De zeven dimensies van
levensbeschouwing
Noemen en toelichten aan de hand van een voorbeeld
De 7 dimensies in de levensbeschouwing:
Praktische/rituele/ symbolische dimensie
= rituelen, tradities, meditaties
Ervaringsdimensie
= diepere levensvragen, transcendente, mystiek, religieus, verbondenheid
Verhalen/ mythische dimensie
= over schepping, dood, leven, liefde, …
Dogmatische/filosofische dimensie
= systematische ‘logische’ onderbouw van levensbeschouwing
Ethische dimensie
= geboden/verboden en uitwerking ervan vb abortus/euthanasie in relatie
met jezelf, de andere, de wereld
Sociale en institutionele dimensie
= van Kerk tot lokale groep (parochie)
Materiële dimensie
=plaatsen, gebouwen, objecten
De dimensies hangen onderling samen en vormen soort vlechtwerk
Bv. de gewoonte om de vrijdag in de christelijke traditie enkel vis te eten heeft te
maken met de Bijbelse uitspraak en een verhaal
kan je aangeven waarom deze dimensies een handig hulpmiddel zijn om de
levensbeschouwing van iemand in kaart te brengen?
= Ze brengen de complexiteit van iemands levensbeschouwing
gestructureerd in kaart.
Ze geven een holistisch beeld: meerdere aspecten van een persoon
worden samen bekeken.
Ze houden rekening met diversiteit in levensbeschouwingen.
De dimensies hangen met elkaar samen en beïnvloeden elkaar.
Daardoor wordt zichtbaar hoe overtuigingen keuzes en gedrag
beïnvloeden (bv. morele overtuigingen → sociale relaties).
! Ze helpen bij begrip, communicatie en samenwerking tussen mensen
Wat wordt bedoeld met de uitspraak dat je de dimensies moet zien als een
vlechtwerk.
Voorbeeldvraag 1: vrijdag vis eten
, Praktische / rituele dimensie: Het is een vaste religieuze gewoonte.
Verhalende dimensie: De gewoonte komt voort uit Bijbelse verhalen en
tradities.
Morele dimensie: Het heeft te maken met soberheid, vasten en
bezinning.
Eén gewoonte verbindt meerdere dimensies tegelijk.
Probeer zelf aan te geven wat een fundamenteel verschil is tussen cultuur en
levensbeschouwing
Cultuur Levensbeschouwing
= cultuur is niet alleen kunst maar is = alles word geëxpliceerd (waarom
ruimer dingen zo zijn of zo horen). Meer
Bv. machocultuur, angstcultuur, … verbanden tussen dimensies.
Omvat gedeelde normen, waarden, Over alles te denken
tradities, kunst, taal en gewoonten Bv. waarom iemand een 2de kans
van een groep. geven?
= zingeving (betekenis geven aan het
leven en de mensen)
! cultuursensitief werken Het goddelijke wordt expliciet
Wat doe je met iemand die in genoemd of ontkend.
een geweldcultuur opgroeide? Bv. atheïsme en gelovigen
Binnen levensbeschouwing meer aandacht voor het spirituele
(‘transcendente’ = wat het gewone overstijgt)
In het onderzoek Bridging the Gap worden diverse
levensbeschouwelijke groepen onderscheiden.
1. De actieve hartelijke deelnemer; De muzikant / katholiek, moslim,..:
Geworteld in religieuze traditie
Ik vind mijn geloof belangrijk, kleurt mijn leven, deel groter geheel,
kritische mening, veel leren van geloofstraditie
ga graag in gesprek hierover/ of ben actief in groep van deze
geloofstraditie
2. De Sympathisant / nominaal christelijk, moslim,... (‘cultuurchristenen’) In
de rand van een religiezue traditie
(nominaal: je noemt jezelf enkel christen omwille van traditie, maar cult het zeer
oppervlakkig in en keist er fundamenteel niet voor
gedoopt of opgevoed bepaalde traditie, die nauwlijks zichtbaar is, verre
sympathisant, drijf mee op onzichtbare stroom
geworteld in geloofstraditie maar niet centraal in leven, soms wel sommige
waarden levensbes. traditie zinvol maar kleur leven voor rest zelf in.
niet altijd gemakkelijk om over geloof te spreken, maar niet tegen
onderwerp
3. De (geinteresseerde) reiziger/ algemeen religieus: Rondtrekkend door het
levensbeschouwelijk landschap
, gelooft dat iets overstijgt maar niet een god die me persoonlijk kent
reis vrij rond en zie vele variaties vn levensbeschouwing
vind in meeste levensb. trad. iets zinvol zit, zie wat ik belangrijk vind, geen
vaste plek, ontdek soms mooi verhaal of ritueel of gedachte die mijn leven
verdiept
bewonder leven id diepte en sta en ga waar iets zinsvol vind, ga in gesprek
met andere
4. De goede buur / pluralistisch atheist: Ik geloof zelf niet in ‘iets’ of God.
Maar religie kan eventueel voor anderen zinvol zijn.
sta er zelf wel kritisch tegenover, ookal goed voor ander
open gesprek te gaan met gelovigen
in dialoog over goed en kwaad kan ik mening formuleren, ben kritisch en
voel me als goede buur als iemadn met andere levensb met me praat
5. De anti-theist / normatief atheist: De enige waarheid: er is geen God. De
overheid meot religies zoveel mogelijk beperken.
(normatief: vind dat iedereen … moet worden)
Als gelovigen beter zouden nadenken, zouden beseffen wat echt is. Geloof
is vooral verstikkend
wil gesprek gaan maar mening staat vast en wat ik denk is het
belangrijkst.
godsdienst verblind mensen, dus dragen van symbolen in publeiek functies
zou verboden moeten worden. Vind zichzelf niet negatief,
6. De…als-je-me-nou (slam the door) / onverschillig: Levensbeschouwingen
interesseren me niet
ik leef de ene dag zo en andere dag anders
je kan eindeloos praten over godsdienst enz, maar voor mij is het blabla
Dit heeft voor mij geen zin
Normatief = Hanteert deze als de enige zinvolle vorm. Ze vinden dat iedereen
LEZE
N
het geloof dat zij hebben ook zouden moeten hebben.
Nominaal = Houdt in dat men enkel zich christen noemt omwille van traditie,
maar dat zeer oppervlakkig invlut en er niet fundamenteel voor kiest.
Dat 50% in België katholiek is, gaat zeker niet op voor de jongvolwassenen (en
toekomstige volwassenen).
Uit het onderzoek op de hogeschool blijkt dat van die 23% mensen die zichzelf
als christen ziet slechts 4,7% katholiek is, er zijn veel meer cultuurchristenen
We gaven aan dat normatief atheïsme niet zo evident is wanneer je aan de
slag gaat in het katholiek onderwijs. Kan je zelf verwoorden waarom.
Normatief atheïsme = geen geloof in God en tegen religie.
Katholieke scholen vertrekken vanuit geloof in God.
De overtuigingen van de leerkracht botsen met de waarden van de
school.
, Dit kan leiden tot conflicten in onderwijs en opvoeding.
Leg de termen van de identiteitsdriehoek uit en bespreek het spanningsdiagram.
Elke
leerkracht heeft een positie in het spanningsdiagram. Wat zou jij vertellen over
een
leerkracht die in positie 3 zit, bijv. mbt duurzaamheid.
Leg de termen van de identiteitsdriehoek uit en
bespreek het spanningsdiagram.
Persoonlijke identiteit = aanwezig als persoon , hoe je je voelt, persoonlijke
motieven, gewoontes, wensen binnen school
Professionele identiteit = professionele lesgever, leraren gedrag, job
Institutionele/ School identiteit = medewerker van een specifieke
organisatie, cultuur van de organisatie, school, normen waarden, afspraken
Tussen die identiteiten kunnen spanningen ontstaan waardoor een lkr zich
niet meer thuis voelt op een school of in zijn vak en omgekeerd.
1. Materiële laag: (positie 4)
Als persoon heb ik een inkomen nodig
De school heeft een eigen budget
Vb: Ik mis als lk om goede software te kunnen aankopen, de school heeft
te weinig budget en ik heb besloten dat ik dit niet uit mijn eigen zak
betaal.
2. De sociale laag – culturele laag: (positie 3)
Er is veel verbinding binnen de school, met de ouders, gemeente,..