FUNDAMENTEN VAN LEREN & ONDERWIJZEN (P. 1-90)
LEREN (P. 1 – 28) (1)
1. INLEIDING (P. 1)
Onderwijs heeft als doel leerlingen te vorm
= ontwikkelen van:
Cognitieve & niet cognitieve leeruitkomsten
Persoonlijke ontwikkeling
Integratie van leerling in samenleving
Hiervoor is inzicht verrijst op de manier waarop leerlingen leren
Leren = duurzame verandering in denken/ handelen
Interactie met omgeving
Inwendig aspect (interne aspecten) & uitwendig aspect (observeerbaar)
Duurzaam = verdwijnt niet meteen na stopzetten
gedragsverandering door alcohol, medicatie,…
2. VERSCHILLENDE PERSPECTIEVEN OP LEREN (P. 2 – 12)
Drie inzichten over de manier waarop leren tot stand komt & bevorderd kan
worden
3 leer theoretische stromingen: behaviorisme, cognitivisme & socio-
constructivisme
BEHAVIORISME (P. 2 – 5)
Leren = blijvende verandering in gedrag door een reactie op een gebeurtenissen
i/d omgeving
Nadruk op uitwendig waarneembare gedrag
Verzet tegen psychoanalyse: onderzoeken interne gedachten & emotie
Ook wel associationisme genoemd
Verwijst naar associaties/ verbindingen die leerlingen vormen tussen
prikkels/stimuli (S) en responsen (R)
Prikkel (stimulus) reactie (respons)
- Gedrag komt voort uit reacties op prikkels in omgeving
- Wat iemand denkt of voelt is niet belangrijk voor verklaring van
gedrag
Alleen waarneembaar gedrag telt
Universeel toepasbaar (p. 3)
los van wie leert, los van wat er geleerd wordt, los van waar het plaats vindt
Stimulus -> respons komt op 2 manieren tot stand:
Klassieke conditionering
Operante conditionering
,KLASSIEKE CONDITIONERING - PAVLOV
Leren = realiseren van associaties tussen voorwaardelijke prikkel en een
voorwaardelijke reactie
Generalisatie/transfer (Bijvoorbeeld de hond begint te kwijlen bij geluiden die erop lijke)
Uitdoving/extinsie (als je prikkel tijdje niet aanbied, verdwijnt reactie)
OPERANTE CONDITIONERING - THORNDIKE
Gedrag wordt beinvloed door de gevolgen naar het gedrag:
Bekrachtiging = vaker, bestraffing = minder
“mensen en dieren leren door wat er gebeurt na hun gedrag”
Twee leerwetten Thorndike:
Law of exerice
We leren door te doen, we vergeten door niet te doen
- Law of use:
De verbinding tussen stimulus & respons wordt sterker naarmate ze vaker gebruikt
wordt
- Law of disuse
De verbinding tussen een stimulus & respons wordt zwakker als ze niet gebruikt of
geoefend wordt
Law of effect
Het gevolg van een handeling bepaalt hoe sterk de verbinding tussen
stimulus en response wordt
- Reactie gevolgd door aangename situatie sterkere verbinding
herhalen
- Reactie gevolgd door onaangename situatie zwakkere verbinding
minder
INVLOED BEHAVIORISME OP ONDERWIJS
Duidelijke observeerbare gedragsdoelen (kunnen tonen wat ze kunnen na
leren)
, Leeromgeving opgedeeld in kleine stappen: concreet waarneembaar
gedrag
Juist = onmiddellijke bekrachtiging
Herhaling automatisatie
Variatie generalisatie/ transfer
Beheersingsleer (HF 2)
COGNITIVISME (P. 5 – 10)
1960: focus veranderd van waarneembare gedrag naar mentale processen
Mentale processen staan in voor verwerven, opslaan & gebruiken van
informatie
ORGANISATIE INFORMATIEVERWERKINGSSYSTEEM
Model van Baddeley & Hitch: 3 types geheugen:
Zintuigelijk - sensorieel geheugen
Grote opslagcapaciteit, maar korte tijd opslagen
Stuurt door naar werkgeheugen
Werkgeheugen
Kenmerken
- Tijdelijke opslagplaats: minuut tot half uur langer indien
herhaling
- Capaciteit meten via backward span taken (p. 5)
- Uitbreiden via chunking (losse items in betekenisvol verband
plaatsen)
Onderdelen:
- Central executive
Controlecentrum: reguleert aandacht & stuurt informatiestroom
- Fonologische lus:
Slaat auditieve informatie op
- Visuospatiele kladblok
Zorgt voor tijdelijke opslag van visuele informatie
Na veel herhaling komt het terecht in lange termijngeheugen
Lange termijn – permanent geheugen
Kenmerken
- Onbeperkte capaciteit maar info kan wel vervagen (moeilijker
toegankelijk)
- Vergeten treedt op in overgang werkgeheugen -> lange
termijngeheugen
Declaratieve kennis (bewust oproepbare)
Kennis die je bewust kunt verwoorden, opgeslagen in declaratieve geheugen
- Oproepbaarheid hangt af van sterkte connecties & leerspoor
, - Relaties tusse kenniselementen weergegeven via propositionele
netwerken
- Subvormen:
Semantisch geheugen: begrippen, relaties, principes, feiten
Weten dat een walvis een zoogdier is
Episodisch geheugen: opslag van persoonlijke ervaringen
Herinnering aan een ontmoeting met een walvis tijdens verre bootreis
Procedurele kennis
Kennis die moeilijker onder woorden te brengen is, opgeslagen in procedurele geheugen
- Sterk geautomatiseerd, niet bewust van de handelingen
- Weergave: productionsystems (als… dan….)
KENNISCONSTRUCTIE
Cognitivisme: “kennis wordt door de lerende zelf actief geconstrueerd”
Nieuwe informatie wordt bewerkt op grond van aanwezige cognitieve
schema’s
Nadien is er koppeling tussen nieuwe informatie & bestaande
informatie
Piaget:
onderscheidt 2 complementaire mechanisme in opbouw kennis: assimilatie &
accommodatie
Kennis = cognitieve schema’s die in het geheugen worden opgebouwd
& waarin informatie op een gestructureerde wijze wordt bewaard
- Assimilatie: toevoegen van informatie aan wat je al weet, zonder dat
bestaande kennis verandert
Een kind kent het begrip hond, als het een wol ziet, denkt het ook dat dat een hond is. Het
plaatst de nieuwe ervaring in zijn bestaande idee van hond
- Accommodatie: past bestaande kennis aan omdat nieuwe info niet
past binnen wat je al weet
Gezonde cognitieve ontwikkeling vraag een evenwicht tussen
assimilatie en accommodatie
- Equilibratie:
= dankzij assimilatie & accommodatie ontstaan rijkere &
complexere kennisstructuren
PROBLEEMOPLOSSEND DENKEN
Cognitivisten bestuderen mentale fucnties zoals redeneren en
probleemoplossend denken
Evolutie onderzoekstaken:
eerste kunstmatige puzzels (torens Hanoi), nadien semantisch rijkere &
complexere taken (wiskunde, fysica,…)
Onderzoeksmethode:
Analyse van: verwoording, reactietijden, oogbeweginge,
beeldvormingstechnieken
LEREN (P. 1 – 28) (1)
1. INLEIDING (P. 1)
Onderwijs heeft als doel leerlingen te vorm
= ontwikkelen van:
Cognitieve & niet cognitieve leeruitkomsten
Persoonlijke ontwikkeling
Integratie van leerling in samenleving
Hiervoor is inzicht verrijst op de manier waarop leerlingen leren
Leren = duurzame verandering in denken/ handelen
Interactie met omgeving
Inwendig aspect (interne aspecten) & uitwendig aspect (observeerbaar)
Duurzaam = verdwijnt niet meteen na stopzetten
gedragsverandering door alcohol, medicatie,…
2. VERSCHILLENDE PERSPECTIEVEN OP LEREN (P. 2 – 12)
Drie inzichten over de manier waarop leren tot stand komt & bevorderd kan
worden
3 leer theoretische stromingen: behaviorisme, cognitivisme & socio-
constructivisme
BEHAVIORISME (P. 2 – 5)
Leren = blijvende verandering in gedrag door een reactie op een gebeurtenissen
i/d omgeving
Nadruk op uitwendig waarneembare gedrag
Verzet tegen psychoanalyse: onderzoeken interne gedachten & emotie
Ook wel associationisme genoemd
Verwijst naar associaties/ verbindingen die leerlingen vormen tussen
prikkels/stimuli (S) en responsen (R)
Prikkel (stimulus) reactie (respons)
- Gedrag komt voort uit reacties op prikkels in omgeving
- Wat iemand denkt of voelt is niet belangrijk voor verklaring van
gedrag
Alleen waarneembaar gedrag telt
Universeel toepasbaar (p. 3)
los van wie leert, los van wat er geleerd wordt, los van waar het plaats vindt
Stimulus -> respons komt op 2 manieren tot stand:
Klassieke conditionering
Operante conditionering
,KLASSIEKE CONDITIONERING - PAVLOV
Leren = realiseren van associaties tussen voorwaardelijke prikkel en een
voorwaardelijke reactie
Generalisatie/transfer (Bijvoorbeeld de hond begint te kwijlen bij geluiden die erop lijke)
Uitdoving/extinsie (als je prikkel tijdje niet aanbied, verdwijnt reactie)
OPERANTE CONDITIONERING - THORNDIKE
Gedrag wordt beinvloed door de gevolgen naar het gedrag:
Bekrachtiging = vaker, bestraffing = minder
“mensen en dieren leren door wat er gebeurt na hun gedrag”
Twee leerwetten Thorndike:
Law of exerice
We leren door te doen, we vergeten door niet te doen
- Law of use:
De verbinding tussen stimulus & respons wordt sterker naarmate ze vaker gebruikt
wordt
- Law of disuse
De verbinding tussen een stimulus & respons wordt zwakker als ze niet gebruikt of
geoefend wordt
Law of effect
Het gevolg van een handeling bepaalt hoe sterk de verbinding tussen
stimulus en response wordt
- Reactie gevolgd door aangename situatie sterkere verbinding
herhalen
- Reactie gevolgd door onaangename situatie zwakkere verbinding
minder
INVLOED BEHAVIORISME OP ONDERWIJS
Duidelijke observeerbare gedragsdoelen (kunnen tonen wat ze kunnen na
leren)
, Leeromgeving opgedeeld in kleine stappen: concreet waarneembaar
gedrag
Juist = onmiddellijke bekrachtiging
Herhaling automatisatie
Variatie generalisatie/ transfer
Beheersingsleer (HF 2)
COGNITIVISME (P. 5 – 10)
1960: focus veranderd van waarneembare gedrag naar mentale processen
Mentale processen staan in voor verwerven, opslaan & gebruiken van
informatie
ORGANISATIE INFORMATIEVERWERKINGSSYSTEEM
Model van Baddeley & Hitch: 3 types geheugen:
Zintuigelijk - sensorieel geheugen
Grote opslagcapaciteit, maar korte tijd opslagen
Stuurt door naar werkgeheugen
Werkgeheugen
Kenmerken
- Tijdelijke opslagplaats: minuut tot half uur langer indien
herhaling
- Capaciteit meten via backward span taken (p. 5)
- Uitbreiden via chunking (losse items in betekenisvol verband
plaatsen)
Onderdelen:
- Central executive
Controlecentrum: reguleert aandacht & stuurt informatiestroom
- Fonologische lus:
Slaat auditieve informatie op
- Visuospatiele kladblok
Zorgt voor tijdelijke opslag van visuele informatie
Na veel herhaling komt het terecht in lange termijngeheugen
Lange termijn – permanent geheugen
Kenmerken
- Onbeperkte capaciteit maar info kan wel vervagen (moeilijker
toegankelijk)
- Vergeten treedt op in overgang werkgeheugen -> lange
termijngeheugen
Declaratieve kennis (bewust oproepbare)
Kennis die je bewust kunt verwoorden, opgeslagen in declaratieve geheugen
- Oproepbaarheid hangt af van sterkte connecties & leerspoor
, - Relaties tusse kenniselementen weergegeven via propositionele
netwerken
- Subvormen:
Semantisch geheugen: begrippen, relaties, principes, feiten
Weten dat een walvis een zoogdier is
Episodisch geheugen: opslag van persoonlijke ervaringen
Herinnering aan een ontmoeting met een walvis tijdens verre bootreis
Procedurele kennis
Kennis die moeilijker onder woorden te brengen is, opgeslagen in procedurele geheugen
- Sterk geautomatiseerd, niet bewust van de handelingen
- Weergave: productionsystems (als… dan….)
KENNISCONSTRUCTIE
Cognitivisme: “kennis wordt door de lerende zelf actief geconstrueerd”
Nieuwe informatie wordt bewerkt op grond van aanwezige cognitieve
schema’s
Nadien is er koppeling tussen nieuwe informatie & bestaande
informatie
Piaget:
onderscheidt 2 complementaire mechanisme in opbouw kennis: assimilatie &
accommodatie
Kennis = cognitieve schema’s die in het geheugen worden opgebouwd
& waarin informatie op een gestructureerde wijze wordt bewaard
- Assimilatie: toevoegen van informatie aan wat je al weet, zonder dat
bestaande kennis verandert
Een kind kent het begrip hond, als het een wol ziet, denkt het ook dat dat een hond is. Het
plaatst de nieuwe ervaring in zijn bestaande idee van hond
- Accommodatie: past bestaande kennis aan omdat nieuwe info niet
past binnen wat je al weet
Gezonde cognitieve ontwikkeling vraag een evenwicht tussen
assimilatie en accommodatie
- Equilibratie:
= dankzij assimilatie & accommodatie ontstaan rijkere &
complexere kennisstructuren
PROBLEEMOPLOSSEND DENKEN
Cognitivisten bestuderen mentale fucnties zoals redeneren en
probleemoplossend denken
Evolutie onderzoekstaken:
eerste kunstmatige puzzels (torens Hanoi), nadien semantisch rijkere &
complexere taken (wiskunde, fysica,…)
Onderzoeksmethode:
Analyse van: verwoording, reactietijden, oogbeweginge,
beeldvormingstechnieken