1. Accommodatie: Het transformeren of bijstellen van aanwezige cognitieve schema's door de
lerende wanneer nieuwe informatie niet in de bestaande structuren past. (H1 p. 5, 8; H2 p.
31)
2. Actief leren: Een kenmerk van leren waarbij de leerling zelf cognitief aan de slag gaat met de
leerstof; leren wordt gezien als iets wat de leerling doet en niet passief ondergaat. (H1 p. 12)
3. Adaptiviteit: Het vermogen van technologische (AI-)systemen om de moeilijkheidsgraad of
inhoud van leertaken automatisch aan te passen aan het actuele niveau en de prestaties van
de leerling. (H3 p. 71, 88)
4. Advising dashboards: Geavanceerde visuele overzichten die niet alleen data tonen of
waarschuwen, maar de leraar ook concreet didactisch advies geven over hoe het leerproces
bij te sturen. (H3 p. 71)
5. Affectieve component: Het onderdeel van een attitude dat betrekking heeft op de specifieke
gevoelens en emoties (zoals fascinatie of angst) die een object of thema bij iemand oproept.
(H1 p. 26)
6. Affordances (Theory of affordances): Het concept dat de gebruiksmogelijkheden van een
object of technologie pas ontstaan door de interactie tussen de kenmerken van dat object en
een specifieke gebruiker in een context. (H3 p. 67)
7. Agentic AI: Een technologische ontwikkeling waarbij AI-systemen als zelfstandige 'agenten'
optreden die complexere opdrachten kunnen uitvoeren, zoals het ontwerpen van lessen of
bezoeken van websites. (H3 p. 67)
8. AI-ACT: Europese wetgeving die AI-toepassingen classificeert en reguleert op basis van
risico's, waarbij onderwijssystemen vaak in de hoogste risicocategorie vallen. (H3 p. 87, 88)
9. AI-geletterdheid: De noodzakelijke bekwaamheid van leraren en leerlingen om de kwaliteit
en betrouwbaarheid van AI-producten kritisch in te schatten en eigenaarschap over het eigen
denken te behouden. (H3 p. 85, 88)
10. Algoritmen: Uiterst nauwkeurige procedurele voorschriften voor het oplossen van
welomschreven problemen die, indien correct uitgevoerd, gegarandeerd tot de juiste
oplossing leiden. (H1 p. 10, 18)
11. Alignment (Constructive): De noodzakelijke onderlinge afstemming tussen de doelen, de
leeractiviteiten en de wijze van evaluatie binnen een onderwijsontwerp. (H2 p. 5, 34, 47)
12. Alerting dashboards: Dashboards die automatisch signalen of waarschuwingen geven bij
afwijkend leergedrag, zoals leerlingen die plots vertragen of juist extreem snel door de stof
gaan. (H3 p. 71)
13. Amotivatie: De volledige afwezigheid van bereidheid of intentie om aan een bepaalde
leeractiviteit deel te nemen, vaak door een gebrek aan waardering voor de taak. (H1 p. 13)
14. Apenstaartjarenrapport: Een jaarlijks verschijnend onderzoek dat diepgaand inzicht geeft in
de digitale leefwereld, het toestelgebruik en de mediagewoonten van Vlaamse kinderen en
jongeren. (H3 p. 80)
15. Apprenticeship: De meester-gezelrelatie zoals die voorkomt in informele leeromgevingen,
waarbij een beginner leert door te observeren en deel te nemen onder begeleiding van een
expert. (H1 p. 10)
16. Artificiële intelligentie (AI): Technologie gericht op systemen die menselijke cognitieve
functies nabootsen, zoals redeneren, patroonherkenning en het autonoom genereren van
content. (H3 p. 65, 67)
17. Assimilatie: Het proces waarbij nieuwe informatie wordt ingepast in reeds bestaande
cognitieve schema's zonder dat deze structuren wezenlijk hoeven te veranderen. (H1 p. 5, 8)
18. Associatieleren: Het kernprincipe van het behaviorisme waarbij duurzame verbindingen
worden gelegd tussen een prikkel (stimulus) en de reactie (respons) van de lerende. (H1 p. 2)
19. Asynchroon onderwijs: Een vorm van onderwijzen waarbij de leraar en de leerlingen niet op
hetzelfde moment met de stof bezig zijn (bijv. via een opgenomen webinar of leerpad). (H3 p.
74)
20. Attitude: Een grotendeels aangeleerde verzameling van gedachten, emoties en
gedragsintenties ten opzichte van een specifiek object of thema (bijv. lgbtqia+ of klimaat). (H1
p. 14, 26)
21. Augmented Reality (AR): Een technologie die een interactieve digitale informatielaag (zoals
beelden of tekst) over de feitelijke fysieke werkelijkheid legt. (H3 p. 67, 69)
,22. Autonomie: De fundamentele psychologische behoefte om keuzes te maken die in lijn liggen
met de eigen waarden en het gevoel te hebben zelf de bron van eigen gedrag te zijn. (H1 p.
24; H2 p. 24)
23. Autonomie-ondersteunende stijl: Een manier van lesgeven waarbij de leraar empathisch
luistert, keuzes biedt en een rationale geeft voor taken om de intrinsieke motivatie te voeden.
(H1 p. 25)
24. Autonome motivatie: Motivatievormen waarbij de leerling de waarde van de activiteit inziet
of er puur plezier aan beleeft (bestaat uit intrinsieke en geïdentificeerde regulatie). (H1 p. 13,
24)
25. Backward span-taken: Specifieke testmethode voor het werkgeheugen waarbij
proefpersonen een reeks items (zoals cijfers) in exact omgekeerde volgorde moeten
reproduceren. (H1 p. 5)
26. Behaviorisme: Psychologische stroming die leren uitsluitend definieert als observeerbare
gedragsveranderingen veroorzaakt door stimuli uit de omgeving. (H1 p. 2)
27. Bekrachtiging: Een prettige consequentie na bepaald gedrag (beloning) die de kans vergroot
dat dit gedrag in de toekomst vaker vertoond zal worden. (H1 p. 4)
28. Beheersingsleren (Mastery Learning): Een onderwijsaanpak waarbij de leertijd variabel is;
leerlingen gaan pas door naar een volgende eenheid als ze de huidige volledig beheersen.
(H1 p. 4; H2 p. 54)
29. Beginstituatie: Het geheel aan kenmerken van leerlingen (voorkennis, interesses) en context
(infrastructuur) die aanwezig zijn bij de start van een leerproces. (H2 p. 6, 52)
30. Betrouwbaarheid: De mate waarin een evaluatie of toets bij herhaling onder dezelfde
condities consistente en stabiele resultaten oplevert, vrij van toevalligheden. (H2 p. 44)
31. Blended learning: Een doordacht ontworpen onderwijsvorm die een mix van fysiek
contactonderwijs en digitaal afstandsonderwijs combineert om de leereffectiviteit te verhogen.
(H2 p. 58)
32. Buggy procedures: Foutief aangeleerde of geautomatiseerde stappenplannen waarbij de
leerling consequent een verkeerde handeling stelt of een essentiële stap overslaat. (H1 p. 11,
20)
33. Central executive: Het overkoepelende controlecentrum van het werkgeheugen dat de
aandacht focust, informatie verdeelt en de stroom tussen geheugensystemen reguleert. (H1
p. 6)
34. Chunking: Een geheugenstrategie waarbij losse brokjes informatie worden samengevoegd
tot grotere, betekenisvolle gehelen om de beperkte capaciteit van het werkgeheugen te
ontlasten. (H1 p. 5, 6)
35. Cloudomgeving: Een online infrastructuur voor opslag en software die scholen toelaat om
plaatsonafhankelijk aan documenten te werken en deze te delen. (H3 p. 78)
36. Cognitief conflict: Een toestand van mentale onbalans die ontstaat wanneer een leerling
info krijgt die botst met zijn huidige overtuigingen, wat aanzet tot dieper leren. (H1 p. 9, 12)
37. Cognitieve component: Het deel van een attitude dat bestaat uit de feitelijke kennis,
opvattingen en overtuigingen die iemand heeft over een bepaald onderwerp. (H1 p. 26)
38. Cognitieve dissonantietheorie: De theorie van Festinger die stelt dat mensen een
onaangename spanning ervaren bij tegenstrijdigheden tussen hun attitude en hun feitelijke
gedrag. (H1 p. 14, 27)
39. Cognitieve strategieën: Interne sturingsprocessen die leerlingen inzetten om informatie
effectief op te nemen (leerstrategieën) of om onbekende problemen planmatig aan te pakken.
(H1 p. 11, 20)
40. Cognitieve Load Theory: Een leertheorie van John Sweller die stelt dat leren optimaal
verloopt wanneer de belasting van het werkgeheugen beperkt blijft (zonder te veel prikkels),
omdat de capaciteit van dit geheugen erg klein is. (H3, 68)
41. Cognitivisme: Een stroming die de mens ziet als een actieve informatieverwerker (computer-
metafoor) en focust op interne processen zoals geheugen en probleemoplossing. (H1 p. 4, 5)
42. Commercialisering: De groeiende invloed en aanwezigheid van private bedrijven en tech-
giganten in het publieke onderwijs door de verkoop van leermiddelen en data-systemen. (H3
p. 86)
43. Competentie: De psychologische basisbehoefte om zich bekwaam te voelen en de
overtuiging te hebben effectief te kunnen handelen binnen een bepaalde taak of domein. (H1
p. 24; H2 p. 24)
, 44. Competentiegericht onderwijs: Onderwijs dat gericht is op de geïntegreerde toepassing
van kennis, vaardigheden en attitudes om complexe, realistische problemen op te lossen. (H2
p. 57)
45. Computer Supported Collaborative Learning (CSCL): Het doelgericht inzetten van digitale
tools (zoals wiki's of gedeelde documenten) om samenwerkend leren en kennisconstructie te
bevorderen. (H3 p. 66)
46. Conditionele reactie (CR): De aangeleerde respons die optreedt wanneer een voorheen
neutrale prikkel (CS) succesvol gekoppeld is aan een betekenisvolle stimulans. (H1 p. 2, 3)
47. Conditionele stimulus (CS): Een oorspronkelijk neutrale prikkel (bijv. een toon) die na
herhaalde koppeling met een natuurlijke prikkel een specifieke reactie uitlokt. (H1 p. 2, 3)
48. Connecting classrooms: Hybride onderwijsvorm waarbij een fysieke klas live verbonden
wordt met leerlingen of klassen op andere locaties via synchrone technologie. (H3 p. 74)
49. Constructief proces (Kennisconstructie): Een actieve manier van leren waarbij de lerende
nieuwe informatie selecteert, bewerkt en integreert in zijn bestaande voorkennis. (H1 p. 7, 12)
50. Criteriumgerichte toetsing: Evaluatie waarbij de prestatie van een leerling uitsluitend wordt
vergeleken met een vooraf vastgestelde absolute norm of standaard (beheersingsniveau).
(H2 p. 46)
51. Cumulatief proces: Een kenmerk van leren dat benadrukt dat nieuwe informatie altijd wordt
geïnterpreteerd en begrepen op basis van wat de leerling al weet. (H1 p. 13)
52. Declaratieve kennis: Kennis die expliciet kan worden verwoord ("weten dat"), bestaande uit
feiten, begrippen, principes en regels in het semantisch of episodisch geheugen. (H1 p. 6, 17)
53. Didactisch handelen (Didactische analyse): Het cyclische proces waarbij een leraar op
basis van een beginsituatie beslist over doelen, inhouden, werkvormen, media en evaluatie.
(H2 p. 1, 33)
54. Didactische componenten: De vijf basiselementen van het onderwijsproces die in
samenhang moeten worden ontworpen: doelen, inhouden, leeractiviteiten, media en
evaluatie. (H2 p. 3)
55. Differentiatie: Het bewust variëren in onderwijsaanpak (zoals tempo, werkvormen of
instructie) om optimaal aan te sluiten bij de diverse behoeften van leerlingen. (H2 p. 54)
56. DigCompEdu: Een Europees raamwerk dat de digitale competenties beschrijft die leraren
nodig hebben voor hun professionele praktijk en onderwijsontwerp. (H3 p. 77)
57. Digisprong: Een grootschalig Vlaams investerings- en relanceprogramma gericht op het
verbeteren van ICT-infrastructuur en digitale vaardigheden in het onderwijs. (H3 p. 78, 86)
58. Digitale kloof: De ongelijkheid tussen individuen of groepen wat betreft de toegang tot
technologie, de vaardigheden om deze te gebruiken en de behaalde effecten ervan. (H3 p.
64, 85)
59. Digitalisering: De overgang van papieren informatie naar digitale formaten en het gebruik
van online systemen om leerprocessen te monitoren en te beheren. (H3 p. 63)
60. Directe feedback: Onmiddellijke terugkoppeling over de juistheid van een antwoord, wat
essentieel is voor effectief oefenen en het corrigeren van misconcepties. (H1 p. 65; H3 p. 70)
61. Directe Instructie (DI): Een systematische, leraargestuurde aanpak waarbij nieuwe leerstof
stap voor stap wordt aangeboden, geoefend en geëvalueerd onder begeleiding. (H2 p. 22)
62. Distributed activity: De sociaal-constructivistische visie dat denken en kennis niet enkel 'in
het hoofd' zitten, maar gespreid zijn over de omgeving, tools en andere personen. (H1 p. 10)
63. Doelen (Leerdoelen/Onderwijsdoelen): De beoogde leeruitkomsten die aangeven wat een
leerling aan het eind van een proces moet kennen, kunnen of welke attitude hij moet hebben.
(H2 p. 6, 35)
64. Duurzame verandering: De vereiste dat een verandering in denken of handelen moet
beklijven over tijd om als 'leren' te worden beschouwd (geen tijdelijk effect van bijv. drugs).
(H1 p. 1)
65. E-Capacity model: Een kader dat de randvoorwaarden voor succesvolle ICT-integratie
beschrijft op niveaus van de leraar, de schoolorganisatie en het beleid. (H3 p. 76)
66. Elaboratieve ordening: Een ordeningsstrategie voor leerstof die vertrekt van een globale
samenvatting en telkens inzoont op meer gedetailleerde aspecten (zoom-lens metafoor). (H2
p. 49)
67. Emergency remote teaching: De noodgedwongen en ongeplande snelle overschakeling
naar afstandsonderwijs tijdens een crisis (zoals de covidpandemie). (H3 p. 66)
68. Episodisch geheugen: Het onderdeel van het declaratieve langetermijngeheugen waarin
persoonlijke ervaringen en specifieke gebeurtenissen in een tijdskader worden bewaard. (H1
p. 6)