TYPOLOGIE VAN BRONNEN
Vorige week hebben we stilgestaan bij de eerste relatie, tussen feit en bron. Hoe dat feiten
weergegeven worden in bronnen, vertekend/ selectief/ … kunnen zijn.
Vandaag staan we stil bij de bron en de manier waarop we die zinvol kunnen onderverdelen.
HISTORISCHE BRONNEN
Wat is een bron?
= Alles waaruit men bewijzen put voor wat men beweert.
Wat zijn historische bronnen?
= Alle mogelijke sporen die mensen hebben achtergelaten van hun vroegere activiteiten.
Cruciaal is dat de bronnen (woorden, beelden en dingen) dateren van de tijd zelf. Bv.
standbeeld, skelet, manuscript…
We maken een traditioneel onderscheid tussen overblijfselen en overleveringen.
1. Overblijfselen zijn historische bronnen die enkel door hun bestaan informatie over
dat verleden geven (bv. voorwerpen: werktuigen, aardewerk… en dingen: botten,
geraamten, pollen, gebouwen…).
2. Overleveringen hebben een talige dimensie. Die talige dimensie beschrijven dus
een gebeurtenis, mondeling of geschreven. Een getuigenis over het verleden.
=> Archeologen gaan aan de slag met overblijfselen en historici met overleveringen. Er zit
ook wel een schemerzone in dat onderscheid: sommige bronnen behoren een beetje tot beide
categorieën. Bv. schilderijen. Dat is een voorwerp, overblijfsel. Tegelijk zit er in de manier waarop
de voorstelling wordt gebracht, een verhaal en betekenis. Omgekeerd zijn historici verder gaan
kijken dan enkel de geschreven bronnen. Bv. Een oorkondeboek is tekst, maar dat is ook een
ding dat op een bepaalde manier is gebonden, versierd… en dat materiële aspect wordt ook hoe
langer hoe meer door historici onderzocht.
De laatste jaren zijn er heel wat nieuwe soorten bronnen bijgekomen: televisie- en radio-
uitzendingen, sociale mediafilmpjes… die moeilijker onder te brengen zijn in de hokjes.
Voor alle soorten historische bronnen geldt dat die om een heel specifieke reden tot stand
zijn gebracht en in hun eigen context tot stand zijn gebracht. Je moet altijd begrijpen waarom
die bron tot stand is gekomen. Daarom is het type bron selecteren een eerste belangrijke
stap in het bronnenonderzoek.
Bronnen zijn (meestal) ook niet intentioneel tot stand gekomen. Dat noemt men een
onbewuste getuigenis of een ‘unwitting testimony’. Dat verwijst naar een context waarin
een bron informatie geeft over iets zonder dat dat de bedoeling was. Hoe onbewuster de
bron tot stand is gekomen, hoe interessanter en échter de bron is voor historici.
, Een voorbeeld van zo’n ‘unwitting testimony’ is de foto’s die gemaakt zijn van de moord op John
F. Kennedy. Een fotograaf maakte als test wat foto’s en had zo per ongeluk de moord
vastgelegd.
<-> De dag van vandaag wordt er zo veel gefilmd dat het deeltje ‘unwitting’ wat vervaagt,
omdat mensen weten dat de kans groot is dat ze gefilmd worden. Dat kan de aard van de
bron veranderen.
Of een bron nu bewust of onbewust is ontstaan: het blijven altijd selectieve getuigenissen
van gebeurtenissen!
PRIMAIRE VS. SECUNDAIRE BRON
PRIMAIRE OF DIRECTE BRON
= een bron die rechtstreekse informatie verschaft. Dat wil zeggen dat die gelijktijdig met de
gebeurtenis tot stand is gekomen.
Bv. De brief van Plinius de jongere over de vulkaanuitbarsting van de Vesuvius in 79 n.C. Hij
schreef dat de avond van de uitbarsting.
Hedendaags voorbeeld: Een verslag van een plenaire vergadering. Dat wordt opgesteld op het
moment dat zo’n vergadering plaatsvindt.
SECUNDAIRE OF INDIRECTE BRON
= een bron die onrechtstreeks informatie geeft. Het maakt dus gebruik van andere (primaire
en/of secundaire) bronnen om die informatie te geven. Die kan gelijktijdig tot stand komen,
maar in vele gevallen later.
Bv. Een bibliotheekcatalogus als bron over leesgedrag in de vroegmoderne periode. Wie las
wat? Via een bibliotheekcatalogus kan dat te weten gekomen worden. Het is een indirecte bron,
want het geeft ons niet rechtstreeks de informatie.
Bv. Een krantenartikel over een parlementair debat. Die vat het debat samen. De journalist is
aanwezig of baseert zich op de verklaring die na het debat wordt uitgegeven. Daarom is het
krantenartikel een secundaire bron.
SCHEMERZONE
De gelijktijdigheid die we vereisen voor een primaire bron is soms ook bij een secundaire
bron.
Die gelijktijdigheid heeft ook niet altijd duidelijke grenzen. Wat als iemand een autobiografie
schrijft op basis van wat er in het verleden is gebeurd: Is dat dan nog een primaire bron? Of
ooggetuigenissen die pas jaren later worden neergeschreven?
Vorige week hebben we stilgestaan bij de eerste relatie, tussen feit en bron. Hoe dat feiten
weergegeven worden in bronnen, vertekend/ selectief/ … kunnen zijn.
Vandaag staan we stil bij de bron en de manier waarop we die zinvol kunnen onderverdelen.
HISTORISCHE BRONNEN
Wat is een bron?
= Alles waaruit men bewijzen put voor wat men beweert.
Wat zijn historische bronnen?
= Alle mogelijke sporen die mensen hebben achtergelaten van hun vroegere activiteiten.
Cruciaal is dat de bronnen (woorden, beelden en dingen) dateren van de tijd zelf. Bv.
standbeeld, skelet, manuscript…
We maken een traditioneel onderscheid tussen overblijfselen en overleveringen.
1. Overblijfselen zijn historische bronnen die enkel door hun bestaan informatie over
dat verleden geven (bv. voorwerpen: werktuigen, aardewerk… en dingen: botten,
geraamten, pollen, gebouwen…).
2. Overleveringen hebben een talige dimensie. Die talige dimensie beschrijven dus
een gebeurtenis, mondeling of geschreven. Een getuigenis over het verleden.
=> Archeologen gaan aan de slag met overblijfselen en historici met overleveringen. Er zit
ook wel een schemerzone in dat onderscheid: sommige bronnen behoren een beetje tot beide
categorieën. Bv. schilderijen. Dat is een voorwerp, overblijfsel. Tegelijk zit er in de manier waarop
de voorstelling wordt gebracht, een verhaal en betekenis. Omgekeerd zijn historici verder gaan
kijken dan enkel de geschreven bronnen. Bv. Een oorkondeboek is tekst, maar dat is ook een
ding dat op een bepaalde manier is gebonden, versierd… en dat materiële aspect wordt ook hoe
langer hoe meer door historici onderzocht.
De laatste jaren zijn er heel wat nieuwe soorten bronnen bijgekomen: televisie- en radio-
uitzendingen, sociale mediafilmpjes… die moeilijker onder te brengen zijn in de hokjes.
Voor alle soorten historische bronnen geldt dat die om een heel specifieke reden tot stand
zijn gebracht en in hun eigen context tot stand zijn gebracht. Je moet altijd begrijpen waarom
die bron tot stand is gekomen. Daarom is het type bron selecteren een eerste belangrijke
stap in het bronnenonderzoek.
Bronnen zijn (meestal) ook niet intentioneel tot stand gekomen. Dat noemt men een
onbewuste getuigenis of een ‘unwitting testimony’. Dat verwijst naar een context waarin
een bron informatie geeft over iets zonder dat dat de bedoeling was. Hoe onbewuster de
bron tot stand is gekomen, hoe interessanter en échter de bron is voor historici.
, Een voorbeeld van zo’n ‘unwitting testimony’ is de foto’s die gemaakt zijn van de moord op John
F. Kennedy. Een fotograaf maakte als test wat foto’s en had zo per ongeluk de moord
vastgelegd.
<-> De dag van vandaag wordt er zo veel gefilmd dat het deeltje ‘unwitting’ wat vervaagt,
omdat mensen weten dat de kans groot is dat ze gefilmd worden. Dat kan de aard van de
bron veranderen.
Of een bron nu bewust of onbewust is ontstaan: het blijven altijd selectieve getuigenissen
van gebeurtenissen!
PRIMAIRE VS. SECUNDAIRE BRON
PRIMAIRE OF DIRECTE BRON
= een bron die rechtstreekse informatie verschaft. Dat wil zeggen dat die gelijktijdig met de
gebeurtenis tot stand is gekomen.
Bv. De brief van Plinius de jongere over de vulkaanuitbarsting van de Vesuvius in 79 n.C. Hij
schreef dat de avond van de uitbarsting.
Hedendaags voorbeeld: Een verslag van een plenaire vergadering. Dat wordt opgesteld op het
moment dat zo’n vergadering plaatsvindt.
SECUNDAIRE OF INDIRECTE BRON
= een bron die onrechtstreeks informatie geeft. Het maakt dus gebruik van andere (primaire
en/of secundaire) bronnen om die informatie te geven. Die kan gelijktijdig tot stand komen,
maar in vele gevallen later.
Bv. Een bibliotheekcatalogus als bron over leesgedrag in de vroegmoderne periode. Wie las
wat? Via een bibliotheekcatalogus kan dat te weten gekomen worden. Het is een indirecte bron,
want het geeft ons niet rechtstreeks de informatie.
Bv. Een krantenartikel over een parlementair debat. Die vat het debat samen. De journalist is
aanwezig of baseert zich op de verklaring die na het debat wordt uitgegeven. Daarom is het
krantenartikel een secundaire bron.
SCHEMERZONE
De gelijktijdigheid die we vereisen voor een primaire bron is soms ook bij een secundaire
bron.
Die gelijktijdigheid heeft ook niet altijd duidelijke grenzen. Wat als iemand een autobiografie
schrijft op basis van wat er in het verleden is gebeurd: Is dat dan nog een primaire bron? Of
ooggetuigenissen die pas jaren later worden neergeschreven?