Hoc 1:
- Objectiviteit = het minimaliseren vd rol die de eigen gevoelens,
prioriteiten, ervaringen en meningen van de onderzoeker spelen bij het
vormgeven van de onderzoeksresultaten
- Aggregatie van numerieke gegevens = variabelen numeriek meten en
getallen samenvoegen om aggregaten te vormen. Gegevens bundelen om
algemene uitspraken te kunnen doen
- Deductief redeneren: hypothesen worden gebaseerd op bevindingen van
eerdere onderzoeken en principes van bestaande theorieën. Pas erna
wordt data verzameld om te zien of de hypotheses bevestigd kunnen
worden
- Theorie = goed onderbouwd, gestructureerd en uitgewerkt systeem van
ideeën dat probeert een fenomeen te verklaren, en is:
Falsifieerbaar
Generaliseerbaar
Kritisch
Streeft naar objectieve waarheid
- Inductief redeneren = vertrekken vanuit data om vervolgens een theorie te
ontwikkelen
- Falsifieerbaarheid: theorie kan bewezen of weerlegd worden
- Generaliseerbaarheid: een theorie is niet beperkt tot één specifieke
situatie, maar toepasbaar op een breder scala aan omstandigheden,
contexten of groepen. De bevindingen kunnen worden toegepast op
andere gevallen dan degene waarmee de theorie oorspronkelijk is
ontwikkeld of getest
- Objectieve waarheid: een waarheid die iedereen kan begrijpen en nadoen,
ongeacht persoonlijke meningen of overtuigingen. Iedereen moet tot
dezelfde uitkomst kunnen komen omdat we ons baseren op feiten,
waarnemingen en logica.
- Kritisch: je visie blijven uitdagen en indien nodig herdenken
- Hypothese = verwachtingen die we hebben over wat zal optreden in de
realiteit op basis va theorie. Een specifieke voorspelling die de onderzoeker
test om te zien of deze waar is of niet
, - Onderzoeksvraag = een brede algemene vraag die de richting van het
onderzoek bepaalt
- Populatie = groep waarover je iets wil zeggen
- Concept = theoretisch kenmerk waarover je iets wil zeggen, dat je wil
onderzoeken
- Variabele = vertaling van dit concept naar iets wat je kan meten (=
operationalisering concept)
- Attributen = de verschillende waarden die een variabele kan aannemen
- Manifeste variabele:
Één idee
Directe meting
Waar te nemen met één vraag
Vb: geslacht, leeftijd
- Latente variabele
Abstract idee
Geen directe meting mogelijk: wordt gedefinieerd adhv versch items
Niet rechtstreeks waar te nemen
Vb.: mentale gezondheid
- Validiteit = mate waarin een meetinstrument daadwerkelijk meet wat het
bedoeld is te meten (doeltreffendheid)
- Systematische fout = fout die zich telkens weer voordoet
- Betrouwbaarheid = de consistentie en stabiliteit van metingen over tijd,
verschillende onderozekers en vergelijkbare omstandigheden. In hoeveree
het meetinstrument herhaalbare resultaten oplevert
- Willekeurige fout = fout die zich willekeurig voordoet en gemiddeld nul is
- Standaard afwijking = gemiddelde afwijking van de waarden ten opzichte
van het gemiddelde
- Interpretatiefout = respondent interpreteert de vraag verkeerd
- Vormingsfout = respondent doet te weinig moeite om een goed antwoord
te geven
- Rapporteringsfout = respondent kan het juiste antwoord niet rapporteren
- Oordeelfout = respondent wil het juiste antwoord niet geven
- Objectiviteit = het minimaliseren vd rol die de eigen gevoelens,
prioriteiten, ervaringen en meningen van de onderzoeker spelen bij het
vormgeven van de onderzoeksresultaten
- Aggregatie van numerieke gegevens = variabelen numeriek meten en
getallen samenvoegen om aggregaten te vormen. Gegevens bundelen om
algemene uitspraken te kunnen doen
- Deductief redeneren: hypothesen worden gebaseerd op bevindingen van
eerdere onderzoeken en principes van bestaande theorieën. Pas erna
wordt data verzameld om te zien of de hypotheses bevestigd kunnen
worden
- Theorie = goed onderbouwd, gestructureerd en uitgewerkt systeem van
ideeën dat probeert een fenomeen te verklaren, en is:
Falsifieerbaar
Generaliseerbaar
Kritisch
Streeft naar objectieve waarheid
- Inductief redeneren = vertrekken vanuit data om vervolgens een theorie te
ontwikkelen
- Falsifieerbaarheid: theorie kan bewezen of weerlegd worden
- Generaliseerbaarheid: een theorie is niet beperkt tot één specifieke
situatie, maar toepasbaar op een breder scala aan omstandigheden,
contexten of groepen. De bevindingen kunnen worden toegepast op
andere gevallen dan degene waarmee de theorie oorspronkelijk is
ontwikkeld of getest
- Objectieve waarheid: een waarheid die iedereen kan begrijpen en nadoen,
ongeacht persoonlijke meningen of overtuigingen. Iedereen moet tot
dezelfde uitkomst kunnen komen omdat we ons baseren op feiten,
waarnemingen en logica.
- Kritisch: je visie blijven uitdagen en indien nodig herdenken
- Hypothese = verwachtingen die we hebben over wat zal optreden in de
realiteit op basis va theorie. Een specifieke voorspelling die de onderzoeker
test om te zien of deze waar is of niet
, - Onderzoeksvraag = een brede algemene vraag die de richting van het
onderzoek bepaalt
- Populatie = groep waarover je iets wil zeggen
- Concept = theoretisch kenmerk waarover je iets wil zeggen, dat je wil
onderzoeken
- Variabele = vertaling van dit concept naar iets wat je kan meten (=
operationalisering concept)
- Attributen = de verschillende waarden die een variabele kan aannemen
- Manifeste variabele:
Één idee
Directe meting
Waar te nemen met één vraag
Vb: geslacht, leeftijd
- Latente variabele
Abstract idee
Geen directe meting mogelijk: wordt gedefinieerd adhv versch items
Niet rechtstreeks waar te nemen
Vb.: mentale gezondheid
- Validiteit = mate waarin een meetinstrument daadwerkelijk meet wat het
bedoeld is te meten (doeltreffendheid)
- Systematische fout = fout die zich telkens weer voordoet
- Betrouwbaarheid = de consistentie en stabiliteit van metingen over tijd,
verschillende onderozekers en vergelijkbare omstandigheden. In hoeveree
het meetinstrument herhaalbare resultaten oplevert
- Willekeurige fout = fout die zich willekeurig voordoet en gemiddeld nul is
- Standaard afwijking = gemiddelde afwijking van de waarden ten opzichte
van het gemiddelde
- Interpretatiefout = respondent interpreteert de vraag verkeerd
- Vormingsfout = respondent doet te weinig moeite om een goed antwoord
te geven
- Rapporteringsfout = respondent kan het juiste antwoord niet rapporteren
- Oordeelfout = respondent wil het juiste antwoord niet geven