OEFENEXAMEN 2
COMMUNICATIEWETENSCHAPPEN I
DEEL 1 – MEERKEUZEVRAGEN (40)
1. Waarom wordt communicatiewetenschappen soms een “jonge
discipline” genoemd?
a) Omdat communicatie pas recent bestaat
b) Omdat media pas sinds het internet bestaan
c) Omdat de discipline pas na WOII werd geïnstitutionaliseerd
d) Omdat er geen klassieke theorieën zijn
e) Omdat ze geen eigen methodologie heeft
2. Welke gebeurtenis gaf een sterke impuls aan de ontwikkeling van
communicatiewetenschappelijk onderzoek?
a) De industriële revolutie
b) De Franse Revolutie
c) De Eerste Wereldoorlog
d) De Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog
e) De digitalisering
3. Wilbur Schramm is vooral belangrijk omdat hij:
a) de massamaatschappijtheorie ontwikkelde
b) het eerste communicatiemodel opstelde
c) communicatiewetenschappen institutioneel vormgaf
d) encoding-decoding introduceerde
e) mediagebruik onderzocht
4. Het dominante mainstream paradigma na WOII was vooral:
a) kritisch en marxistisch
b) administratief en empirisch
c) cultureel en kwalitatief
d) normatief en filosofisch
e) technologisch deterministisch
5. Welke combinatie past bij administrative research?
a) Theoretisch – normatief
b) Kritisch – ideologisch
c) Empirisch – kwantitatief
d) Cultureel – kwalitatief
e) Interpretatief – actiegericht
, 6. Wat kenmerkt het kritische paradigma het sterkst?
a) Focus op effectiviteit
b) Acceptatie van de status quo
c) In vraag stellen van machtsverhoudingen
d) Positivistische methode
e) Korte termijn effecten
7. Welke theorie is duidelijk structuurgericht?
a) Cognitieve dissonantie
b) Symbolisch interactionisme
c) Cultuurindustrie
d) Etnomethodologie
e) Encoding-decoding
8. De analyse van massamedia door Adorno en Horkheimer is vooral:
a) optimistisch
b) functioneel
c) emanciperend
d) pessimistisch en kritisch
e) technologisch
9. Welke uitspraak past het best bij functionalisme?
a) Media veroorzaken klassenstrijd
b) Media verstoren de sociale orde
c) Media dragen bij aan stabiliteit en cohesie
d) Media zijn ideologisch misleidend
e) Media zijn puur commercieel
10. Wat bedoelt men met status quo in functionele theorieën?
a) Permanente verandering
b) Sociale chaos
c) Bestaande maatschappelijke orde
d) Economische crisis
e) Culturele diversiteit
11. Wat is een belangrijk kenmerk van lineaire communicatiemodellen?
a) Feedback staat centraal
b) Context is doorslaggevend
c) Zender heeft een actieve rol
COMMUNICATIEWETENSCHAPPEN I
DEEL 1 – MEERKEUZEVRAGEN (40)
1. Waarom wordt communicatiewetenschappen soms een “jonge
discipline” genoemd?
a) Omdat communicatie pas recent bestaat
b) Omdat media pas sinds het internet bestaan
c) Omdat de discipline pas na WOII werd geïnstitutionaliseerd
d) Omdat er geen klassieke theorieën zijn
e) Omdat ze geen eigen methodologie heeft
2. Welke gebeurtenis gaf een sterke impuls aan de ontwikkeling van
communicatiewetenschappelijk onderzoek?
a) De industriële revolutie
b) De Franse Revolutie
c) De Eerste Wereldoorlog
d) De Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog
e) De digitalisering
3. Wilbur Schramm is vooral belangrijk omdat hij:
a) de massamaatschappijtheorie ontwikkelde
b) het eerste communicatiemodel opstelde
c) communicatiewetenschappen institutioneel vormgaf
d) encoding-decoding introduceerde
e) mediagebruik onderzocht
4. Het dominante mainstream paradigma na WOII was vooral:
a) kritisch en marxistisch
b) administratief en empirisch
c) cultureel en kwalitatief
d) normatief en filosofisch
e) technologisch deterministisch
5. Welke combinatie past bij administrative research?
a) Theoretisch – normatief
b) Kritisch – ideologisch
c) Empirisch – kwantitatief
d) Cultureel – kwalitatief
e) Interpretatief – actiegericht
, 6. Wat kenmerkt het kritische paradigma het sterkst?
a) Focus op effectiviteit
b) Acceptatie van de status quo
c) In vraag stellen van machtsverhoudingen
d) Positivistische methode
e) Korte termijn effecten
7. Welke theorie is duidelijk structuurgericht?
a) Cognitieve dissonantie
b) Symbolisch interactionisme
c) Cultuurindustrie
d) Etnomethodologie
e) Encoding-decoding
8. De analyse van massamedia door Adorno en Horkheimer is vooral:
a) optimistisch
b) functioneel
c) emanciperend
d) pessimistisch en kritisch
e) technologisch
9. Welke uitspraak past het best bij functionalisme?
a) Media veroorzaken klassenstrijd
b) Media verstoren de sociale orde
c) Media dragen bij aan stabiliteit en cohesie
d) Media zijn ideologisch misleidend
e) Media zijn puur commercieel
10. Wat bedoelt men met status quo in functionele theorieën?
a) Permanente verandering
b) Sociale chaos
c) Bestaande maatschappelijke orde
d) Economische crisis
e) Culturele diversiteit
11. Wat is een belangrijk kenmerk van lineaire communicatiemodellen?
a) Feedback staat centraal
b) Context is doorslaggevend
c) Zender heeft een actieve rol