DIERENZORG NIEUWE
GEZELSCHAPSDIEREN
H1 VISSEN
INLEIDING
Aangepast aan het leven in water: zoet of zout water
ALGEMENE KENMERKEN V AN KRAAKBEENVISSEN E N BEENVISSEN
Kraakbeenvissen:
Kraakbenig skelet
Vinnen = huidplooien welke gesteund worden door vinstralen borst- en buikvinnen gepaard;
rugvinnen, anale en caudale vin ongepaard
Huid is bedekt met plakoiedschubben
Poikilotherm = interne lichaamstemperatuur kan sterk variëren en is afhankelijk van de temperatuur
van de omgeving
Geen zwemblaas (beenvissen wel zwemblaas)
Spuitgat tussen oog en eerste kieuw
2 rijen tanden in mondholte
Bij mannelijke dieren is achterste deel van de buikvinnen omgevormd tot copulatieorgaan
Aangepast aquaria
Vb. haaien, roggen en draakvissen
Beenvissen:
Primitieve beenvissen bezaten longen, deze stelden de vissen in staat om onafhankelijk van kieuwen
adem te halen als het water waarin ze leefden tijdelijk droogviel
2 groepen:
- Kwastvinnigen:
Longvissen: hebben 1 of 2 longen
Coelacanthen
Hebben soort van “pootjes” waarmee ze over de bodem van de zee “kruipen”
, - Straalvinnigen:
Stralen in de vinnen
Kieuwen
30.000 soorten
Vb. karper
Algemene kenmerken beenvissen:
- Ademhaling door kieuwen, welke naar buiten afgedekt worden door een kieuwdeksel
- Kunnen a.d.h.v. kieuwen zuurstof uit het water opnemen in het lichaam
- Huid wordt beschermd door schubben
- Zwemblaas aanwezig
- Slijmhuid
- Poikilotherm = interne lichaamstemperatuur kan sterk variëren en is afhankelijk van de
temperatuur van de omgeving
- Leefmilieu: water
Zoet – zout – brakwater (vermenging zoet en zout water vb. Mangroven gebieden en
gebied waar rivier uitmondt in de zee)
Sommige soorten zijn in bepaalde levensstadia aan beide soorten water aangepast vb.
wanneer ze eitjes leggen
Als je zoetwatervissen in zout water legt, gaan die sterven en andersom
ANATOMIE EN FYSIOLOG IE
Huid:
Opgebouwd uit schubben die als dakpannen over elkaar liggen
Essentieel als primair afweerorgaan tegen binnendringen van ziektekiemen of tegen inwerking van
schadelijke stoffen uit omgeving
Speelt ook belangrijke rol bij gewaarwording van drukverschillen en waterbewegingen
Belangrijke functies m.b.t. uitwisseling van vocht en ionen, ademhaling en uitscheiding van stoffen
Slijmlaag/cuticula = beschermend
- Afweer: bacteriedodend en schimmelwerend
- Regulatie van vochtbalans
- Verminderen wrijvingsweerstand
- Bescherming tegen afslijting
Als vis aanvoelt als schuurpapier maakt hij te weinig slijm aan, als vis te slijmerig aanvoelt maakt hij te
veel slijm aan en dit kan wijzen op en probleem in waterhuishouding of de aanwezigheid van een
parasiet
Huid – 3 lagen:
1. Opperhuid/epidermis:
2. Lederhuid/dermis
3. Onderhuid/hypodermis: losse vetrijke weefsellaag, verbindt de huid met onderliggende
structuren zoals spieren
Schubben zijn van dermale oorsprong, komen uit de dermis
Bij schubverlies wonde tot in dermis
, Boven de schubben zien we bolletjes nl. groeicirkels, het zegt iets over de groei en de levensloop van
de dieren
Kraakbeenvissen hebben placoiedschubben, dit zijn ruitvormige benige plaatjes met een naar achter
toe gebogen tand. De schubben zijn opgebouwd uit dentine bedekt met een laagje glazuur.
Beenvissen: schubben liggen in dermis en bestaan uit dood materiaal. De levende laag die de
schubben bedekt kan zo dik zijn dat men de schubben bijna niet meer kan zien.
Als een vis groeit zullen er geen schubben bijgevormd worden maar zullen de schubben vergroten en
dus aangroeien. Door het aangroeien van schubben krijgt met groeiringen op de schubben
Skelet:
Vissen bezitten geen hals
Skelet opgedeeld in 3 delen: wervelkolom, schedel en vinnen
Vinnen:
, - Doel: voortbeweging en sturing
- Onpare of verticale vinnen:
Rugvin: om zich mooi rechtop te houden in het water
Anaalvin
Staartvin: zorgt ervoor dat het dier gemakkelijk door het water kan klieven, hoe kleiner
de staartvin hoe sneller de vis
Vetvin
- Pare vinnen:
Borstvinnen: voor zijdelingse beweging en wendingen van de vis, om op de bodem naar
voedsel te woelen
Buikvinnen: dienen om het draagoppervlak van de vis te vergroten
- Adaptatie per soort vb. zeepaardjes hebben andere soort vin die veel sterker ontwikkeld is en
dient als soort propeller
- Aan de hand van de vinnen kunnen we een geslachtsbepaling doen vb. mannetjes zijn kleurrijker
Zintuigen:
Ogen:
- Geen oogleden
- Geen traanklieren
- Iris van vis kan bijna niet bewegen, want lichtsterkte in het water is zelden zeer groot waardoor
iris steeds max. moet geopend zijn
- Lens van vis is kogelvormig
Geur en smaak:
- Neusgaten bevatten zintuigcellen, om geuren waar te kunnen nemen zijn deze zintuigcellen via
zenuwstelsel verbonden met hersenen
GEZELSCHAPSDIEREN
H1 VISSEN
INLEIDING
Aangepast aan het leven in water: zoet of zout water
ALGEMENE KENMERKEN V AN KRAAKBEENVISSEN E N BEENVISSEN
Kraakbeenvissen:
Kraakbenig skelet
Vinnen = huidplooien welke gesteund worden door vinstralen borst- en buikvinnen gepaard;
rugvinnen, anale en caudale vin ongepaard
Huid is bedekt met plakoiedschubben
Poikilotherm = interne lichaamstemperatuur kan sterk variëren en is afhankelijk van de temperatuur
van de omgeving
Geen zwemblaas (beenvissen wel zwemblaas)
Spuitgat tussen oog en eerste kieuw
2 rijen tanden in mondholte
Bij mannelijke dieren is achterste deel van de buikvinnen omgevormd tot copulatieorgaan
Aangepast aquaria
Vb. haaien, roggen en draakvissen
Beenvissen:
Primitieve beenvissen bezaten longen, deze stelden de vissen in staat om onafhankelijk van kieuwen
adem te halen als het water waarin ze leefden tijdelijk droogviel
2 groepen:
- Kwastvinnigen:
Longvissen: hebben 1 of 2 longen
Coelacanthen
Hebben soort van “pootjes” waarmee ze over de bodem van de zee “kruipen”
, - Straalvinnigen:
Stralen in de vinnen
Kieuwen
30.000 soorten
Vb. karper
Algemene kenmerken beenvissen:
- Ademhaling door kieuwen, welke naar buiten afgedekt worden door een kieuwdeksel
- Kunnen a.d.h.v. kieuwen zuurstof uit het water opnemen in het lichaam
- Huid wordt beschermd door schubben
- Zwemblaas aanwezig
- Slijmhuid
- Poikilotherm = interne lichaamstemperatuur kan sterk variëren en is afhankelijk van de
temperatuur van de omgeving
- Leefmilieu: water
Zoet – zout – brakwater (vermenging zoet en zout water vb. Mangroven gebieden en
gebied waar rivier uitmondt in de zee)
Sommige soorten zijn in bepaalde levensstadia aan beide soorten water aangepast vb.
wanneer ze eitjes leggen
Als je zoetwatervissen in zout water legt, gaan die sterven en andersom
ANATOMIE EN FYSIOLOG IE
Huid:
Opgebouwd uit schubben die als dakpannen over elkaar liggen
Essentieel als primair afweerorgaan tegen binnendringen van ziektekiemen of tegen inwerking van
schadelijke stoffen uit omgeving
Speelt ook belangrijke rol bij gewaarwording van drukverschillen en waterbewegingen
Belangrijke functies m.b.t. uitwisseling van vocht en ionen, ademhaling en uitscheiding van stoffen
Slijmlaag/cuticula = beschermend
- Afweer: bacteriedodend en schimmelwerend
- Regulatie van vochtbalans
- Verminderen wrijvingsweerstand
- Bescherming tegen afslijting
Als vis aanvoelt als schuurpapier maakt hij te weinig slijm aan, als vis te slijmerig aanvoelt maakt hij te
veel slijm aan en dit kan wijzen op en probleem in waterhuishouding of de aanwezigheid van een
parasiet
Huid – 3 lagen:
1. Opperhuid/epidermis:
2. Lederhuid/dermis
3. Onderhuid/hypodermis: losse vetrijke weefsellaag, verbindt de huid met onderliggende
structuren zoals spieren
Schubben zijn van dermale oorsprong, komen uit de dermis
Bij schubverlies wonde tot in dermis
, Boven de schubben zien we bolletjes nl. groeicirkels, het zegt iets over de groei en de levensloop van
de dieren
Kraakbeenvissen hebben placoiedschubben, dit zijn ruitvormige benige plaatjes met een naar achter
toe gebogen tand. De schubben zijn opgebouwd uit dentine bedekt met een laagje glazuur.
Beenvissen: schubben liggen in dermis en bestaan uit dood materiaal. De levende laag die de
schubben bedekt kan zo dik zijn dat men de schubben bijna niet meer kan zien.
Als een vis groeit zullen er geen schubben bijgevormd worden maar zullen de schubben vergroten en
dus aangroeien. Door het aangroeien van schubben krijgt met groeiringen op de schubben
Skelet:
Vissen bezitten geen hals
Skelet opgedeeld in 3 delen: wervelkolom, schedel en vinnen
Vinnen:
, - Doel: voortbeweging en sturing
- Onpare of verticale vinnen:
Rugvin: om zich mooi rechtop te houden in het water
Anaalvin
Staartvin: zorgt ervoor dat het dier gemakkelijk door het water kan klieven, hoe kleiner
de staartvin hoe sneller de vis
Vetvin
- Pare vinnen:
Borstvinnen: voor zijdelingse beweging en wendingen van de vis, om op de bodem naar
voedsel te woelen
Buikvinnen: dienen om het draagoppervlak van de vis te vergroten
- Adaptatie per soort vb. zeepaardjes hebben andere soort vin die veel sterker ontwikkeld is en
dient als soort propeller
- Aan de hand van de vinnen kunnen we een geslachtsbepaling doen vb. mannetjes zijn kleurrijker
Zintuigen:
Ogen:
- Geen oogleden
- Geen traanklieren
- Iris van vis kan bijna niet bewegen, want lichtsterkte in het water is zelden zeer groot waardoor
iris steeds max. moet geopend zijn
- Lens van vis is kogelvormig
Geur en smaak:
- Neusgaten bevatten zintuigcellen, om geuren waar te kunnen nemen zijn deze zintuigcellen via
zenuwstelsel verbonden met hersenen