DANS BOUWSTENEN
Dans is onderzoeken hoe je met je lichaam creatief kunt vormgeven en
via je bewegingen kunt communiceren. Je bewegingen zijn vaak
abstracter. Muziek is daarbij een goede ondersteuning.
1. VORM
Je kan verschillende vormen maken met je lichaam en bewegen in die
vorm. Die kunnen open, gesloten, hoekig, rond, recht, gebogen,
symmetrisch, assymetrisch, statisch, dynamisch, groot, klein,... zijn.
Je kan geïsoleerd bewegen als je beweegt met je hele lichaam of totaal
bewegen door 1 of meer lichaamsdelen te bewegen.
Je kan verplaatsend bewegen. Dan is er sprake van
gewichtsverplaatsing. Je kan dit doen door te wandelen, rennen,
huppelen, hinkelen, rollen, glijden, kruipen,... Als je ter
plaatse beweegt is er geen gewichtsverplaatsing. Het kan gaan om
bewegingen van het hele lichaam of een deel ervan zoals voorover buigen,
strekken, draaien, zwaaien,...
2. RUIMTE
-> richting: Je beweegt vooruit, achteruit, zijwaarts of diagonaal.
-> ruimtelagen: Laag (bij de grond, floorwork), in het midden (op
ooghoogte) of hoog. Je gaat over van de ene naar de andere ruimtelaag.
-> vloerpatroon: Je legt een weg af in rechte lijnen (alsof je op een koord
danst) of gebogen lijnen: zigzag, slingerend, in cirkels … Je maakt
patronen op
de vloer of in denkbeeldige vlakken in de lucht.
-> plaats / opstelling: Je neemt een plaats in in de ruimte (in het midden,
aan de kant,..) en je legt een afstand af tijdens de bewegingen: geen
afstand
(ter plaatse buigen, strekken, draaien) of een korte of lange afstand (door
de
ruimte lopen, springen, schuiven). Je neemt een positie in tegenover
andere
dansers: kriskras, per 2, in een lijn/kring, achter elkaar in een slinger (alsof
jullie
stukjes zijn van een duizendpoot), naar elkaar gericht of weg van elkaar …
3. TIJD
-> tempo: traag of snel bewegen of iets daartussenin
Dans is onderzoeken hoe je met je lichaam creatief kunt vormgeven en
via je bewegingen kunt communiceren. Je bewegingen zijn vaak
abstracter. Muziek is daarbij een goede ondersteuning.
1. VORM
Je kan verschillende vormen maken met je lichaam en bewegen in die
vorm. Die kunnen open, gesloten, hoekig, rond, recht, gebogen,
symmetrisch, assymetrisch, statisch, dynamisch, groot, klein,... zijn.
Je kan geïsoleerd bewegen als je beweegt met je hele lichaam of totaal
bewegen door 1 of meer lichaamsdelen te bewegen.
Je kan verplaatsend bewegen. Dan is er sprake van
gewichtsverplaatsing. Je kan dit doen door te wandelen, rennen,
huppelen, hinkelen, rollen, glijden, kruipen,... Als je ter
plaatse beweegt is er geen gewichtsverplaatsing. Het kan gaan om
bewegingen van het hele lichaam of een deel ervan zoals voorover buigen,
strekken, draaien, zwaaien,...
2. RUIMTE
-> richting: Je beweegt vooruit, achteruit, zijwaarts of diagonaal.
-> ruimtelagen: Laag (bij de grond, floorwork), in het midden (op
ooghoogte) of hoog. Je gaat over van de ene naar de andere ruimtelaag.
-> vloerpatroon: Je legt een weg af in rechte lijnen (alsof je op een koord
danst) of gebogen lijnen: zigzag, slingerend, in cirkels … Je maakt
patronen op
de vloer of in denkbeeldige vlakken in de lucht.
-> plaats / opstelling: Je neemt een plaats in in de ruimte (in het midden,
aan de kant,..) en je legt een afstand af tijdens de bewegingen: geen
afstand
(ter plaatse buigen, strekken, draaien) of een korte of lange afstand (door
de
ruimte lopen, springen, schuiven). Je neemt een positie in tegenover
andere
dansers: kriskras, per 2, in een lijn/kring, achter elkaar in een slinger (alsof
jullie
stukjes zijn van een duizendpoot), naar elkaar gericht of weg van elkaar …
3. TIJD
-> tempo: traag of snel bewegen of iets daartussenin