LawstudentatVUB 2025-26
Constitutioneel recht van de Europese Unie – Hoorcollege 13 oktober 2025
MODULE 0: PRAKTISCH
Organisatie colleges en lesmethode
Evaluatie: mondeling examen en paper
MODULE 1: HET INTEGRATIEPROCES
A. Het Europees integratieproces (iets) anders bekeken
1. Wat is de Unie?
1.1. Sui generis
• De meeste auteurs omschrijven de Europese Unie als een “sui generis” rechtsorde — letterlijk: van een
eigen soort of uniek in zijn soort.
• Dit betekent dat de EU niet volledig vergelijkbaar is met:
o Een klassieke internationale organisatie (zoals de VN of de Raad van Europa),
o Maar ook niet met een federale staat.
• De EU heeft eigenschappen van beide:
o Ze is opgericht door Verdragen tussen Staten (intergouvernementeel element),
o Maar beschikt over een eigen rechtsorde, autonome instellingen, en rechtstreekse werking van
EU-recht (supranationaal element).
Voorbeeld in rechtspraak:
• Van Gend en Loos (1963): Het HvJ EU erkende dat de EU een “nieuwe rechtsorde van het internationale
recht” vormt, waarin burgers dragers van rechten en verplichtingen zijn.
• Costa/ENEL (1964): Het HvJ EU bevestigde de autonomie en voorrang van EU-recht.
1.2. Robert Schütze: “a process”
• De rechtsgeleerde Robert Schütze ziet de EU niet als een statisch gegeven, maar als een voortdurend
proces van constitutionele evolutie.
• Volgens hem is de Unie: “A process, a journey to an unknown destination”
→ Ze bevindt zich tussen confederatie en federatie, zonder vast eindpunt.
• De integratie is dynamisch, politiek gevoelig, en open voor verdere verdieping of terugtrekking (zoals
Brexit).
Interpretatie:
• De EU is niet ontworpen met een eindmodel (zoals een federale staat),
• Maar ontwikkelt zich organisch via verdragswijzigingen, rechtspraak, en politieke integratie.
1
,LawstudentatVUB 2025-26
1.3. A form of common governance
• De EU kan ook worden begrepen als een vorm van gemeenschappelijk bestuur (common governance):
o Lidstaten delen soevereiniteit op bepaalde beleidsdomeinen,
o Besluitvorming gebeurt gezamenlijk (via Raad, Parlement, Commissie),
o En uitvoering kan zowel nationaal als Europees gebeuren.
Kernidee:
De EU is geen klassieke hiërarchische structuur, maar een meerniveaustelsel van bestuur (multi-level
governance), waarin EU- en lidstaatniveaus met elkaar verweven zijn.
Belangrijke kenmerken van dit gemeenschappelijk bestuur:
• Gedeelde bevoegdheden (art. 4 VWEU),
• Beginsel van subsidiariteit (art. 5 VEU),
• Samenwerking tussen instellingen en lidstaten (loyaliteitsbeginsel, art. 4(3) VEU).
2. De Prehistorie
2.1. De klassieke wereld: Aristoteles (384-322 v.Chr.) – Democratie en (niet echt) rechtsstaat
Centrale ideeën:
• Aristoteles beschouwde de mens als een ζῷον πολιτικόν (zōon politicon) — een politiek wezen, dat zijn
vervulling vindt in de gemeenschap (polis).
• Zijn werk « Πολιτικά (Politika) » vormde de filosofische basis van het politieke denken in de Westerse
traditie.
• Voor Aristoteles was politiek een ethisch project: de gemeenschap dient om het goede leven
(eudaimonia) mogelijk te maken.
Belang: politiek en ethiek zijn onafscheidelijk — de staat bestaat niet enkel om te overleven, maar om
rechtvaardigheid en deugdzaamheid te bevorderen.
In de Griekse polis (stadstaat) ontstond de democratie, met Athene als bekendste voorbeeld.
Toch was dit geen rechtsstaat in moderne zin:
• Geen gelijkheid van alle burgers voor de wet (vrouwen, slaven en vreemdelingen waren uitgesloten).
• Geen scheiding der machten of grondwettelijke beperking van macht.
Maar de idee van burgerparticipatie en politieke deliberatie (de burger als medewetgever) legde de
intellectuele basis voor latere Europese democratische concepten.
2
,LawstudentatVUB 2025-26
De Griekse denktraditie (Aristoteles, Plato, Socrates) vormde de grondslag van de klassieke en Europese
cultuur:
• Ontwikkeling van rede, ethiek, logica en politiek denken.
• Deze ideeën beïnvloedden diepgaand latere denkers zoals Thomas van Acquino, Machiavelli, Locke,
en Montesquieu.
• Vooral Montesquieu bouwde voort op het idee van de gematigde staatsvorm (politeia), waarin macht
wordt verdeeld om tirannie te vermijden.
Aristoteles zag de gemeenschap als een moreel organisme:
• De mens bereikt zijn deugd (ἀρετή, aretè) door te leven binnen een rechtvaardige gemeenschap.
• Politiek was dus niet puur instrumenteel, maar gericht op het moreel goede (telos van de polis).
Dit idee beïnvloedde de latere natuurlijke rechtsleer en het humanistische denken van de Renaissance.
De Romeinse wereld nam de Griekse cultuur grotendeels over en gaf haar een juridische en institutionele
vorm:
• Ontwikkeling van het Romeins recht, dat later de basis werd van het continentale rechtssysteem.
• De Romeinen transformeerden de filosofische polis-idee in een juridische staatsidee (met begrippen als
ius, lex, civitas).
De spreuk “Graeca capta cepit Romam” (Horatius) betekent letterlijk: “Het gevangen Griekenland
veroverde zijn ruwe overwinnaar Rome.”
→ Hiermee wordt bedoeld dat Griekse cultuur en filosofie de Romeinse beschaving intellectueel hebben
gevormd.
Na de val van Rome (476 n.Chr.) werd deze traditie voortgezet in Byzantium (tot 1453), waar Griekse
filosofie, Romeins recht en christelijke theologie samensmolten.
De klassieke wereld legde zo de intellectuele, ethische en juridische grondslag van Europa:
• De Grieken gaven de filosofische en ethische dimensie (rede, deugd, gemeenschap);
• De Romeinen gaven de juridische en institutionele dimensie (recht, orde, gezag);
• Het Byzantijnse Rijk bewaakte en doorleefde deze erfenis naar de middeleeuwse en moderne wereld.
3
, LawstudentatVUB 2025-26
2.2. Magna Carta (Engeland, 1215): Inperking macht Koning
Dit behoort bij de middeleeuwse wortels van het Europese constitutionele denken – de overgang van
absolute naar beperkte macht van de vorst.
Volledige naam: Magna Carta Libertatum (“Het Grote Handvest van de Vrijheden”)
Context:
• Koning Jan zonder Land (King John) werd geconfronteerd met opstandige baronnen die onvrede hadden
over zijn willekeurig bestuur, hoge belastingen en mislukte oorlogen.
• Onder dwang ondertekende hij in 1215 de Magna Carta.
Belangrijkste principes:
• De macht van de koning wordt beperkt: hij staat niet boven de wet.
• “Rule of law” (het rechtsbeginsel dat ook de heerser aan de wet gebonden is) vindt hier zijn oorsprong.
• Belangrijke garanties:
o Geen belastingen zonder toestemming van een raad (→ begin parlementair idee),
o Geen willekeurige opsluiting (“no free man shall be imprisoned... except by the lawful judgment
of his peers or by the law of the land”),
o Bescherming van eigendom en procedurele rechten.
Kernidee: De soeverein is niet almachtig, maar onderworpen aan het recht. Dit vormt de grondslag van de
constitutionele rechtsstaat.
Hoewel de Magna Carta een Engels document is, weerspiegelt het een breder Europees patroon van
machtsbeperking en rechtsstatelijkheid. Het is met andere woorden een Europees idee. Zie bijvoorbeeld:
• “I Si No, No” (13e eeuw, Barcelona)
o Uitdrukking uit de Cortes van Catalonië (of Aragón):
▪ “Si no, no” = “Als [de koning] niet [de wet respecteert], dan niet [onze
gehoorzaamheid].”
o Hiermee gaven de standen aan dat de koning slechts gehoorzaamheid verdient zolang hij binnen
de wet regeert.
o Vergelijkbaar met het Engelse principe: regeren met toestemming van de onderdanen en
onderworpen aan het recht.
Ook hier: de soevereiniteit is conditioneel, geen absolute macht.
• Plakkaat van Verlatinghe (Nederland, 1581)
o Document waarmee de Nederlandse gewesten koning Filips II van Spanje afzetten.
o Grondgedachte: Een vorst die zijn onderdanen onderdrukt of hun rechten schendt, verliest zijn
legitimiteit.
o Inspiratie uit het natuurrechtelijke en contractuele denken:
▪ De heerser regeert bij gratie van het volk,
▪ En het volk heeft het recht op verzet bij machtsmisbruik.
Wordt vaak beschouwd als een voorloper van het moderne idee van volkssoevereiniteit — een soort
Europese echo van de Magna Carta.
4
Constitutioneel recht van de Europese Unie – Hoorcollege 13 oktober 2025
MODULE 0: PRAKTISCH
Organisatie colleges en lesmethode
Evaluatie: mondeling examen en paper
MODULE 1: HET INTEGRATIEPROCES
A. Het Europees integratieproces (iets) anders bekeken
1. Wat is de Unie?
1.1. Sui generis
• De meeste auteurs omschrijven de Europese Unie als een “sui generis” rechtsorde — letterlijk: van een
eigen soort of uniek in zijn soort.
• Dit betekent dat de EU niet volledig vergelijkbaar is met:
o Een klassieke internationale organisatie (zoals de VN of de Raad van Europa),
o Maar ook niet met een federale staat.
• De EU heeft eigenschappen van beide:
o Ze is opgericht door Verdragen tussen Staten (intergouvernementeel element),
o Maar beschikt over een eigen rechtsorde, autonome instellingen, en rechtstreekse werking van
EU-recht (supranationaal element).
Voorbeeld in rechtspraak:
• Van Gend en Loos (1963): Het HvJ EU erkende dat de EU een “nieuwe rechtsorde van het internationale
recht” vormt, waarin burgers dragers van rechten en verplichtingen zijn.
• Costa/ENEL (1964): Het HvJ EU bevestigde de autonomie en voorrang van EU-recht.
1.2. Robert Schütze: “a process”
• De rechtsgeleerde Robert Schütze ziet de EU niet als een statisch gegeven, maar als een voortdurend
proces van constitutionele evolutie.
• Volgens hem is de Unie: “A process, a journey to an unknown destination”
→ Ze bevindt zich tussen confederatie en federatie, zonder vast eindpunt.
• De integratie is dynamisch, politiek gevoelig, en open voor verdere verdieping of terugtrekking (zoals
Brexit).
Interpretatie:
• De EU is niet ontworpen met een eindmodel (zoals een federale staat),
• Maar ontwikkelt zich organisch via verdragswijzigingen, rechtspraak, en politieke integratie.
1
,LawstudentatVUB 2025-26
1.3. A form of common governance
• De EU kan ook worden begrepen als een vorm van gemeenschappelijk bestuur (common governance):
o Lidstaten delen soevereiniteit op bepaalde beleidsdomeinen,
o Besluitvorming gebeurt gezamenlijk (via Raad, Parlement, Commissie),
o En uitvoering kan zowel nationaal als Europees gebeuren.
Kernidee:
De EU is geen klassieke hiërarchische structuur, maar een meerniveaustelsel van bestuur (multi-level
governance), waarin EU- en lidstaatniveaus met elkaar verweven zijn.
Belangrijke kenmerken van dit gemeenschappelijk bestuur:
• Gedeelde bevoegdheden (art. 4 VWEU),
• Beginsel van subsidiariteit (art. 5 VEU),
• Samenwerking tussen instellingen en lidstaten (loyaliteitsbeginsel, art. 4(3) VEU).
2. De Prehistorie
2.1. De klassieke wereld: Aristoteles (384-322 v.Chr.) – Democratie en (niet echt) rechtsstaat
Centrale ideeën:
• Aristoteles beschouwde de mens als een ζῷον πολιτικόν (zōon politicon) — een politiek wezen, dat zijn
vervulling vindt in de gemeenschap (polis).
• Zijn werk « Πολιτικά (Politika) » vormde de filosofische basis van het politieke denken in de Westerse
traditie.
• Voor Aristoteles was politiek een ethisch project: de gemeenschap dient om het goede leven
(eudaimonia) mogelijk te maken.
Belang: politiek en ethiek zijn onafscheidelijk — de staat bestaat niet enkel om te overleven, maar om
rechtvaardigheid en deugdzaamheid te bevorderen.
In de Griekse polis (stadstaat) ontstond de democratie, met Athene als bekendste voorbeeld.
Toch was dit geen rechtsstaat in moderne zin:
• Geen gelijkheid van alle burgers voor de wet (vrouwen, slaven en vreemdelingen waren uitgesloten).
• Geen scheiding der machten of grondwettelijke beperking van macht.
Maar de idee van burgerparticipatie en politieke deliberatie (de burger als medewetgever) legde de
intellectuele basis voor latere Europese democratische concepten.
2
,LawstudentatVUB 2025-26
De Griekse denktraditie (Aristoteles, Plato, Socrates) vormde de grondslag van de klassieke en Europese
cultuur:
• Ontwikkeling van rede, ethiek, logica en politiek denken.
• Deze ideeën beïnvloedden diepgaand latere denkers zoals Thomas van Acquino, Machiavelli, Locke,
en Montesquieu.
• Vooral Montesquieu bouwde voort op het idee van de gematigde staatsvorm (politeia), waarin macht
wordt verdeeld om tirannie te vermijden.
Aristoteles zag de gemeenschap als een moreel organisme:
• De mens bereikt zijn deugd (ἀρετή, aretè) door te leven binnen een rechtvaardige gemeenschap.
• Politiek was dus niet puur instrumenteel, maar gericht op het moreel goede (telos van de polis).
Dit idee beïnvloedde de latere natuurlijke rechtsleer en het humanistische denken van de Renaissance.
De Romeinse wereld nam de Griekse cultuur grotendeels over en gaf haar een juridische en institutionele
vorm:
• Ontwikkeling van het Romeins recht, dat later de basis werd van het continentale rechtssysteem.
• De Romeinen transformeerden de filosofische polis-idee in een juridische staatsidee (met begrippen als
ius, lex, civitas).
De spreuk “Graeca capta cepit Romam” (Horatius) betekent letterlijk: “Het gevangen Griekenland
veroverde zijn ruwe overwinnaar Rome.”
→ Hiermee wordt bedoeld dat Griekse cultuur en filosofie de Romeinse beschaving intellectueel hebben
gevormd.
Na de val van Rome (476 n.Chr.) werd deze traditie voortgezet in Byzantium (tot 1453), waar Griekse
filosofie, Romeins recht en christelijke theologie samensmolten.
De klassieke wereld legde zo de intellectuele, ethische en juridische grondslag van Europa:
• De Grieken gaven de filosofische en ethische dimensie (rede, deugd, gemeenschap);
• De Romeinen gaven de juridische en institutionele dimensie (recht, orde, gezag);
• Het Byzantijnse Rijk bewaakte en doorleefde deze erfenis naar de middeleeuwse en moderne wereld.
3
, LawstudentatVUB 2025-26
2.2. Magna Carta (Engeland, 1215): Inperking macht Koning
Dit behoort bij de middeleeuwse wortels van het Europese constitutionele denken – de overgang van
absolute naar beperkte macht van de vorst.
Volledige naam: Magna Carta Libertatum (“Het Grote Handvest van de Vrijheden”)
Context:
• Koning Jan zonder Land (King John) werd geconfronteerd met opstandige baronnen die onvrede hadden
over zijn willekeurig bestuur, hoge belastingen en mislukte oorlogen.
• Onder dwang ondertekende hij in 1215 de Magna Carta.
Belangrijkste principes:
• De macht van de koning wordt beperkt: hij staat niet boven de wet.
• “Rule of law” (het rechtsbeginsel dat ook de heerser aan de wet gebonden is) vindt hier zijn oorsprong.
• Belangrijke garanties:
o Geen belastingen zonder toestemming van een raad (→ begin parlementair idee),
o Geen willekeurige opsluiting (“no free man shall be imprisoned... except by the lawful judgment
of his peers or by the law of the land”),
o Bescherming van eigendom en procedurele rechten.
Kernidee: De soeverein is niet almachtig, maar onderworpen aan het recht. Dit vormt de grondslag van de
constitutionele rechtsstaat.
Hoewel de Magna Carta een Engels document is, weerspiegelt het een breder Europees patroon van
machtsbeperking en rechtsstatelijkheid. Het is met andere woorden een Europees idee. Zie bijvoorbeeld:
• “I Si No, No” (13e eeuw, Barcelona)
o Uitdrukking uit de Cortes van Catalonië (of Aragón):
▪ “Si no, no” = “Als [de koning] niet [de wet respecteert], dan niet [onze
gehoorzaamheid].”
o Hiermee gaven de standen aan dat de koning slechts gehoorzaamheid verdient zolang hij binnen
de wet regeert.
o Vergelijkbaar met het Engelse principe: regeren met toestemming van de onderdanen en
onderworpen aan het recht.
Ook hier: de soevereiniteit is conditioneel, geen absolute macht.
• Plakkaat van Verlatinghe (Nederland, 1581)
o Document waarmee de Nederlandse gewesten koning Filips II van Spanje afzetten.
o Grondgedachte: Een vorst die zijn onderdanen onderdrukt of hun rechten schendt, verliest zijn
legitimiteit.
o Inspiratie uit het natuurrechtelijke en contractuele denken:
▪ De heerser regeert bij gratie van het volk,
▪ En het volk heeft het recht op verzet bij machtsmisbruik.
Wordt vaak beschouwd als een voorloper van het moderne idee van volkssoevereiniteit — een soort
Europese echo van de Magna Carta.
4