Personen- en familierecht
WEEK 1.1: HUWELIJK, GEREGISTREERD PARTNERSCHAP EN ECHTSCHEIDING
1.1 Onderscheid personen- en familierecht
Personenrecht: regelt de rechtspositie van de natuurlijke persoon (begin/einde persoon,
naam, geslacht, woonplaats, handelingsbekwaamheid, bescherming van
meerderjarigen).
Familierecht: regelt rechtsverhoudingen binnen families. Dit omvat:
o Verticale relaties: afstamming (ouder-kind) en ouderlijk gezag.
o Horizontale relaties: affectieve relaties tussen volwassenen (huwelijk, geregistreerd
partnerschap). Ook de relatie van ongehuwd samenlevenden valt hieronder.
1.2 Bronnen van personen- en familierecht
Kernbron: Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Bijzondere wetten: voor specifieke onderwerpen (Jeugdwet, Wet donorgegevens
kunstmatige bevruchting, Embryowet, etc.).
Internationale bronnen: verdragen (EVRM, IVRK, VN-Verdrag handicap) en
rechtspraak/jurisprudentie van internationale hoven (EHRM, HvJ EU).
Formeel recht: het familieprocesrecht is o.a. geregeld in het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (Rv).
1.3 Aard van het personen- en familierecht
Beperkte partijautonomie: in tegenstelling tot veel ander privaatrecht, bevat het
personen- en familierecht vooral dwingend recht. Contracteren is slechts beperkt
mogelijk en richt zich vooral op vermogensrechtelijke aspecten.
Samenhang met algemeen vermogensrecht: via schakelbepalingen kunnen algemene
leerstukken uit het vermogensrecht (wilsgebreken, redelijkheid en billijkheid, contract-
uitleg via Haviltex-formule) van toepassing zijn, tenzij Boek 1 BW dit uitsluit.
Gemengd rechtsgebied: het personen- en familierecht heeft naast privaatrechtelijke
elementen ook belangrijke publiekrechtelijke elementen (jeugdzorg, Wet tijdelijk
huisverbod) en raakvlakken met andere rechtsgebieden zoals het gezondheidsrecht.
3.5.1 Bronnen van het familieprocesrecht; inleiding
De regels voor familieprocesrecht zijn te vinden in:
1. De wet (Rv): eerst gelden de algemene regels voor verzoekschriftprocedures (art. 261
e.v. Rv). Voor familiezaken gelden vervolgens specifieke wettelijke regels (art. 798-828
Rv), die voorrang hebben. Deze zijn onderverdeeld in:
o Afdeling 1: alle personen- en familierechtzaken, behalve scheidingszaken.
o Afdeling 2: scheidingszaken.
2. Procesreglementen: landelijke, door gerechten opgestelde reglementen die de wet
praktisch uitwerken. Deze hebben de status van recht (art. 79 RO).
3. Bijzondere regelingen: zoals de Leidraad deskundigen, aanbevelingen, werkdocumenten
en tijdelijke regelingen (bijv. vanwege corona).
3.5.3 Scheidingszaken
De specifieke procesregels voor scheiding (na huwelijk/geregistreerd partnerschap)
staan in artikelen 815-828 Rv.
Via schakelbepalingen zijn bepaalde algemene familierechtelijke procedurebepalingen
(bijv. over het horen van kinderen) ook van toepassing op scheidingszaken.
De praktische uitvoering wordt geregeld in specifieke Procesreglementen voor
Scheiding voor rechtbanken en gerechtshoven.
6.1 Aangaan van huwelijk en geregistreerd partnerschap; inleiding
Het huwelijk heeft zijn exclusieve positie verloren. Mensen kunnen nu kiezen tussen:
o Formele relatievormen: huwelijk en geregistreerd partnerschap.
o Informele relatievormen: bijv. ongehuwd samenwonen en latrelaties.
, Personen- en familierecht
Alle vormen zijn maatschappelijk geaccepteerd. Kinderen hebben grotendeels dezelfde
juridische status, ongeacht de relatievorm van hun ouders.
De koppeling tussen het recht om te trouwen en het recht om een gezin te stichten (art.
12 EVRM) is in modern recht (art. 9 EU-Handvest) losgelaten.
Het geregistreerd partnerschap heeft vrijwel dezelfde rechtsgevolgen als het
huwelijk. Echter, ongehuwd samenwonen kent wel een andere juridische status.
6.2 Betekenis van het huwelijk
Alleen het burgerlijk huwelijk (gesloten voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand)
heeft juridische betekenis in Nederland.
Een religieus huwelijk heeft geen juridische gevolgen en mag niet vóór het burgerlijk
huwelijk plaatsvinden (verbod ter voorkoming van kinderhuwelijken en bescherming van
vrije wil, met name van vrouwen, art. 1:68 BW jo. art. 449 Sr).
Het huwelijk heeft kenmerken van zowel een overeenkomst (vrije wil, wilsverklaring) als
een instelling (dwingendrechtelijke inhoud, kan niet eenzijdig worden ontbonden).
6.3 Belangrijke ontwikkelingen
Het huwelijk is sterk veranderd: van een levenslang, ongelijkwaardig verbond tussen man
en vrouw naar een makkelijker ontbindbare verbintenis tussen juridisch gelijke partners
van verschillend of gelijk geslacht.
Sinds 2001 is Nederland het eerste land met het homohuwelijk. Oorspronkelijke
verschillen (o.a. in afstammingsrecht) zijn grotendeels weggevallen. Internationaal
verspreidt het homohuwelijk zich, maar het blijft controversieel.
Er is een Europese trend richting erkenning van gelijkgeslachtelijke relaties, waarbij het
EHRM lidstaten een positieve verplichting oplegt om een formele relatievorm te bieden.
Het openstellen van het homohuwelijk zelf valt nog binnen de beoordelingsvrijheid van de
lidstaten.
6.4 Rechtsgevolgen van het huwelijk
Het huwelijk heeft gevolgen op vele rechtsgebieden (familierecht, erfrecht, fiscaal recht,
socialezekerheidsrecht etc.).
Enkele kerngevolgen: wederzijdse rechten/plichten van echtgenoten (titel 6 Boek 1
BW), algehele gemeenschap van goederen als wettelijk regime (titel 7 Boek 1 BW),
automatisch juridisch ouderschap voor de echtgenoot/echtgenote van de moeder,
gezamenlijk gezag, en aanverwantschap.
6.5 Internationaal kader
Art. 12 EVRM: recht om te huwen voor mannen en vrouwen.
Art. 9 EU-Handvest: recht om te huwen zonder geslachtsvermelding, waardoor de
invulling aan lidstaten wordt overgelaten. In Nederland staat het huwelijk open voor alle
geslachten.
6.6.1 Het aangaan van een huwelijk; onderscheid absolute en relatieve vereisten
Absolute vereisten (art. 1:31-1:39, 1:42 BW): gelden voor elke persoon afzonderlijk.
Relatieve vereisten (art. 1:41, 1:41a BW): gelden alleen in de specifieke relatie tot de
beoogde partner.
Vormvoorschriften (art. 1:43-1:49a, 1:58-1:68 BW): procedurele regels voor de sluiting.
6.6.2 Absolute inwendige huwelijkse vereisten
1. Huwbare leeftijd (art. 1:31 BW): minimaal 18 jaar.
2. Vrije wil van partijen / vrije toestemming:
o Geen geestelijke stoornis die de wilsverklaring belemmert (art. 1:32 BW).
o Toestemming moet vrij zijn van dwaling en dwang (art. 1:71 BW):
Dwaling (lid 2): alleen dwaling in de persoon of in de aard van de verklaring.
WEEK 1.1: HUWELIJK, GEREGISTREERD PARTNERSCHAP EN ECHTSCHEIDING
1.1 Onderscheid personen- en familierecht
Personenrecht: regelt de rechtspositie van de natuurlijke persoon (begin/einde persoon,
naam, geslacht, woonplaats, handelingsbekwaamheid, bescherming van
meerderjarigen).
Familierecht: regelt rechtsverhoudingen binnen families. Dit omvat:
o Verticale relaties: afstamming (ouder-kind) en ouderlijk gezag.
o Horizontale relaties: affectieve relaties tussen volwassenen (huwelijk, geregistreerd
partnerschap). Ook de relatie van ongehuwd samenlevenden valt hieronder.
1.2 Bronnen van personen- en familierecht
Kernbron: Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Bijzondere wetten: voor specifieke onderwerpen (Jeugdwet, Wet donorgegevens
kunstmatige bevruchting, Embryowet, etc.).
Internationale bronnen: verdragen (EVRM, IVRK, VN-Verdrag handicap) en
rechtspraak/jurisprudentie van internationale hoven (EHRM, HvJ EU).
Formeel recht: het familieprocesrecht is o.a. geregeld in het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (Rv).
1.3 Aard van het personen- en familierecht
Beperkte partijautonomie: in tegenstelling tot veel ander privaatrecht, bevat het
personen- en familierecht vooral dwingend recht. Contracteren is slechts beperkt
mogelijk en richt zich vooral op vermogensrechtelijke aspecten.
Samenhang met algemeen vermogensrecht: via schakelbepalingen kunnen algemene
leerstukken uit het vermogensrecht (wilsgebreken, redelijkheid en billijkheid, contract-
uitleg via Haviltex-formule) van toepassing zijn, tenzij Boek 1 BW dit uitsluit.
Gemengd rechtsgebied: het personen- en familierecht heeft naast privaatrechtelijke
elementen ook belangrijke publiekrechtelijke elementen (jeugdzorg, Wet tijdelijk
huisverbod) en raakvlakken met andere rechtsgebieden zoals het gezondheidsrecht.
3.5.1 Bronnen van het familieprocesrecht; inleiding
De regels voor familieprocesrecht zijn te vinden in:
1. De wet (Rv): eerst gelden de algemene regels voor verzoekschriftprocedures (art. 261
e.v. Rv). Voor familiezaken gelden vervolgens specifieke wettelijke regels (art. 798-828
Rv), die voorrang hebben. Deze zijn onderverdeeld in:
o Afdeling 1: alle personen- en familierechtzaken, behalve scheidingszaken.
o Afdeling 2: scheidingszaken.
2. Procesreglementen: landelijke, door gerechten opgestelde reglementen die de wet
praktisch uitwerken. Deze hebben de status van recht (art. 79 RO).
3. Bijzondere regelingen: zoals de Leidraad deskundigen, aanbevelingen, werkdocumenten
en tijdelijke regelingen (bijv. vanwege corona).
3.5.3 Scheidingszaken
De specifieke procesregels voor scheiding (na huwelijk/geregistreerd partnerschap)
staan in artikelen 815-828 Rv.
Via schakelbepalingen zijn bepaalde algemene familierechtelijke procedurebepalingen
(bijv. over het horen van kinderen) ook van toepassing op scheidingszaken.
De praktische uitvoering wordt geregeld in specifieke Procesreglementen voor
Scheiding voor rechtbanken en gerechtshoven.
6.1 Aangaan van huwelijk en geregistreerd partnerschap; inleiding
Het huwelijk heeft zijn exclusieve positie verloren. Mensen kunnen nu kiezen tussen:
o Formele relatievormen: huwelijk en geregistreerd partnerschap.
o Informele relatievormen: bijv. ongehuwd samenwonen en latrelaties.
, Personen- en familierecht
Alle vormen zijn maatschappelijk geaccepteerd. Kinderen hebben grotendeels dezelfde
juridische status, ongeacht de relatievorm van hun ouders.
De koppeling tussen het recht om te trouwen en het recht om een gezin te stichten (art.
12 EVRM) is in modern recht (art. 9 EU-Handvest) losgelaten.
Het geregistreerd partnerschap heeft vrijwel dezelfde rechtsgevolgen als het
huwelijk. Echter, ongehuwd samenwonen kent wel een andere juridische status.
6.2 Betekenis van het huwelijk
Alleen het burgerlijk huwelijk (gesloten voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand)
heeft juridische betekenis in Nederland.
Een religieus huwelijk heeft geen juridische gevolgen en mag niet vóór het burgerlijk
huwelijk plaatsvinden (verbod ter voorkoming van kinderhuwelijken en bescherming van
vrije wil, met name van vrouwen, art. 1:68 BW jo. art. 449 Sr).
Het huwelijk heeft kenmerken van zowel een overeenkomst (vrije wil, wilsverklaring) als
een instelling (dwingendrechtelijke inhoud, kan niet eenzijdig worden ontbonden).
6.3 Belangrijke ontwikkelingen
Het huwelijk is sterk veranderd: van een levenslang, ongelijkwaardig verbond tussen man
en vrouw naar een makkelijker ontbindbare verbintenis tussen juridisch gelijke partners
van verschillend of gelijk geslacht.
Sinds 2001 is Nederland het eerste land met het homohuwelijk. Oorspronkelijke
verschillen (o.a. in afstammingsrecht) zijn grotendeels weggevallen. Internationaal
verspreidt het homohuwelijk zich, maar het blijft controversieel.
Er is een Europese trend richting erkenning van gelijkgeslachtelijke relaties, waarbij het
EHRM lidstaten een positieve verplichting oplegt om een formele relatievorm te bieden.
Het openstellen van het homohuwelijk zelf valt nog binnen de beoordelingsvrijheid van de
lidstaten.
6.4 Rechtsgevolgen van het huwelijk
Het huwelijk heeft gevolgen op vele rechtsgebieden (familierecht, erfrecht, fiscaal recht,
socialezekerheidsrecht etc.).
Enkele kerngevolgen: wederzijdse rechten/plichten van echtgenoten (titel 6 Boek 1
BW), algehele gemeenschap van goederen als wettelijk regime (titel 7 Boek 1 BW),
automatisch juridisch ouderschap voor de echtgenoot/echtgenote van de moeder,
gezamenlijk gezag, en aanverwantschap.
6.5 Internationaal kader
Art. 12 EVRM: recht om te huwen voor mannen en vrouwen.
Art. 9 EU-Handvest: recht om te huwen zonder geslachtsvermelding, waardoor de
invulling aan lidstaten wordt overgelaten. In Nederland staat het huwelijk open voor alle
geslachten.
6.6.1 Het aangaan van een huwelijk; onderscheid absolute en relatieve vereisten
Absolute vereisten (art. 1:31-1:39, 1:42 BW): gelden voor elke persoon afzonderlijk.
Relatieve vereisten (art. 1:41, 1:41a BW): gelden alleen in de specifieke relatie tot de
beoogde partner.
Vormvoorschriften (art. 1:43-1:49a, 1:58-1:68 BW): procedurele regels voor de sluiting.
6.6.2 Absolute inwendige huwelijkse vereisten
1. Huwbare leeftijd (art. 1:31 BW): minimaal 18 jaar.
2. Vrije wil van partijen / vrije toestemming:
o Geen geestelijke stoornis die de wilsverklaring belemmert (art. 1:32 BW).
o Toestemming moet vrij zijn van dwaling en dwang (art. 1:71 BW):
Dwaling (lid 2): alleen dwaling in de persoon of in de aard van de verklaring.