇒ komen vaak voor, ook bij
andere
10. Angst de zelfbeheersing te verliezen of gek te worden
11. Angst dood te gaan
12. Paresthesieën (verdoofde of tintelende gevoelens)
13. Opvliegers of koude rillingen
Paniekaanvallen komen niet enkel voor bij paniekstoornissen!
3. Agorafobie
Wat is het? - pleinvrees
Duidelijke angst of vrees voor twee (of meer) van de volgende vijf situaties :
Gebruikmaken van (openbaar) vervoer (zoals auto, bus, trein, schip, vliegtuig)
Zich in een open ruimte bevinden (zoals parkeerplaatsen, marktpleinen)
Zich in een afgesloten ruimte bevinden (zoals winkels, theaters, bioscopen)
In de rij staan of zich in een menigte bevinden
Alleen buitenshuis zijn
Angst- en eetstoornissen 2
, De betrokkene vreest of vermijdt deze situtaties vanwege de gedachte dat ontsnappen moeilijk zal zijn of hulp niet beschikbaar
wanneer zich panieksymptomen of andere machteloos makende of genante symptomen zouden ontwikkelen.
De situaties worden vermeden (bv. reizen is beperkt) of worden alleen doorstaan met duidelijk lijden of de angst een paniekaanval of
paniekachtige symptomen te krijgen, of de aanwezigheid van een begeleider is noodzakelijk.
De angst en vermijding kunnen niet beter verklaard worden door een andere angststoornis.
Etiopathogenese Paniekstoornis en agorafobie
Biologisch model :
Genetische factoren
h2: 0,4
Gedragsinhibitie en angstgevoeligheid
Hyperreactief NA systeem
Dysfunctie 5-HT, GABA
Psychologisch model: impact is groter
Cognitieve model :
Catastrofale interpretaties, bv bij een paniekaanval kan men denken dat die zal sterven waardoor de angst versterkt wordt.
Vroege traumatische ervaringen spelen mee
Behandeling Paniekstoornis en agorafobie
Cognitieve gedragstherapie
Graduele exposure in vivo, gradueel opgebouwd
Medicamenteuze ondersteuning
Anxiolytica (angstreducerende medicijnen, maar zorgen heel snel voor afhankelijkheid)
Antidepressiva
Combinatie
4. Sociale fobie
Kenmerken
Een duidelijke en aanhoudende angst voor één of meer situaties waar men sociaal moet functioneren of iets moet presteren en
waarbij men blootgesteld wordt aan onbekenden of een mogelijk kritische beoordeling door anderen. De betrokkene is bang dat
hij/zij zich op een manier zal gedragen (of angstverschijnselen zal tonen) die vernederend of beschamend zijn.
Blootstelling aan de gevreesde sociale situatie leidt tot een onmiddellijke angstreactie; dit kan dan de vorm aannemen van een
paniekaanval.
Etiopathogenese
Biologisch model :
Genetische factoren
Psychologisch model :
Irrationele ideeën en verwachtingen
Klassieke conditionering (trauma)
Sociaal cognitieve leertheorie (modelling)
Behandeling
Medicamenteuze ondersteuning
Antidepressiva (SSRI’s)
Cognitieve therapie
Gedragstherapie
Exposure in vivo
Assertiviteitstraining
Sociale vaardigheidstraining
5. Obsessieve-compulsieve stoornis (OCS)
Kenmerken algemeen
De patiënt beschouwt de dwangverschijnselen op een bepaald moment als onzinning of excessief.
De klachten veroorzaken veel spanning. Ze kosten de patiënt meer dan een uur per dag, of verstoren in ernstige mate het
dagelijks functioneren.
Angst- en spanningsgegevende dwanggedachte, die wordt gevolgd door een angst- en spanningsreducerende dwanghandeling.
Themata :
Angst- en eetstoornissen 3
, Angst voor besmetting en wasdwang
Angst voor gevaarlijke gebeurtenis en controledwang
Symmetrie-obsessies, tellen, ordenen en verzamelen
Etiopathogenese
Biologisch model :
Executief disfunctioneren
Prefrontale cortex, nucleus caudatus, thalamus, striatum
Psychologisch model :
Onrealistische gedachten
Operante conditionering
Behandeling
Medicamenteuze ondersteuning
Antidepressiva (SSRI’s, TCAD)
Cognitieve therapie (dwanggedachten)
Negatieve gedachten behandelen
Gedragstherapie (dwanghandelingen)
Exposure in vivo (angstreductie)
Responspreventie (vermindering rituelen)
6. Gegeneraliseerde angststoornis (GAS)
Kenmerken
⇒ vooral piekeren over kleine zaken.
Buitensporige angst en bezorgdheid (piekeren), gedurende zes maanden vaker wel dan niet voorkomend, over een aantal
gebeurtenissen of activiteiten (zoals werk of schoolprestaties).
Betrokkene vindt het moeilijk de bezorgheid in de hand te houden.
De angst en bezorgheid gaan samen met drie (of meer) van de volgende zes symptomen (waarvan ten minste enkele symptomen in
de laatste zes maanden vaker wel dan niet aanwezig)
1. Rusteloosheid, opgewonden of geïrriteerd zijn
2. Snel vermoeid zijn
3. Zich moelijk kunnen concentreren of zich niets herinneren
4. Prikkelbaarheid
5. Spierspanning
6. Slaapstoornis (moeilijkheden in slaap te vallen of door te slapen, of rusteloze, niet verkwikkende slaap).
Behandeling
Cognitieve gedragstherapie : vaak in combinatie met dysthemie of depressie dus combinerend met medicatie
Cognitieve technieken
Veranderen disfunctionele cognities
Veranderen blootstelling aan piekeren
Exposure in vivo
Relaxatie
Medicamenteuze ondersteuning :
Anxiolytica
Antidepressiva
7. Posttraumatische stressstoornis (PTSS)
Kenmerken
De betrokkene is blootgesteld aan een traumatische ervaring waarbij beide van de volgende van toepassing zijn :
1. Betrokkene heeft ondervonden, is getuige geweest van of werd geconfronteerd met één of meer gebeurtenissen die een feitelijke
of dreigende dood of een ernstige verwonding vormde voor de fysieke integriteit van betrokkene of voor anderen
2. Tot de reacties van betrokkene behoorde intense angst, hulpeloosheid of afschuw.
De traumatische gebeurtenis wordt voortdurend herbeleefd op één (of meer) van de volgende manieren :
1. Recidiverende en zich opdringende onaangename herinneringen aan de gebeurtenis, met inbegrip van voorstellingen,
gedachten of waarnemingen.
2. Recidiverend akelig dromen over de gebeurtenis.
Angst- en eetstoornissen 4
Inleiding
angst en depressie gaan hand in hand, beiden zijn zeer prevalent. Angstklachten komen heel vaak voor.
Begrip Angst
Normale reactie op angstopwekkende prikkel gekenmerkt door specifieke gedachten, gedragingen en lichamelijke symtomen.
Pathologische angst (angststoornis) :
Ongewone intense en/of langdurige angst die buiten proporties is
Angst zonder angstopwekkende prikkel
Angststoornissen zijn meest frequent voorkomende psychiatrische aandoeningen.
Cerebraal angstcircuit
Autonome reacties (Locus coeruleus, amygdala)
⇒ Snellere ademhaling en hartslag
Motorische reacties (basale ganglia, motorische cortex)
⇒ Fight, flight, freezing
Emotionele responsen (Amygdala)
⇒ Angst en bedreiging
Geheugen (Hippocampus)
⇒ Eerdere ervaringen zullen mede bepalen hoe de situatie wordt ingeschat
Generieke behandeling
Behandeling - algemeen
Cognitieve gedragstherapie
→ Angsthiërarchie, angstthermometer
→ Exposure (habituatie/extinctie)
Medicamenteuze behandeling
→ Anxiolytica: beperkte indicatie
→ SSRI’s
Beschrijving specifieke angststoornissen
1. Specifieke fobie
Kenmerken
Een aanhoudende en irrationele angst voor een bepaald object of voor een bepaalde situatie.
Blootstelling aan de fobische prikkel veroorzaakt bijna zonder uitzondering een onmiddellijke angstreactie, die de vorm kan
krijgen van een situatie-gebonden paniekaanval
De fobische situatie wordt vermeden of anders doorstaan met intense angst of lijden.
De persoon erkent dat zijn angst feitelijk ongegrond is.
Duurt meestal 6 maanden of langer.
De angst of het vermijdingsgedrag is zo ernstig dat het interfereert met de dagelijkse bezigheden of sociale relaties. De
betrokkenen lijdt ernstig onder de angst. De angst en vermijding kunnen niet beter verklaard worden door een andere
angststoornis.
Typen
1. Diertype
Begint op de kinderleeftijd
2. Natuurtype
Storm, hoogtes of water
Begint op de kinderleeftijd
3. Bloed-injectie-verwonding type
Bloed, wonden, medische ingrepen
Sterke familiale belasting
Vasovagale reactie; bloeddrukval, kan leiden tot flauwvallen
Angst- en eetstoornissen 1
, 4. Situationeel type
Openbaar vervoer, tunnels, bruggen, liften, vliegen, autorijden of afgesloten ruimten
1ste piek : kinderleeftijd, 2de piek : 25ste levensjaar.
5. Overig type
Situaties die zouden kunnen leiden tot benauwdheid, overgeven of een ziekte oplopen
Etiopathogenese en behandeling
Etiopathogenese:
Biologisch model : weinig argumenten
Psychologisch model : Leertheoretisch :
Klassieke conditionering : aanleren van de angst
Operante conditionering : aanleren van het vermijdingsgedrag
Behandeling:
Exposuretechnieken (gedragstherapie)
In vivo
In vitro (imaginair)
In virtual reality
geen plaats voor medicatie
2. Paniekstoornis
Kenmerken
algemeen:
Recidiverende onverwachte paniekaanvallen
Ten minste één van de aanvallen werd gevolgd door ten minste één maand waarin betrokkene:
Zicht voortdurend zorgen maakte over nieuwe aanvallen.
Piekerde over de gevolgen van een nieuwe aanval.
T.g.v. de aanval een belangrijke gedragsverandering vertoonde.
Kenmerken zelf:
Een begrensde periode van intense angst of gevoel van onbehagen, waarbij vier (of meer) van de volgende symptomen plotseling
ontstaan, die binnen tien minuten een maximum bereiken:
1. Hartkloppingen, bonzend hart of versnelde hartactie
2. Transpireren
3. Trillen of beven
4. Gevoel van ademnood of verstikking
5. Naar adem snakken (ook wel hyperventilatie)
6. Pijn of onaangenaam gevoel op de borst
7. Misselijkheid of buikklachten
8. Gevoel van duizeligheid, onvastheid, licht in het hoofd of flauwte
9. Derealisatie (gevoel van onwerkelijkheid) of depersonalisatie (gevoel los van zichzelf te staan) ⇒ komen vaak voor, ook bij
andere
10. Angst de zelfbeheersing te verliezen of gek te worden
11. Angst dood te gaan
12. Paresthesieën (verdoofde of tintelende gevoelens)
13. Opvliegers of koude rillingen
Paniekaanvallen komen niet enkel voor bij paniekstoornissen!
3. Agorafobie
Wat is het? - pleinvrees
Duidelijke angst of vrees voor twee (of meer) van de volgende vijf situaties :
Gebruikmaken van (openbaar) vervoer (zoals auto, bus, trein, schip, vliegtuig)
Zich in een open ruimte bevinden (zoals parkeerplaatsen, marktpleinen)
Zich in een afgesloten ruimte bevinden (zoals winkels, theaters, bioscopen)
In de rij staan of zich in een menigte bevinden
Alleen buitenshuis zijn
Angst- en eetstoornissen 2
, De betrokkene vreest of vermijdt deze situtaties vanwege de gedachte dat ontsnappen moeilijk zal zijn of hulp niet beschikbaar
wanneer zich panieksymptomen of andere machteloos makende of genante symptomen zouden ontwikkelen.
De situaties worden vermeden (bv. reizen is beperkt) of worden alleen doorstaan met duidelijk lijden of de angst een paniekaanval of
paniekachtige symptomen te krijgen, of de aanwezigheid van een begeleider is noodzakelijk.
De angst en vermijding kunnen niet beter verklaard worden door een andere angststoornis.
Etiopathogenese Paniekstoornis en agorafobie
Biologisch model :
Genetische factoren
h2: 0,4
Gedragsinhibitie en angstgevoeligheid
Hyperreactief NA systeem
Dysfunctie 5-HT, GABA
Psychologisch model: impact is groter
Cognitieve model :
Catastrofale interpretaties, bv bij een paniekaanval kan men denken dat die zal sterven waardoor de angst versterkt wordt.
Vroege traumatische ervaringen spelen mee
Behandeling Paniekstoornis en agorafobie
Cognitieve gedragstherapie
Graduele exposure in vivo, gradueel opgebouwd
Medicamenteuze ondersteuning
Anxiolytica (angstreducerende medicijnen, maar zorgen heel snel voor afhankelijkheid)
Antidepressiva
Combinatie
4. Sociale fobie
Kenmerken
Een duidelijke en aanhoudende angst voor één of meer situaties waar men sociaal moet functioneren of iets moet presteren en
waarbij men blootgesteld wordt aan onbekenden of een mogelijk kritische beoordeling door anderen. De betrokkene is bang dat
hij/zij zich op een manier zal gedragen (of angstverschijnselen zal tonen) die vernederend of beschamend zijn.
Blootstelling aan de gevreesde sociale situatie leidt tot een onmiddellijke angstreactie; dit kan dan de vorm aannemen van een
paniekaanval.
Etiopathogenese
Biologisch model :
Genetische factoren
Psychologisch model :
Irrationele ideeën en verwachtingen
Klassieke conditionering (trauma)
Sociaal cognitieve leertheorie (modelling)
Behandeling
Medicamenteuze ondersteuning
Antidepressiva (SSRI’s)
Cognitieve therapie
Gedragstherapie
Exposure in vivo
Assertiviteitstraining
Sociale vaardigheidstraining
5. Obsessieve-compulsieve stoornis (OCS)
Kenmerken algemeen
De patiënt beschouwt de dwangverschijnselen op een bepaald moment als onzinning of excessief.
De klachten veroorzaken veel spanning. Ze kosten de patiënt meer dan een uur per dag, of verstoren in ernstige mate het
dagelijks functioneren.
Angst- en spanningsgegevende dwanggedachte, die wordt gevolgd door een angst- en spanningsreducerende dwanghandeling.
Themata :
Angst- en eetstoornissen 3
, Angst voor besmetting en wasdwang
Angst voor gevaarlijke gebeurtenis en controledwang
Symmetrie-obsessies, tellen, ordenen en verzamelen
Etiopathogenese
Biologisch model :
Executief disfunctioneren
Prefrontale cortex, nucleus caudatus, thalamus, striatum
Psychologisch model :
Onrealistische gedachten
Operante conditionering
Behandeling
Medicamenteuze ondersteuning
Antidepressiva (SSRI’s, TCAD)
Cognitieve therapie (dwanggedachten)
Negatieve gedachten behandelen
Gedragstherapie (dwanghandelingen)
Exposure in vivo (angstreductie)
Responspreventie (vermindering rituelen)
6. Gegeneraliseerde angststoornis (GAS)
Kenmerken
⇒ vooral piekeren over kleine zaken.
Buitensporige angst en bezorgdheid (piekeren), gedurende zes maanden vaker wel dan niet voorkomend, over een aantal
gebeurtenissen of activiteiten (zoals werk of schoolprestaties).
Betrokkene vindt het moeilijk de bezorgheid in de hand te houden.
De angst en bezorgheid gaan samen met drie (of meer) van de volgende zes symptomen (waarvan ten minste enkele symptomen in
de laatste zes maanden vaker wel dan niet aanwezig)
1. Rusteloosheid, opgewonden of geïrriteerd zijn
2. Snel vermoeid zijn
3. Zich moelijk kunnen concentreren of zich niets herinneren
4. Prikkelbaarheid
5. Spierspanning
6. Slaapstoornis (moeilijkheden in slaap te vallen of door te slapen, of rusteloze, niet verkwikkende slaap).
Behandeling
Cognitieve gedragstherapie : vaak in combinatie met dysthemie of depressie dus combinerend met medicatie
Cognitieve technieken
Veranderen disfunctionele cognities
Veranderen blootstelling aan piekeren
Exposure in vivo
Relaxatie
Medicamenteuze ondersteuning :
Anxiolytica
Antidepressiva
7. Posttraumatische stressstoornis (PTSS)
Kenmerken
De betrokkene is blootgesteld aan een traumatische ervaring waarbij beide van de volgende van toepassing zijn :
1. Betrokkene heeft ondervonden, is getuige geweest van of werd geconfronteerd met één of meer gebeurtenissen die een feitelijke
of dreigende dood of een ernstige verwonding vormde voor de fysieke integriteit van betrokkene of voor anderen
2. Tot de reacties van betrokkene behoorde intense angst, hulpeloosheid of afschuw.
De traumatische gebeurtenis wordt voortdurend herbeleefd op één (of meer) van de volgende manieren :
1. Recidiverende en zich opdringende onaangename herinneringen aan de gebeurtenis, met inbegrip van voorstellingen,
gedachten of waarnemingen.
2. Recidiverend akelig dromen over de gebeurtenis.
Angst- en eetstoornissen 4