PSYCHOLOGIE
1ste Bachelor Psychologie
FRANK VAN OVERWALLE
,1
, Inhoudsopgave
DEEL 1: INLEIDING TOT DE SOCIALE PSYCHOLOGIE .................................................. 6
1. Wat is sociale psychologie? ................................................................................ 6
1.1 Sociale psychologie, wetenschap en gezond verstand .................................... 6
1.2 Sociale psychologie en het verband met verwante disciplines ......................... 7
2. De kracht van de situatie .................................................................................... 8
2.1 De fundamentele attributiefout ofwel de correspondentievertekening ............. 8
3. De kracht van sociale invloeden ......................................................................... 9
4. Waar constructies vandaan komen: menselijke basismotieven............................. 9
5. Sociale psychologie en sociale problemen ........................................................ 10
DEEL 2: METHODOLOGIE: HOE DOEN SOCIAAL PSYCHOLOGEN ONDERZOEK? ........ 12
1. Sociale psychologie: een empirische wetenschap ............................................. 12
1.1 Hypotheses en theorieën formuleren ........................................................... 12
2. De observationele methode: sociaal gedrag beschrijven .................................... 13
3. De correlationele methode: sociaal gedrag voorspellen ..................................... 14
4. De experimentele methode: causale vragen beantwoorden ................................ 15
4.1 Onafhankelijke en afhankelijke variabelen ................................................... 15
4.2 Interne validiteit in experimenten ................................................................ 16
4.3 Externe validiteit in experimenten ................................................................ 17
4.4 Fundamenteel versus toegepast onderzoek ................................................. 18
5. Nieuwe ontwikkelingen in het sociaalpsychologisch onderzoek .......................... 18
5.1 Cultuur en sociale psychologie ................................................................... 18
6. Ethische thema’s in de sociale psychologie ....................................................... 19
6.1 Fraude in de sociale psychologie ................................................................. 19
DEEL 3: SOCIALE COGNITIE: HOE WE DENKEN OVER DE SOCIALE WERELD .............. 20
1. De sociale denker: 2 soorten sociaal denken ..................................................... 20
2. Automatisch denken met schema’s: mensen als latagse theoretici ..................... 20
2.1 Het belang en het risico van schema’s ......................................................... 21
2.2 Welke schema’s gebruiken we? Toegankelijkheid en eenming ........................ 22
2.3 De hardnekkigheid van weerlegde schema’s: het perseveratie – effect ........... 23
2.4 Schema’s die zichzelf waarmaken: de selffulfilling prophecy ......................... 24
3. Soorten automatisch denken ........................................................................... 24
2
, 3.1 Automatisch doelen nastreven en beslissen ................................................ 24
3.2 Onbewuste metaforen ................................................................................ 25
3.3 Mentale strategieën en shortcuts: beoordelingsheuristieken ......................... 25
3.4 Invloed van cultuur op automatisch sociaal denken: holistisch vs analytisch . 26
5. Gecontroleerde sociale cognitie: bewust denken............................................... 27
5.1 Gecontroleerd denken en vrije wil ............................................................... 27
5.2 Het verleden mentaal ongedaan maken: contra feitelijk denken .................... 28
5.3 Gedachteonderdrukking ............................................................................. 28
5.4 Beter leren denken ..................................................................................... 29
DEEL 4: SOCIALE PERCEPTIE: HOE WE MENSEN WAARNEMEN EN BEGRIJPEN .......... 30
1. Non – verbale communicatie ............................................................................ 30
1.1 Gezichtsuitdrukkingen van emoties ............................................................. 31
1.2 Cultuur en de vormen van non – verbale communicatie ................................ 32
2. Eerste indrukken: snel en hardnekkig ................................................................ 32
3. Causale attributie: het beantwoorden van het waarom ...................................... 34
3.1 De aard van het attributieproces ................................................................. 34
3.2 Het covariatiemodel: interne vs externe attributies ....................................... 35
3.3 De fundamentele attributiefout: de mens als persoonlijkheidspsycholoog ..... 36
3.4 Zelfdienende attributies.............................................................................. 39
3.5 De ‘blinde vlek’ – bias ................................................................................. 39
4. Cultuur en sociale psychologie......................................................................... 40
DEEL 5: HET ZELF: ONSZELF BEGRIJPEN IN EEN SOCIALE CONTEXT ......................... 41
1. De oorsprong en aard van het zelfconcept ......................................................... 41
1.1 Culturele invloeden op het zelfconcept ........................................................ 42
1.2 Functies van het zelf ................................................................................... 42
2. Zelfkennis ....................................................................................................... 42
2.1 Zelfkennis door middel van introspectie....................................................... 42
2.2 Zelfkennis door middel van zelfobservatie.................................................... 45
2.3 Andere mensen gebruiken om zelfkennis op te doen ..................................... 49
3. Zelfcontrole: de uitvoerende functie van het zelf ................................................ 52
4. Impressiemanagement: de wereld is een schouwtoneel .................................... 53
4.1 Strategieën voor impressiemanagement: vleien en zelfsabotage ................... 53
3
, 4.2 Cultuur, impressiemanagement en zelfverbetering ....................................... 54
5. Zelfwaardering: hoe we over onszelf denken ...................................................... 54
5.1 Angstmanagementtheorie en self – efficacy ................................................. 54
5.2 Narcisme en de gevaren van te veel zelfwaardering ...................................... 54
DEEL 6: COGNITIEVE DISSONANTIE, BEHOEFTE ONS ZELFBEELD TE BESCHERMEN .. 55
1. Een stabiel, positief zelfbeeld in stand houden .................................................. 55
1.1 Cognitieve dissonantietheorie ..................................................................... 55
1.2 Beslissingen, beslissingen en nog eens beslissingen .................................... 56
1.3 Dissonantie in verschillende culturen .......................................................... 57
2. Zelfrechtvaardiging .......................................................................................... 58
2.1 Je inspanningen rechtvaardigen .................................................................. 58
2.2 Contra – attitude gedrag ............................................................................. 59
3. Nieuwe inzichten in en uitbreidingen van de cognitieve dissonantietheorie .......... 64
3.1 Zelfbevestigingstheorie............................................................................... 64
3.2 Dissonantie in hechte relaties: de zelfevaluatie onderhoudstheorie ............... 64
3.3 Cognitieve dissonantie in relatie tot extreem gedrag en wreedheden .............. 65
DEEL 7: ATTITUDES – EN VERANDERING: GEDACHTEN, GEVOELENS BEÏNVLOEDEN .. 66
1. De aard en oorsprong van attitudes .................................................................. 66
1.1 Hoe ontstaan attitudes? ............................................................................. 67
1.2 Expliciete versus impliciete attitudes........................................................... 68
2. Attitudes en het voorspellen van gedrag ............................................................ 69
2.1 Spontaan gedrag voorspellen ...................................................................... 69
2.2 Gepland gedrag voorspellen ....................................................................... 69
3. Attitudeverandering ......................................................................................... 71
3.1 Attitudes veranderen door gedrag te veranderen, opnieuw de CDT ................. 71
3.2 Persuasieve communicatie en attitudeverandering ....................................... 71
3.3 Emotie en attitudeverandering .................................................................... 73
3.4 Attitudeverandering en het lichaam ............................................................. 76
4. De macht van reclame ..................................................................................... 77
4.1 Hoe werkt reclame? ................................................................................... 77
4.2 Subliminale reclame .................................................................................. 77
4.3 Reclame, stereotype en cultuur .................................................................. 77
4
, 5. Persuasieve boodschappen weerstaan ............................................................. 78
5.1 Inenten tegen attitudeverandering ............................................................... 78
5.2 Alert zijn op sluikreclame ............................................................................ 78
5.3 Als persuasieve pogingen averechts werken: reactantietheorie ..................... 79
ATTRIBUTIES: HET WAAROM VAN HET GEDRAG ........................................................ 80
1. Fundamenten van attributie ............................................................................. 80
2. Attributie en motivatie ..................................................................................... 87
3. Attributie en klinische toepassingen ................................................................. 90
4. Attributie en relaties ........................................................................................ 95
HET SOCIALE BREIN ............................................................................................... 97
1. Spiegelsysteem voor lichaamsaflezing .............................................................. 97
2. Mentalizing system for mind reading ................................................................100
5
, DEEL 1: INLEIDING TOT DE SOCIALE PSYCHOLOGIE
1. Wat is sociale psychologie?
psychologie
De wetenschap van het gedrag en het innerlijk leven van mensen.
sociale psychologie
De wetenschappelijke studie naar hoe gedachten, gedragingen en gevoelens worden
beïnvloed door feitelijke, ingebeelde of impliciete aanwezigheid van andere personen.
Waarom helpen mensen niet?
Bvb: Er wordt een jongen gepest en in elkaar geslagen. Iedereen zit te filmen en
niemand helpt de jongen. (= bystander effect)
Hoe meer mensen er zijn, hoe minder geneigd we zijn om te helpen.
sociale invloed
Het effect dat woorden, handelingen of alleen al de aanwezigheid van andere mensen
hebben op onze gedachten, gevoelens, houding of gedrag.
bvb: reclame of groepsdruk
Anderen kunnen ons op 2 manieren beïnvloeden:
direct
Door ons te overtuigen.
indirect
Door hun aanwezigheid en de overdracht van culturele waarden.
1.1 Sociale psychologie, wetenschap en gezond verstand
Hoe kunnen we anders sociale invloed begrijpen?
EXPERIMENT
(1) persoon die waarschijnlijk zou meedoen met een bloedinzamelingsactie
(2) persoon die waarschijnlijk niet zou meedoen met een bloedinzamelingsactie
Beeld je in dat persoon (1) en persoon (2) de avond van tevoren gebeld worden en een
kaart opgestuurd krijgen met uitleg waar ze bloed kunnen geven.
Hoeveel kans is er dat ze meedoen?
A 1:
A 2:
Beeld je in dat persoon (1) en persoon (2) NIET worden opgebeld en geen kaart krijgen.
Hoeveel kans is er dat ze meedoen?
6
,B 1:
B 2:
effect van persoonlijkheid
((A1 – A2) + (B1 – B2)) / 2
effect van situatie
((A1 – B1) + (A2 – B2)) / 2
!! Het effect van de situatie is meer van belang dan de persoonlijkheid.
We kunnen sociale invloed begrijpen via journalisten, instant experts en sociale critici.
Maar dit is niet wetenschappelijk.
Sociale psychologie verschilt van filosofie omdat het een empirisch veld is.
Filosofie kan interessante vragen opwekken, maar psychologen moeten het antwoord geven.
Sociale psychologie onderscheidt zich van andere sociale wetenschappen door de
nadruk op persoonlijke interpretaties van mensen.
Mensen zijn niet altijd bewust van de oorsprong van hun gedachten of gedrag.
Bvb: We vertellen meer dan dat we weten.
oversimplificeerd & tegenstrijdig
Hoe bepaal je wie er gelijk heeft?
Mensen denken simpel over oorzaken en gevolg, daardoor moeilijk om te weten wat correct is.
Hoe weten we welke filosofische visie waar is of niet? Bijvoorbeeld:
Decard
“Info komt binnen en we kiezen op dat moment of het waar of niet waar is.”
Spinoza
“Info komt binnen en het is altijd waar. Soms denken we eens dat het niet waar is.”
1.2 Sociale psychologie en het verband met verwante disciplines
evolutionaire psychologie
Wetenschappelijke discipline die sociaal gedrag probeert te verklaren op basis van
erfelijke factoren die zich door de tijd heen hebben ontwikkeld volgens de principes
van natuurlijke selectie.
sociologie
De wetenschappelijke studie van de maatschappij en haar interne verhoudingen,
processen en structuren.
7
,sociale psychologie
De wetenschappelijke studie naar hoe gedachten, gedragingen en gevoelens worden
beïnvloed door feitelijke, ingebeelde of impliciete aanwezigheid van andere personen.
persoonlijkheidspsychologie
De wetenschappelijke studie dat de kenmerken die individuen uniek en verschillend
van elkaar maken bestudeerd.
natuurlijke selectie
Het verschijnsel dat in de evolutie sommige organismen uit een bepaalde populatie
beter in hun omgeving passen en zo meer kans hebben om te zorgen voor overlevende
nakomelingen dan minder goed aangepaste organismen.
sociale psychologie vergeleken met persoonlijkheidspsychologie
Focus op individuele verschillen, gedefinieerd als de aspecten van de persoonlijkheid
van mensen die hen anders maken dan andere mensen.
sociale psychologie vergeleken met andere sociale wetenschappen
sociale psychologie
Het individu in een sociale context en welke algemene wetten of eigenschappen
sociaal gedrag bepalen, ongeacht sociale klasse of cultuur.
sociale wetenschappen
Brede maatschappelijke, economische, politieke & historische factoren.
2. De kracht van de situatie
2.1 De fundamentele attributiefout ofwel de correspondentievertekening
de fundamentele attributiefout
De neiging om de rol van eigenschappen te overschatten en de rol van de situatie te
onderschatten bij het bepalen van het gedrag van mensen.
De naam van het spel maakt hier het verschil. Bij de naam ‘community game’ ben je
meer geneigd om coöperatief te werken dan bij de naam ‘wall street’.
8
, 3. De kracht van sociale invloeden
EXPERIMENT (examenvraag)
Een man stapt de lift binnen. Bij de binnenkomst staan al de mensen met hun rug naar
de deur. De man doet dit gedrag na. De personen in de lift draaien zich, en de man
draait mee.
De subjectiviteit van de sociale situatie
behaviorisme
Een stroming die de psychologie ziet als de wetenschap van het zintuiglijk
waarneembare. Ze gaan ervan uit dat al het gedrag verklaard kan worden adhv
beloningen en straffen.
Sluit cognitie, denken, voelen of elk ander “vaag” mentalistisch concept uit.
gestaltpsychologie
Een psychologische stroming die het belang benadrukt van het bestuderen van de
subjectieve manier waarop objecten verschijnen in de hoofden van mensen, in plaats
van de objectieve, fysieke kenmerken van het object.
“Het geheel is meer dan de som van het aantal delen.”
Kurt Lewin paste Gestalt-principes toe op sociaal gedrag.
naïef realisme
De neiging om te geloven dat je eigen standpunt de ‘waarheid’ is.
In een conflict geloof je dan dat anderen het bij het verkeerde eind hebben en
bevooroordeeld zijn.
4. Waar constructies vandaan komen: menselijke basismotieven
mensen hebben een primaire behoefte om:
▪ zich goed te voelen over zichzelf (positieve zelfwaardering)
▪ zo nauwkeurig mogelijk te zijn
de eigenwaarde benadering: de behoefte om zich goed te voelen over onszelf
eigenwaarde
Hoe we onszelf waarderen en waarnemen. Het is gebaseerd op onze meningen en
overtuigingen over onszelf, die moeilijk te veranderen kunnen zijn.
Volgens de evolutionaire psychologie is eigenwaarde geworteld in iemands behoefte
aan een positieve sociale reputatie, die nodig is voor samenwerking en dus om te
overleven. Maar dat kan ook leiden tot vervorming van de werkelijkheid.
Strenge initiatie van studenten kan leiden tot meer houden van: om zich geen dwaas te
voelen, rechtvaardigen mensen hun beslissing door hun ervaring positief te
vervormen.
9