HISTORISCHE
BEWIJSVOERING
BEWIJSVOERING
We zitten aan het derde probleem.
o Hoe ga je uiteindelijk een rapport/ argumentatie/ bewijsvoering opbouwen uit de
bronnen die je hebt? Hoe ga je aan de slag met je bronnen?
o Voor welke soort feiten heb je het meeste oog?
o Welke problemen kom je tegen bij confrontatie met bronnen over dezelfde feiten?
We gebruiken daarvoor de klassieke 19e-eeuwse tot de hedendaagse methoden en
interpretaties.
Waar de positivisten uit de 19e eeuw vooral mee bezigwaren, was de betrouwbaarheid van
de bronnen en vooral het probleem wanneer verschillende bronnen iets anders zeggen. De
problemen rijken wel verder dan dat.
Reflectiviteit staat centraal in een bewijsvoering opbouwen, dus het bewustzijn van de
eigen keuzes die je maakt bij het omgaan met bronnenmateriaal.
KRITISCHE JUXTAPOSITIE VAN BRONNEN
= het tegenoverplaatsen van bronnen/ het confronteren van onafhankelijke bronnen van
auteurs die los van elkaar observeerden en rapporteerden/ afwegen van getuigenissen
Belangrijke grondleggers van deze theorie zijn Langois en Seignobos. Dat waren
mediëvisten, dus gespecialiseerd in de Middeleeuwse periode. Ook waren ze sterk opgeleid
in het positivisme uit de 19e eeuw, dus het waren ook positivisten. Dus ze maakten gebruik
van de hulpwetenschappen, zoals de paleografie en de diplomatiek. Seignobos was zelfs
een leerling van Leopold von Ranke.
Zij hebben de legendarische woorden “pas de documents, pas d’histoire” uitgesproken,
iets waar de Annales-school veel kritiek op had na WO1.
We beginnen bij de principes die zei naar voren hebben gebracht. Deze vormen de
handleiding bij het omgaan met verschillende getuigenissen in verschillende bronnen.
, HANDBOEKEN BERNHEIM (1889) EN LANGBOIS & SEIGNOBOS (1898)
1) Als de getuigenissen allemaal onderling overeenstemmen, nemen we aan dat het
verhaalde feit bewezen is.
2) Niet de meerderheid van de getuigen haalt het, maar de versie die het best aan de
historische kritieken weerstaat.
3) Een bron die betrouwbaar blijkt op plaatsen waar we haar via andere bronnen
kunnen controleren, wordt verondersteld ook de werkelijkheid weer te geven op
plaatsen waar we haar niet kunnen controleren.
4) Wanneer twee bronnen elkaar voor een bepaald feit tegenspreken, geven we de
voorkeur aan de bron die de meeste waarborgen biedt of het meeste gezag bezit.
5) Getuigenissen hebben meer kans nauwkeurig te zijn, naarmate ze feiten betreffen die
zeer algemeen bekend waren in de tijd zelf.
6) Als twee getuigenissen, A en B, onafhankelijk van elkaar totstandgekomen, identiek
zijn, wordt de geloofwaardigheid van de ene verstevigd door de andere.
7) Als bron B bron A tegenspreekt, kunnen we ten hoogste beide meningen afwegen
door hen te toetsen aan de algemene logica in het menselijk handelen.
Enerzijds zijn vele van deze regels gezond verstand, maar er kunnen ook problemen bij
optreden.
o In de selectie van bronnen die we hebben, is misschien al veel betrouwbare
informatie verloren gegaan.
o Hoe moeten we dat gezag beoordelen? Meer gezag betekent niet per se meer
betrouwbaarheid.
o Deze formele regels leggen de focus op welke bron we moeten vertrouwen, maar ze
helpen ons niet verder met het opbouwen van een betoog. Dat komt omdat voor die
19e-eeuwse positivisten een betoog opstellen wereldvreemd was. Ze wilden
reconstrueren hoe het eigenlijk geweest is (L.V.R.), maar die regels schieten grondig
te kort.
o Die beperkingen zijn uitgewerkt a.d.h.v. een uitgewerkte case: het Watergate-
schandaal.
WATERGATE
Zie filmpje voor achtergrondinformatie
Die Watergate-affaire, die zich afspeelde tussen ’72 en ’74 in Amerika, is heel goed
gedocumenteerd. Het was een echte gamechanger voor de geschiedenis van de VS.
Er zijn verschillende stappen waarin het zich afspeelde. Er waren duidelijk episodes waarin
getuigen elkaar tegenspraken en waarbij die spelregels dus tekortschoten.
BEWIJSVOERING
BEWIJSVOERING
We zitten aan het derde probleem.
o Hoe ga je uiteindelijk een rapport/ argumentatie/ bewijsvoering opbouwen uit de
bronnen die je hebt? Hoe ga je aan de slag met je bronnen?
o Voor welke soort feiten heb je het meeste oog?
o Welke problemen kom je tegen bij confrontatie met bronnen over dezelfde feiten?
We gebruiken daarvoor de klassieke 19e-eeuwse tot de hedendaagse methoden en
interpretaties.
Waar de positivisten uit de 19e eeuw vooral mee bezigwaren, was de betrouwbaarheid van
de bronnen en vooral het probleem wanneer verschillende bronnen iets anders zeggen. De
problemen rijken wel verder dan dat.
Reflectiviteit staat centraal in een bewijsvoering opbouwen, dus het bewustzijn van de
eigen keuzes die je maakt bij het omgaan met bronnenmateriaal.
KRITISCHE JUXTAPOSITIE VAN BRONNEN
= het tegenoverplaatsen van bronnen/ het confronteren van onafhankelijke bronnen van
auteurs die los van elkaar observeerden en rapporteerden/ afwegen van getuigenissen
Belangrijke grondleggers van deze theorie zijn Langois en Seignobos. Dat waren
mediëvisten, dus gespecialiseerd in de Middeleeuwse periode. Ook waren ze sterk opgeleid
in het positivisme uit de 19e eeuw, dus het waren ook positivisten. Dus ze maakten gebruik
van de hulpwetenschappen, zoals de paleografie en de diplomatiek. Seignobos was zelfs
een leerling van Leopold von Ranke.
Zij hebben de legendarische woorden “pas de documents, pas d’histoire” uitgesproken,
iets waar de Annales-school veel kritiek op had na WO1.
We beginnen bij de principes die zei naar voren hebben gebracht. Deze vormen de
handleiding bij het omgaan met verschillende getuigenissen in verschillende bronnen.
, HANDBOEKEN BERNHEIM (1889) EN LANGBOIS & SEIGNOBOS (1898)
1) Als de getuigenissen allemaal onderling overeenstemmen, nemen we aan dat het
verhaalde feit bewezen is.
2) Niet de meerderheid van de getuigen haalt het, maar de versie die het best aan de
historische kritieken weerstaat.
3) Een bron die betrouwbaar blijkt op plaatsen waar we haar via andere bronnen
kunnen controleren, wordt verondersteld ook de werkelijkheid weer te geven op
plaatsen waar we haar niet kunnen controleren.
4) Wanneer twee bronnen elkaar voor een bepaald feit tegenspreken, geven we de
voorkeur aan de bron die de meeste waarborgen biedt of het meeste gezag bezit.
5) Getuigenissen hebben meer kans nauwkeurig te zijn, naarmate ze feiten betreffen die
zeer algemeen bekend waren in de tijd zelf.
6) Als twee getuigenissen, A en B, onafhankelijk van elkaar totstandgekomen, identiek
zijn, wordt de geloofwaardigheid van de ene verstevigd door de andere.
7) Als bron B bron A tegenspreekt, kunnen we ten hoogste beide meningen afwegen
door hen te toetsen aan de algemene logica in het menselijk handelen.
Enerzijds zijn vele van deze regels gezond verstand, maar er kunnen ook problemen bij
optreden.
o In de selectie van bronnen die we hebben, is misschien al veel betrouwbare
informatie verloren gegaan.
o Hoe moeten we dat gezag beoordelen? Meer gezag betekent niet per se meer
betrouwbaarheid.
o Deze formele regels leggen de focus op welke bron we moeten vertrouwen, maar ze
helpen ons niet verder met het opbouwen van een betoog. Dat komt omdat voor die
19e-eeuwse positivisten een betoog opstellen wereldvreemd was. Ze wilden
reconstrueren hoe het eigenlijk geweest is (L.V.R.), maar die regels schieten grondig
te kort.
o Die beperkingen zijn uitgewerkt a.d.h.v. een uitgewerkte case: het Watergate-
schandaal.
WATERGATE
Zie filmpje voor achtergrondinformatie
Die Watergate-affaire, die zich afspeelde tussen ’72 en ’74 in Amerika, is heel goed
gedocumenteerd. Het was een echte gamechanger voor de geschiedenis van de VS.
Er zijn verschillende stappen waarin het zich afspeelde. Er waren duidelijk episodes waarin
getuigen elkaar tegenspraken en waarbij die spelregels dus tekortschoten.