GROEPSDYNAMICA EN COMMUNICATIE
1. Wat is een team?
1.1 wat is een team
1.1.1 een categorie van mensen
- gemeenschappelijk kenmerk
- Geen onderlinge interactie
- vb. supporter voetbal, alle gamers, …
1.1.2 een groep is nog geen team
- gezamenlijke interesses
- Online praatgroep over tuinieren, groepsreis kajakkers door Zweden, …
- 7 kenmerken
Direct contact Veel meer contact met elkaar dan mensen
buiten die groep, binnen gedeelde context vb.
klas, werkplek
Groepsgevoel/bewustzijn Leden zijn er van bewust dat ze in de groep
behoren maar geen toelatingsregels
Gedeelde motivatie Iedereen heeft reden tot toe behoren van …
invulling van een behoefte
Doelgericht Samenkomen met een doel, samenwerken om
samenwerken doel te bereiken -> + resultaat
Duidelijke structuur Afspraken & gewoontes
interdependentie 1 groepslid doet -> invloed anderen
Succes -> samenwerking
Actieve interactie Ied beinvloed elkaar continu ( ook dr
lichaamstaal, emotie, gedrag, …) wederzijds
betrokkenheid
1.1.3 het team als specifieke eenheid
- team = deelverzameling ve groep
gemeenschappelijk doel
Groepsbewustzijn: sterker dan groep,
geselecteerde mensen die bijdragen aan taak
Motivatie & doelgericht: iedereen gedeelde
ambitie en wilt slagen, samen doel
Interdependentie: leden onderling afh van
elkaars kennis, vaardigheden,… kwaliteiten &
valkuilen
Samenwerking: synergie – effect: 1+1=3
goede samenwerking: verschillende talenten &
sterkten + ideeën aanvullen & maken
Team= vaste groep mensen m/e gezamenlijke taak + afhankelijk van elkaar & gezamenlijke
doele bereike
1.1.4 sociale identiteit vs persoonlijke identiteit
= wie je bent, hoe je jezelf identificeert
- afhankelijk van je sociale groepen
persoonlijke identiteit: eigenschappen die je als mens uniek maken
eigenschappen, waarden, keuzes en ervaringen
Ik ben creatief, hou van reizen en behulpzaam
, sociale identiteit: wie je bent in relatie tot groepen
Ik ben belg, student PJ en voetbalfan
1.1.5 Stereotypering
- Stereotypen = mensen toekennen aan categorie of groep obv perceptie
Nt overeen met werkelijkheid
Totale groep mensen waar slechts enkele personen van zo zijn
Soorten stereotypen:
klassieke ouderwetse: het jongste kind vh gezin in verwend
hedendaagse moderne: oudere werknemers kunnen niet omgaan met
technologie
veel voorkomende: mannen kunnen niet voor kinderen zorgen
Voordelen: complexe werkelijkheid vereenvoudigend tot beperkt aantal
categorieën
Nadelen: beperkte blik op wereld, beperking in keuze mogelijkheden
- Stigma = negatief + groep als minderwaardig beschouwd
Bewust en onbewust
Groepen die afwijken vd norm -> buitensluiten en discriminatie
Oorsprong: brandmerk bij grieken
Selectieve aandacht: vergrootglaasje op 1 aspect zetten
- Subcultuur
= levenswijze ve bijzondere groep mensen die afwijking vh gangbare
Eigen stijl
Eigen identiteit
Eigen interesse
1.2 Wat speelt er in een team?
- Wetmatigheid: regel/patroon die altijd geldt binnen een bepaald systeem of
context
1.2.1 de bijdrage vh individu
Team => individuen met elk hun attitude, kennis, vaardigheden, competenties,
talenten & kwaliteit
Attitude ABC model van Katz -> attitude bestaat uit 3 onderling verbonden
component
A = affectief -> gevoelens & emoties topv persoon, object (vb. angst)
B = behaviour/ gedrag -> zichtbare handeling (Vb. iemand vermijden)
C = cognitief -> gedachten & overtuigingen (vb. je denkt dat iemand niet te
vertrouwen is
Deze beïnvloeden constant
◊ je denkt dat een collega betrouwbaar is (C) & je voelt je fijn bij haar
(A) en je werkt dus graag samen (B)
Een positieve ervaring leidt tot een positieve attitude
Kennis = datgene dat we weten door overdracht van informatie, ervaring, opleiding
, nt aangeboren
bewust (iets vanbuiten blokken)
onbewust (film)
Vaardighede = je vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren
n oefenen
ieder op eigen tempo
nt aangeboren
competentie = samenspel tussen kennis, vaardigheden & attitude -> competenties
s aangeboren
nodig om functie/rol te vervullen met succes
waarneembaar -> niveau van meten -> ontwikkeling van je
competentie meten
kost energie om onder knie te krijgen
competentie pas omgezet in gedrag als je motivatie & mogelijkheden
hebt
Talenten = eigenschappen die iets zeggen over wie je bent
aangeboren
kosten vr jou geen moeite & energie
vaak niet zichtbaar vr jezelf
1.2.2 groepsnormen
- waarden: dingen die we belangrijk vinden in het leven
bepalen welk gedrag we wenselijk vinden & welk gedrag niet
cultuu - normen: gemeenschappelijke verwachte gedrag, gedragsregels die ons vertellen
r hoe we in het dagelijks leven moeten gedragen.
- Groepsnormen: verwachtingen top van elkaar & hoe men met de taak en elkaar
omgaat & over hoe je je moet verhouden top vd wereld
- Cultuur: zorgt vr stabiliteit & voorspelbaarheid -> bevordert samenwerking
- Taboe: als een negatieve gedragsvormen niet ter sprake mag komen
- Mensen = gevoelig vr groepsnormen
Mensen gaan van nature zich conformeren met de groep (ook al weten ze dat
ze verkeerd zijn)
Door conformiteit (= uniformiseren van je gedrag/mening)
Vb. hypes & modetrends
Vb. Soloman Asch, bystander effect (1951)
75% gaf een fout antwoord ook al wisten ze dat ze
verkeerd waren, conform gedragen
Hoe > groepscohesie, hoe > druk om mee te doen met groep
Inspelende factoren
Groepsgrootte: druk om te confronteren in grote groepen, individuen kunnen
eigen mening onderdrukken om bij groep te passen
Unanimiteit: verhoogt druk te confronteren in grote groepen, zelf 1 afwijkende
mening kan groepsdruk onderdrukken
Homogene groepen = mensen met gelijke denkwijze, achtergrond, leeftijd,
opleiding, …
+: communicatie & samenwerking verlopen vlot
-: kans of groepsdenken & invalshoeken blijven onbenut
ied denkt vanuit hetzelfde referentiekader
Heterogene = mensen met verschillende afkomst, denkwijze, leeftijd,
, groepen ervaring, …
+: rijke input van perspectieven
-: meer overleg, meer kans op spanning
synergie = teamleden versterken elkaar door hun verschillen
(1+1=3)
Harrison
- Oppervlakkige diversiteit: zichtbare kenmerken (vb. gender, leeftijd, …)
- Diepgaande diversiteit: interne kenmerken die bepalend zijn hoe iemand denkt
(vb. persoonlijkheid, intelligentie, …)
DEIB-model
= cobinatie van deze 4 elementen
◊ Verbondenheid
◊ Gelijkwaardigheid
◊ Inclusie
◊ Diversiteit
Goed voelen in een groep
Van Souza en white
1.2.3 gelijkheids-interactiehypothese
- interactie: hoeveelheid contact tussen groepsleden (fysiek ><virtueel, verbaal
>< non-verbaal, georganiseerd >< toevallig…)
- sympathieën: iedereen maakt inschatting hoe sympathiek, aangenaam je
anderen vind
interpersoonlijke attractie: mate van sympathie tussen leden
factoren die sympathie bevorderen
o fysieke aantrekkelijkheid: mensen die je aantrekkelijk vind ga je
goed evalueren
o gelijkaardigheid: gelijkenissen met onszelf vinden we sympathieker
Gelijkheids-attractiehypothese:
o Mensen die verschillen, voelen minder aangetrokken, minder
verbonden
o Mensen met gelijkenissen, voelen aangetrokken, snel
o positieve boodschappen: oprecht compliment leidt tot sympathie
- antipathie: geen sympathie tussen leden
Interactiehypothese van Homans (1950)
- interactiehypothese = wisselwerking tussen interactie & sympathie
veel interactie -> wederzijdse sympathiegevoelens -> veel interactie
- Verklaart groepsgedrag adhv
Interactie: manier waarop leden met elkaar omgaan: communiceren, delen
info, feedback, …
Activiteiten: tijdens interactie: samen problemen oplossen, taken doen
Sentiment: ontstaat door samen te werken
- +: vertrouwen, vriendschap
- -: irritatie, wantrouwen
1. Wat is een team?
1.1 wat is een team
1.1.1 een categorie van mensen
- gemeenschappelijk kenmerk
- Geen onderlinge interactie
- vb. supporter voetbal, alle gamers, …
1.1.2 een groep is nog geen team
- gezamenlijke interesses
- Online praatgroep over tuinieren, groepsreis kajakkers door Zweden, …
- 7 kenmerken
Direct contact Veel meer contact met elkaar dan mensen
buiten die groep, binnen gedeelde context vb.
klas, werkplek
Groepsgevoel/bewustzijn Leden zijn er van bewust dat ze in de groep
behoren maar geen toelatingsregels
Gedeelde motivatie Iedereen heeft reden tot toe behoren van …
invulling van een behoefte
Doelgericht Samenkomen met een doel, samenwerken om
samenwerken doel te bereiken -> + resultaat
Duidelijke structuur Afspraken & gewoontes
interdependentie 1 groepslid doet -> invloed anderen
Succes -> samenwerking
Actieve interactie Ied beinvloed elkaar continu ( ook dr
lichaamstaal, emotie, gedrag, …) wederzijds
betrokkenheid
1.1.3 het team als specifieke eenheid
- team = deelverzameling ve groep
gemeenschappelijk doel
Groepsbewustzijn: sterker dan groep,
geselecteerde mensen die bijdragen aan taak
Motivatie & doelgericht: iedereen gedeelde
ambitie en wilt slagen, samen doel
Interdependentie: leden onderling afh van
elkaars kennis, vaardigheden,… kwaliteiten &
valkuilen
Samenwerking: synergie – effect: 1+1=3
goede samenwerking: verschillende talenten &
sterkten + ideeën aanvullen & maken
Team= vaste groep mensen m/e gezamenlijke taak + afhankelijk van elkaar & gezamenlijke
doele bereike
1.1.4 sociale identiteit vs persoonlijke identiteit
= wie je bent, hoe je jezelf identificeert
- afhankelijk van je sociale groepen
persoonlijke identiteit: eigenschappen die je als mens uniek maken
eigenschappen, waarden, keuzes en ervaringen
Ik ben creatief, hou van reizen en behulpzaam
, sociale identiteit: wie je bent in relatie tot groepen
Ik ben belg, student PJ en voetbalfan
1.1.5 Stereotypering
- Stereotypen = mensen toekennen aan categorie of groep obv perceptie
Nt overeen met werkelijkheid
Totale groep mensen waar slechts enkele personen van zo zijn
Soorten stereotypen:
klassieke ouderwetse: het jongste kind vh gezin in verwend
hedendaagse moderne: oudere werknemers kunnen niet omgaan met
technologie
veel voorkomende: mannen kunnen niet voor kinderen zorgen
Voordelen: complexe werkelijkheid vereenvoudigend tot beperkt aantal
categorieën
Nadelen: beperkte blik op wereld, beperking in keuze mogelijkheden
- Stigma = negatief + groep als minderwaardig beschouwd
Bewust en onbewust
Groepen die afwijken vd norm -> buitensluiten en discriminatie
Oorsprong: brandmerk bij grieken
Selectieve aandacht: vergrootglaasje op 1 aspect zetten
- Subcultuur
= levenswijze ve bijzondere groep mensen die afwijking vh gangbare
Eigen stijl
Eigen identiteit
Eigen interesse
1.2 Wat speelt er in een team?
- Wetmatigheid: regel/patroon die altijd geldt binnen een bepaald systeem of
context
1.2.1 de bijdrage vh individu
Team => individuen met elk hun attitude, kennis, vaardigheden, competenties,
talenten & kwaliteit
Attitude ABC model van Katz -> attitude bestaat uit 3 onderling verbonden
component
A = affectief -> gevoelens & emoties topv persoon, object (vb. angst)
B = behaviour/ gedrag -> zichtbare handeling (Vb. iemand vermijden)
C = cognitief -> gedachten & overtuigingen (vb. je denkt dat iemand niet te
vertrouwen is
Deze beïnvloeden constant
◊ je denkt dat een collega betrouwbaar is (C) & je voelt je fijn bij haar
(A) en je werkt dus graag samen (B)
Een positieve ervaring leidt tot een positieve attitude
Kennis = datgene dat we weten door overdracht van informatie, ervaring, opleiding
, nt aangeboren
bewust (iets vanbuiten blokken)
onbewust (film)
Vaardighede = je vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren
n oefenen
ieder op eigen tempo
nt aangeboren
competentie = samenspel tussen kennis, vaardigheden & attitude -> competenties
s aangeboren
nodig om functie/rol te vervullen met succes
waarneembaar -> niveau van meten -> ontwikkeling van je
competentie meten
kost energie om onder knie te krijgen
competentie pas omgezet in gedrag als je motivatie & mogelijkheden
hebt
Talenten = eigenschappen die iets zeggen over wie je bent
aangeboren
kosten vr jou geen moeite & energie
vaak niet zichtbaar vr jezelf
1.2.2 groepsnormen
- waarden: dingen die we belangrijk vinden in het leven
bepalen welk gedrag we wenselijk vinden & welk gedrag niet
cultuu - normen: gemeenschappelijke verwachte gedrag, gedragsregels die ons vertellen
r hoe we in het dagelijks leven moeten gedragen.
- Groepsnormen: verwachtingen top van elkaar & hoe men met de taak en elkaar
omgaat & over hoe je je moet verhouden top vd wereld
- Cultuur: zorgt vr stabiliteit & voorspelbaarheid -> bevordert samenwerking
- Taboe: als een negatieve gedragsvormen niet ter sprake mag komen
- Mensen = gevoelig vr groepsnormen
Mensen gaan van nature zich conformeren met de groep (ook al weten ze dat
ze verkeerd zijn)
Door conformiteit (= uniformiseren van je gedrag/mening)
Vb. hypes & modetrends
Vb. Soloman Asch, bystander effect (1951)
75% gaf een fout antwoord ook al wisten ze dat ze
verkeerd waren, conform gedragen
Hoe > groepscohesie, hoe > druk om mee te doen met groep
Inspelende factoren
Groepsgrootte: druk om te confronteren in grote groepen, individuen kunnen
eigen mening onderdrukken om bij groep te passen
Unanimiteit: verhoogt druk te confronteren in grote groepen, zelf 1 afwijkende
mening kan groepsdruk onderdrukken
Homogene groepen = mensen met gelijke denkwijze, achtergrond, leeftijd,
opleiding, …
+: communicatie & samenwerking verlopen vlot
-: kans of groepsdenken & invalshoeken blijven onbenut
ied denkt vanuit hetzelfde referentiekader
Heterogene = mensen met verschillende afkomst, denkwijze, leeftijd,
, groepen ervaring, …
+: rijke input van perspectieven
-: meer overleg, meer kans op spanning
synergie = teamleden versterken elkaar door hun verschillen
(1+1=3)
Harrison
- Oppervlakkige diversiteit: zichtbare kenmerken (vb. gender, leeftijd, …)
- Diepgaande diversiteit: interne kenmerken die bepalend zijn hoe iemand denkt
(vb. persoonlijkheid, intelligentie, …)
DEIB-model
= cobinatie van deze 4 elementen
◊ Verbondenheid
◊ Gelijkwaardigheid
◊ Inclusie
◊ Diversiteit
Goed voelen in een groep
Van Souza en white
1.2.3 gelijkheids-interactiehypothese
- interactie: hoeveelheid contact tussen groepsleden (fysiek ><virtueel, verbaal
>< non-verbaal, georganiseerd >< toevallig…)
- sympathieën: iedereen maakt inschatting hoe sympathiek, aangenaam je
anderen vind
interpersoonlijke attractie: mate van sympathie tussen leden
factoren die sympathie bevorderen
o fysieke aantrekkelijkheid: mensen die je aantrekkelijk vind ga je
goed evalueren
o gelijkaardigheid: gelijkenissen met onszelf vinden we sympathieker
Gelijkheids-attractiehypothese:
o Mensen die verschillen, voelen minder aangetrokken, minder
verbonden
o Mensen met gelijkenissen, voelen aangetrokken, snel
o positieve boodschappen: oprecht compliment leidt tot sympathie
- antipathie: geen sympathie tussen leden
Interactiehypothese van Homans (1950)
- interactiehypothese = wisselwerking tussen interactie & sympathie
veel interactie -> wederzijdse sympathiegevoelens -> veel interactie
- Verklaart groepsgedrag adhv
Interactie: manier waarop leden met elkaar omgaan: communiceren, delen
info, feedback, …
Activiteiten: tijdens interactie: samen problemen oplossen, taken doen
Sentiment: ontstaat door samen te werken
- +: vertrouwen, vriendschap
- -: irritatie, wantrouwen