VROUW ALS VROUW 2: OVERIGE
Inhoudsopgave
Vrouw als vrouw 2: Bacteriologie en virologie … 2
Vrouw als vrouw 2: Seksuele disfuncties … 10
1
,Vrouw als vrouw 2: Bacteriologie en virologie
Screening van infecties
1. Hep B en C
2. HIV
3. Rubella
4. Syfilis
5. Varicella
6. CMV
7. Toxoplasmose
8. Chlamydia trachomatis
9. Herpes simplex
10.Bacteriële vaginose
In welke groepen kunnen we deze onderverdelen
1. Bacteriën
● Chlamydia
● Syfilis
● Bacteriële vaginose
2. Virussen
● Hep B en C
● HIV
● Rubella
● CMV
● Herpes simplex
● Varicella
3. Parasieten
● Toxoplasmose
Morfologie en taxonomie van bacteriën
● Prokaryote cel = ééncellig micro-organisme (m.o) zonder celkern
● Symbiose = relatie tussen gastheer en m.o.
- Mutualisme: wederzijds voordeel
- Commensalisme: geen aantoonbare schade voor gastheer door
aanwezigheid van m.o.
- Parasitisme: aantoonbare schade voor gastheer door aanwezigheid
van m.o.
- Obligaat pathogeen: veroorzaakt steeds ziekte
- Opportunistische pathogeen: ziekte bij verzwakking
→ chemo therapie, immuunsysteem aangetast
- Nosocomiale pathogeen: oorzaak van ziekenhuisinfecties
→ Manieren waarop een micro organisme en gastheer in relatie kunnen staan =
symbiose (EXAMEN)
2
, Opbouw van de bacteriële cel
1. Capsule (vanbuiten)
2. Celwand
3. Celmembraan
4. Cytoplasma
5. Ribosomen
6. Chromosomen
7. Flagel(len)
8. Pili
9. Fimbria
CAPSULE
● bij sommige bacteriën rond de celwand
- Slijmlaag of kapsel
- Polysachariden laag
- Beschermt de cel tegen fagocytose
- Verhindert penetratie van antibiotica
- Vergemakkelijkt aanhechting
- Kapsulaire antigeen (K-antigeen) kan gebruikt worden om onderscheid
te maken tussen bacteriën van eenzelfde soort
CELWAND
● Wand om het celmembraan
● Bepaalt stevigheid en vorm van de cel
● Voorkomt openbarsten
→ stevigheid
CYTOPLASMAMEMBRAAN (= celmembraan)
● Niet rigide, niet stevig
● Opnemen van voedingsstoffen
→ voedingstransport
1. Passief = geen energie voor nodig
→ stoffen van hoge naar lag concentratie doorheen het membraan
- Diffusie (kleine moleculen, bv water of CO2)
- Osmose
- Door kleine moleculen
- O2 en CO2
2. Actief = wel energie voor nodig
→ tegen de concentratie in werken
- Transportmolecule
- Vereist energie
- Tegen de concentratiegradiënt in
● Oxidatieve metabolisme = ademhaling van de cel
● Primitief mitoseapparaat
- Bacterieel DNA zit vast aan membraan
3
Inhoudsopgave
Vrouw als vrouw 2: Bacteriologie en virologie … 2
Vrouw als vrouw 2: Seksuele disfuncties … 10
1
,Vrouw als vrouw 2: Bacteriologie en virologie
Screening van infecties
1. Hep B en C
2. HIV
3. Rubella
4. Syfilis
5. Varicella
6. CMV
7. Toxoplasmose
8. Chlamydia trachomatis
9. Herpes simplex
10.Bacteriële vaginose
In welke groepen kunnen we deze onderverdelen
1. Bacteriën
● Chlamydia
● Syfilis
● Bacteriële vaginose
2. Virussen
● Hep B en C
● HIV
● Rubella
● CMV
● Herpes simplex
● Varicella
3. Parasieten
● Toxoplasmose
Morfologie en taxonomie van bacteriën
● Prokaryote cel = ééncellig micro-organisme (m.o) zonder celkern
● Symbiose = relatie tussen gastheer en m.o.
- Mutualisme: wederzijds voordeel
- Commensalisme: geen aantoonbare schade voor gastheer door
aanwezigheid van m.o.
- Parasitisme: aantoonbare schade voor gastheer door aanwezigheid
van m.o.
- Obligaat pathogeen: veroorzaakt steeds ziekte
- Opportunistische pathogeen: ziekte bij verzwakking
→ chemo therapie, immuunsysteem aangetast
- Nosocomiale pathogeen: oorzaak van ziekenhuisinfecties
→ Manieren waarop een micro organisme en gastheer in relatie kunnen staan =
symbiose (EXAMEN)
2
, Opbouw van de bacteriële cel
1. Capsule (vanbuiten)
2. Celwand
3. Celmembraan
4. Cytoplasma
5. Ribosomen
6. Chromosomen
7. Flagel(len)
8. Pili
9. Fimbria
CAPSULE
● bij sommige bacteriën rond de celwand
- Slijmlaag of kapsel
- Polysachariden laag
- Beschermt de cel tegen fagocytose
- Verhindert penetratie van antibiotica
- Vergemakkelijkt aanhechting
- Kapsulaire antigeen (K-antigeen) kan gebruikt worden om onderscheid
te maken tussen bacteriën van eenzelfde soort
CELWAND
● Wand om het celmembraan
● Bepaalt stevigheid en vorm van de cel
● Voorkomt openbarsten
→ stevigheid
CYTOPLASMAMEMBRAAN (= celmembraan)
● Niet rigide, niet stevig
● Opnemen van voedingsstoffen
→ voedingstransport
1. Passief = geen energie voor nodig
→ stoffen van hoge naar lag concentratie doorheen het membraan
- Diffusie (kleine moleculen, bv water of CO2)
- Osmose
- Door kleine moleculen
- O2 en CO2
2. Actief = wel energie voor nodig
→ tegen de concentratie in werken
- Transportmolecule
- Vereist energie
- Tegen de concentratiegradiënt in
● Oxidatieve metabolisme = ademhaling van de cel
● Primitief mitoseapparaat
- Bacterieel DNA zit vast aan membraan
3