Samenvatting boek
Leren in maatschappelijk betrokken onderwijs.
Basisinzichten voor leraren nu en in de toekomst.
Jan Elen en Andy Thys (red.)
Universitaire pers Leuven
Derde, grondige hernieuwde editie 2025
DEEL 1: FUNDAMENTEN VAN LEREN EN ONDERWIJZEN
Hoofdstuk 1: Leren
Hoofdstuk 2: Onderwijzen: een didactisch perspectief
Hoofdstuk 3: Digitale transformatie in leren en onderwijzen
DEEL 2: ORGANISATIE EN INRICHTING VAN ONDERWIJS
Hoofdstuk 4: Het verloop en het beheer van het klasgebeuren
Hoofdstuk 5: Scholen vormgeven: schoolcultuur, professionele relaties, ontwikkeling
en leiderschap
Hoofdstuk 6: Inclusief onderwijs: een antwoord op specifieke onderwijsbehoeften
DEEL 3: REGELGEVING, KWALITEIT EN GELIJKE KANSEN IN HET VLAAMSE ONDERWIJS
Hoofdstuk 7: Leraar en onderwijs: juridische aspecten
Hoofdstuk 8: Kwaliteitszorg en-bewaking
Hoofdstuk 9: Sociale ongelijkheid en gelijke kansen
DEEL 4: DENKEN OVER ONDERWIJS IN CONTEXTEN
Hoofdstuk 10: De maatschappelijke rol en betekenis van onderwijs: benaderingen en
toetsstenen
Hoofdstuk 11: De vorming van moderne onderwijssystemen in West-Europa: een
historisch perspectief
Hoofdstuk 12: De kwestie van goed onderwijs: over denkwijzen en diplomatie
1
,DEEL 1: FUNDAMENTEN VAN LEREN EN ONDERWIJZEN
Hoofdstuk 1 Leren
1. Inleiding
Leren =
-wisselwerking/interactie met de omgeving
-een duurzame verandering in het denken en/of handelen van een lerende
-proces dat leidt tot een resultaat
2. Verschillende perspectieven op leren
• Behaviorisme p2
Verandering in gedrag als reactie op gebeurtenissen in de omgeving
Prikkels/stimuli (S)=> R (respons): een stimulus ontlokt een respons
De lerende wordt opgevat als een black box: een systeem waarvan de interne opbouw en de
interne mechanismen (het leerproces) buiten beschouwing blijven.
• Klassieke conditionering p3
Bekendste voorbeeld= PAVLOV (hond)
Gaat over een onvoorwaardelijke stimulus (UCS: unconditional stimulus): leidt tot een
onvoorwaardelijke reactie (UCR)
Bv. pijn bij een electroshock
Bv. voedsel aan hond=> kwijlen
Als je tegelijkertijd met die onvoorwaardelijke stimulus een voorwaardelijke prikkel aanbiedt
(bv. een toon of een lichtflits) dan gaan die geassocieerd worden.
Na een tijd zal de reactie ook optreden na de voorwaardelijke neutrale prikkel =>
geconditioneerde reactie
• Operante conditionering p4
Gedrag dat beïnvloed wordt door de consequenties:
-positieve consequenties: gedrag toenemen
-negatieve consequenties: gedrag afnemen
Law of excercise: we leren door te doen.
Law of use: connecties tussen stimulus en reactie gaan versterken door ze veel te gebruiken
Law of disuse: ze gaan verdwijnen als we ze niet veel gebruiken
2
,Law of effect: als het effect sterk is (bevredigend), dan zal de connectie toenemen en ook
omgekeerd (bij weinig effect)
Behaviorisme in onderwijs:
-om gewenst gedrag te krijgen, gaat men het gewenst gedrag onmiddellijk bekrachtigen.
-om generalisatie of transfer van de geleerde associaties te bevorderen, wordt variatie in het
taakmateriaal of de omgeving aangebracht.
• Cognitivisme p5
Men beschouwt de mens niet meer als een bundel van responsen op prikkels uit de omgeving
maar als een ACTIEVE verwerker van informatie (cognitieve processen).
Belangrijke principes:
-het geheugen is belangrijk: zintuiglijk geheugen, werkgeheugen en langetermijngeheugen.
=> werking geheugen p6
-kennisconstructie: kennis en inzicht worden door de lerende zelf actief geconstrueerd
Piaget (1896-1980): assimilatie (nieuwe informatie wordt opgenomen in een al bestaande
cognitieve structuur) en accommodatie (de aanwezige structuur wordt door de leren
getransformeerd in functie van de nieuwe informatie)
Equilibratie: als gevolg van assimilatie en accommodatie ontstaan steeds rijkere en
complexere cognitieve schema’s en structuren.
-probleemoplossend denken: interne processen die aan de basis liggen bij het oplossen van
problemen
Verschil tussen objectieve taakomgeving (beschrijving van de taak van buitenaf) en de
interne representatie daarvan door een persoon (wijze waarop de persoon de taak
opneemt)
Metacognitie: de kennis die een persoon heeft van zijn eigen cognitief functioneren en
vaardigheden
Cognitivisme in onderwijs:
-werk geheugen is belangrijk
-vertrekken vanuit voorkennis is belangrijk
-actief verwerken van leerstof is belangrijk
• Socio-constructivisme p10
Tegenreactie op behaviorisme en cognitieve stromingen
= situated cognition-benadering: men leert door deelname aan een community of practice
(lerende wordt ingewijd in gewoonten, normen, waarden, omgangsvormen, technieken,… in
een leer-en werkgemeenschap)
3
, Interiorisatie-hypothese: elke vorm van ontwikkeling doet zich tweemaal voor: eerst op
sociaal niveau tussen mensen (interpsychisch) en dan binnen de mens (intrapsychisch)
ð Mensen kunnen dus meer dan ze individueel kunnen, als ze hierbij hulp en
ondersteuning krijgen.
ð Scaffolding van een bekwamere persoon (leraar, medeleerling): ondersteuning
ð Leerlingen begeleiden in zelfstandig leren door telkens nieuwe zones van naaste
ontwikkeling te creëren (dus niet op het feitelijke ontwikkelingsniveau)
Leren in informele en formele contexten:
ð Uit onderzoek blijkt dat leren in informele contexten verrassend succesvol kunnen zijn
Denken in distributed activity: gespreid over het individu, allerlei hulpmiddelen en andere
personen, gesitueerd in een bepaalde context.
Impact op onderwijs:
-taken worden aangeboden, aangepast aan wat de lerende met de nodige ondersteuning
zelfstandig kan uitvoeren (leeromgeving in de naaste ontwikkeling)
-krachtige leeromgevingen : kenmerken van informele leeromgevingen toepassen
3. Kenmerken van leren p13
-leren is een actief en constructief proces
ð Iets wat leerlingen zelf doen: zelf kennis of inzicht construeren
ð Tijdens het leerproces denken, doen en voelen de leerlingen zelf
ð Leerlingen moeten cognitief geactiveerd worden
-leren is een cumulatief proces
ð het bouwt verder op voorkennis van leerlingen
ð ook metacognitie, zelfregulatie, attituden en motivatie spelen een rol
ð er moeten voldoende steunpunten zijn (kapstok of ankerbegrippen)
ð misconcepties kunnen dus leren belemmeren
-leren is een zelfgestuurd proces
ð leren wordt gestuurd door de leerdoelen die leerlingen zichzelf stellen (het doel)
ð zicht hebben op onderwijsdoelen: en die goed afstemmen op de leerdoelen
-Leren is een gesitueerd proces
ð het is onlosmakelijk verbonden met de context
ð nood aan authentieke leeromgevingen: kunnen toepassen van het geleerde en
gunstige invloed op leermotivatie
4
Leren in maatschappelijk betrokken onderwijs.
Basisinzichten voor leraren nu en in de toekomst.
Jan Elen en Andy Thys (red.)
Universitaire pers Leuven
Derde, grondige hernieuwde editie 2025
DEEL 1: FUNDAMENTEN VAN LEREN EN ONDERWIJZEN
Hoofdstuk 1: Leren
Hoofdstuk 2: Onderwijzen: een didactisch perspectief
Hoofdstuk 3: Digitale transformatie in leren en onderwijzen
DEEL 2: ORGANISATIE EN INRICHTING VAN ONDERWIJS
Hoofdstuk 4: Het verloop en het beheer van het klasgebeuren
Hoofdstuk 5: Scholen vormgeven: schoolcultuur, professionele relaties, ontwikkeling
en leiderschap
Hoofdstuk 6: Inclusief onderwijs: een antwoord op specifieke onderwijsbehoeften
DEEL 3: REGELGEVING, KWALITEIT EN GELIJKE KANSEN IN HET VLAAMSE ONDERWIJS
Hoofdstuk 7: Leraar en onderwijs: juridische aspecten
Hoofdstuk 8: Kwaliteitszorg en-bewaking
Hoofdstuk 9: Sociale ongelijkheid en gelijke kansen
DEEL 4: DENKEN OVER ONDERWIJS IN CONTEXTEN
Hoofdstuk 10: De maatschappelijke rol en betekenis van onderwijs: benaderingen en
toetsstenen
Hoofdstuk 11: De vorming van moderne onderwijssystemen in West-Europa: een
historisch perspectief
Hoofdstuk 12: De kwestie van goed onderwijs: over denkwijzen en diplomatie
1
,DEEL 1: FUNDAMENTEN VAN LEREN EN ONDERWIJZEN
Hoofdstuk 1 Leren
1. Inleiding
Leren =
-wisselwerking/interactie met de omgeving
-een duurzame verandering in het denken en/of handelen van een lerende
-proces dat leidt tot een resultaat
2. Verschillende perspectieven op leren
• Behaviorisme p2
Verandering in gedrag als reactie op gebeurtenissen in de omgeving
Prikkels/stimuli (S)=> R (respons): een stimulus ontlokt een respons
De lerende wordt opgevat als een black box: een systeem waarvan de interne opbouw en de
interne mechanismen (het leerproces) buiten beschouwing blijven.
• Klassieke conditionering p3
Bekendste voorbeeld= PAVLOV (hond)
Gaat over een onvoorwaardelijke stimulus (UCS: unconditional stimulus): leidt tot een
onvoorwaardelijke reactie (UCR)
Bv. pijn bij een electroshock
Bv. voedsel aan hond=> kwijlen
Als je tegelijkertijd met die onvoorwaardelijke stimulus een voorwaardelijke prikkel aanbiedt
(bv. een toon of een lichtflits) dan gaan die geassocieerd worden.
Na een tijd zal de reactie ook optreden na de voorwaardelijke neutrale prikkel =>
geconditioneerde reactie
• Operante conditionering p4
Gedrag dat beïnvloed wordt door de consequenties:
-positieve consequenties: gedrag toenemen
-negatieve consequenties: gedrag afnemen
Law of excercise: we leren door te doen.
Law of use: connecties tussen stimulus en reactie gaan versterken door ze veel te gebruiken
Law of disuse: ze gaan verdwijnen als we ze niet veel gebruiken
2
,Law of effect: als het effect sterk is (bevredigend), dan zal de connectie toenemen en ook
omgekeerd (bij weinig effect)
Behaviorisme in onderwijs:
-om gewenst gedrag te krijgen, gaat men het gewenst gedrag onmiddellijk bekrachtigen.
-om generalisatie of transfer van de geleerde associaties te bevorderen, wordt variatie in het
taakmateriaal of de omgeving aangebracht.
• Cognitivisme p5
Men beschouwt de mens niet meer als een bundel van responsen op prikkels uit de omgeving
maar als een ACTIEVE verwerker van informatie (cognitieve processen).
Belangrijke principes:
-het geheugen is belangrijk: zintuiglijk geheugen, werkgeheugen en langetermijngeheugen.
=> werking geheugen p6
-kennisconstructie: kennis en inzicht worden door de lerende zelf actief geconstrueerd
Piaget (1896-1980): assimilatie (nieuwe informatie wordt opgenomen in een al bestaande
cognitieve structuur) en accommodatie (de aanwezige structuur wordt door de leren
getransformeerd in functie van de nieuwe informatie)
Equilibratie: als gevolg van assimilatie en accommodatie ontstaan steeds rijkere en
complexere cognitieve schema’s en structuren.
-probleemoplossend denken: interne processen die aan de basis liggen bij het oplossen van
problemen
Verschil tussen objectieve taakomgeving (beschrijving van de taak van buitenaf) en de
interne representatie daarvan door een persoon (wijze waarop de persoon de taak
opneemt)
Metacognitie: de kennis die een persoon heeft van zijn eigen cognitief functioneren en
vaardigheden
Cognitivisme in onderwijs:
-werk geheugen is belangrijk
-vertrekken vanuit voorkennis is belangrijk
-actief verwerken van leerstof is belangrijk
• Socio-constructivisme p10
Tegenreactie op behaviorisme en cognitieve stromingen
= situated cognition-benadering: men leert door deelname aan een community of practice
(lerende wordt ingewijd in gewoonten, normen, waarden, omgangsvormen, technieken,… in
een leer-en werkgemeenschap)
3
, Interiorisatie-hypothese: elke vorm van ontwikkeling doet zich tweemaal voor: eerst op
sociaal niveau tussen mensen (interpsychisch) en dan binnen de mens (intrapsychisch)
ð Mensen kunnen dus meer dan ze individueel kunnen, als ze hierbij hulp en
ondersteuning krijgen.
ð Scaffolding van een bekwamere persoon (leraar, medeleerling): ondersteuning
ð Leerlingen begeleiden in zelfstandig leren door telkens nieuwe zones van naaste
ontwikkeling te creëren (dus niet op het feitelijke ontwikkelingsniveau)
Leren in informele en formele contexten:
ð Uit onderzoek blijkt dat leren in informele contexten verrassend succesvol kunnen zijn
Denken in distributed activity: gespreid over het individu, allerlei hulpmiddelen en andere
personen, gesitueerd in een bepaalde context.
Impact op onderwijs:
-taken worden aangeboden, aangepast aan wat de lerende met de nodige ondersteuning
zelfstandig kan uitvoeren (leeromgeving in de naaste ontwikkeling)
-krachtige leeromgevingen : kenmerken van informele leeromgevingen toepassen
3. Kenmerken van leren p13
-leren is een actief en constructief proces
ð Iets wat leerlingen zelf doen: zelf kennis of inzicht construeren
ð Tijdens het leerproces denken, doen en voelen de leerlingen zelf
ð Leerlingen moeten cognitief geactiveerd worden
-leren is een cumulatief proces
ð het bouwt verder op voorkennis van leerlingen
ð ook metacognitie, zelfregulatie, attituden en motivatie spelen een rol
ð er moeten voldoende steunpunten zijn (kapstok of ankerbegrippen)
ð misconcepties kunnen dus leren belemmeren
-leren is een zelfgestuurd proces
ð leren wordt gestuurd door de leerdoelen die leerlingen zichzelf stellen (het doel)
ð zicht hebben op onderwijsdoelen: en die goed afstemmen op de leerdoelen
-Leren is een gesitueerd proces
ð het is onlosmakelijk verbonden met de context
ð nood aan authentieke leeromgevingen: kunnen toepassen van het geleerde en
gunstige invloed op leermotivatie
4