Schriftelijke opdracht
Staats- en bestuursrecht in een samengestelde rechtsorde 2025-26
Opgave 1: Casus
a. Kan de Koninklijke Marechaussee deze bevoegdheid rechtstreeks ontlenen aan
artikel 4 lid 2 van de Procedureverordening? Betrek bij uw antwoord de relevante
jurisprudentie en literatuur.
Theorie
Het aanwijzen van een specifieke nationale autoriteit door de EU-wetgever zou,
gezien de institutionele verschillen tussen de 27 lidstaten, praktisch problematisch
zijn.1 Daarom wordt de aanwijzing van bevoegde autoriteiten in beginsel overgelaten
aan het nationale recht. Prechal en Widdershoven wijzen erop dat volgens de oudere
rechtspraak, indien een lidstaat geen bevoegd orgaan had aangewezen of het
aangewezen orgaan de relevante bevoegdheid miste, de verordening in zoverre niet
kon worden toegepast.2
Met de arresten ESF en SOMVAO lijkt die lijn te zijn verlaten: daar werd
aangenomen dat een bestuursorgaan in uitzonderingsgevallen een bevoegdheid
rechtstreeks aan een verordening kan ontlenen wanneer het nationale recht geen
grondslag biedt.3 Prechal en Widdershoven plaatsen hier echter belangrijke
kanttekeningen bij: het zou gezien moeten worden als een noodmaatregel, die enkel
geldt indien het nationale recht in zijn geheel geen rechtsgrondslag biedt, en er kan
enkel sprake zijn van een bevoegdheidstoekenning indien de verordening de te nemen
maatregelen specifiek voortschrijft.4 Een algemene opdracht aan een lidstaat zou
gezien de zaak ÖBB-Personenverkehr niet volstaan.
Het hieraan verbonden spanningsveld wordt aangeduid met ‘de leer van de
dubbele bevoegdheidsgrondslag’. Het institutionele nationale legaliteitsbeginsel, in
een strikte lezing, vereist dat een bestuursorgaan zijn bestuursbevoegdheden gegrond
1
S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven, ‘Hoofdstuk I – Inleiding’, in: S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven
(red.), Inleiding tot het Europees Bestuursrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2025, p. 26.
2
S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven, ‘Hoofdstuk I – Inleiding’, in: S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven
(red.), Inleiding tot het Europees Bestuursrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2025, p. 26.
3
J.E. van den Brink, annotatie bij CBb 8 december 2020, ECLI:NL:CBB:2020:929, punt 1.
4
S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven, ‘Hoofdstuk I – Inleiding’, in: S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven
(red.), Inleiding tot het Europees Bestuursrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2025, p. 28-29.
, zijn in nationale wettelijke bepalingen.5 Indien het echter zijn bevoegdheid
rechtstreeks ontleent aan het EU-recht, dan heeft het wel een materiële bevoegdheid
maar nog niet de institutionele nationale bevoegdheid. Er is dan sprake van ‘halve
legaliteit’, waarbij de nationale autoriteit als noodoplossing de nodige bevoegdheden
kan ontlenen aan de Unierechtelijke verordening.6
Toepassing
Vervolgens is het de vraag of er sprake is van een uitzonderingsgeval die opgelost
dient te worden met de noodoplossing.
Lid 2 van artikel 4 van de Procedureverordening legt de lidstaten de
verplichting op om andere bevoegde nationale autoriteiten te belasten met de bedoelde
taak. Zoals uit de zaak ÖBB-Personenverkehr blijkt, biedt de Procedureverordening
hier geen rechtsgrondslag, omdat de bepaling geen specifieke nationale
bestuursorganen aanwijst, maar slechts de lidstaat verplicht de nodige maatregelen te
treffen. Artikel 4 lid 2 van de Procedureverordening is wat betreft de specifieke taak
van de aangewezen autoriteit wel duidelijk, anders dan artikel 30 van verordening nr.
1371/2007 die centraal stond in de zaak ÖBB-Personenverkehr.
Om deze ambiguïteit op te lossen, kijk ik daarom naar het arrest
Österreichische Datenschutzbehörde. Indien gesteld zou worden dat ÖBB-
Personenverkehr hier niet aan de orde is, denk ik namelijk dat vooralsnog geen sprake
is van bijzondere omstandigheden gezien Österreichische Datenschutzbehörde. Het
HvJEU overwoog in dit arrest dat slechts in uitzonderlijke gevallen een nationaal
bestuursorgaan een bevoegdheid rechtstreeks aan een verordening kan ontlenen,
namelijk wanneer er slechts één orgaan is dat naar zijn aard geschikt is om die
bevoegdheid uit te oefenen.7 In casu blijkt uit de bewoording van lid 2 mijns inziens
dat daar geen sprake van kan zijn: de EU-wetgever wijst namelijk meerdere
autoriteiten aan die deze bevoegdheid tot informeren toegewezen kunnen krijgen.
Het HvJEU bepaalde bovendien dat voor rechtstreekse werking uit de
bewoordingen van de bepaling zelf moet blijken dat zij geen nationale
5
S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven, ‘Hoofdstuk I – Inleiding’, in: S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven
(red.), Inleiding tot het Europees Bestuursrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2025, p. 23-24.
6
J.E. van den Brink, annotatie bij CBb 8 december 2020, ECLI:NL:CBB:2020:929, punt 2.
7
S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven, ‘Hoofdstuk I – Inleiding’, in: S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven
(red.), Inleiding tot het Europees Bestuursrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2025, p. 28.
Staats- en bestuursrecht in een samengestelde rechtsorde 2025-26
Opgave 1: Casus
a. Kan de Koninklijke Marechaussee deze bevoegdheid rechtstreeks ontlenen aan
artikel 4 lid 2 van de Procedureverordening? Betrek bij uw antwoord de relevante
jurisprudentie en literatuur.
Theorie
Het aanwijzen van een specifieke nationale autoriteit door de EU-wetgever zou,
gezien de institutionele verschillen tussen de 27 lidstaten, praktisch problematisch
zijn.1 Daarom wordt de aanwijzing van bevoegde autoriteiten in beginsel overgelaten
aan het nationale recht. Prechal en Widdershoven wijzen erop dat volgens de oudere
rechtspraak, indien een lidstaat geen bevoegd orgaan had aangewezen of het
aangewezen orgaan de relevante bevoegdheid miste, de verordening in zoverre niet
kon worden toegepast.2
Met de arresten ESF en SOMVAO lijkt die lijn te zijn verlaten: daar werd
aangenomen dat een bestuursorgaan in uitzonderingsgevallen een bevoegdheid
rechtstreeks aan een verordening kan ontlenen wanneer het nationale recht geen
grondslag biedt.3 Prechal en Widdershoven plaatsen hier echter belangrijke
kanttekeningen bij: het zou gezien moeten worden als een noodmaatregel, die enkel
geldt indien het nationale recht in zijn geheel geen rechtsgrondslag biedt, en er kan
enkel sprake zijn van een bevoegdheidstoekenning indien de verordening de te nemen
maatregelen specifiek voortschrijft.4 Een algemene opdracht aan een lidstaat zou
gezien de zaak ÖBB-Personenverkehr niet volstaan.
Het hieraan verbonden spanningsveld wordt aangeduid met ‘de leer van de
dubbele bevoegdheidsgrondslag’. Het institutionele nationale legaliteitsbeginsel, in
een strikte lezing, vereist dat een bestuursorgaan zijn bestuursbevoegdheden gegrond
1
S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven, ‘Hoofdstuk I – Inleiding’, in: S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven
(red.), Inleiding tot het Europees Bestuursrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2025, p. 26.
2
S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven, ‘Hoofdstuk I – Inleiding’, in: S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven
(red.), Inleiding tot het Europees Bestuursrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2025, p. 26.
3
J.E. van den Brink, annotatie bij CBb 8 december 2020, ECLI:NL:CBB:2020:929, punt 1.
4
S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven, ‘Hoofdstuk I – Inleiding’, in: S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven
(red.), Inleiding tot het Europees Bestuursrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2025, p. 28-29.
, zijn in nationale wettelijke bepalingen.5 Indien het echter zijn bevoegdheid
rechtstreeks ontleent aan het EU-recht, dan heeft het wel een materiële bevoegdheid
maar nog niet de institutionele nationale bevoegdheid. Er is dan sprake van ‘halve
legaliteit’, waarbij de nationale autoriteit als noodoplossing de nodige bevoegdheden
kan ontlenen aan de Unierechtelijke verordening.6
Toepassing
Vervolgens is het de vraag of er sprake is van een uitzonderingsgeval die opgelost
dient te worden met de noodoplossing.
Lid 2 van artikel 4 van de Procedureverordening legt de lidstaten de
verplichting op om andere bevoegde nationale autoriteiten te belasten met de bedoelde
taak. Zoals uit de zaak ÖBB-Personenverkehr blijkt, biedt de Procedureverordening
hier geen rechtsgrondslag, omdat de bepaling geen specifieke nationale
bestuursorganen aanwijst, maar slechts de lidstaat verplicht de nodige maatregelen te
treffen. Artikel 4 lid 2 van de Procedureverordening is wat betreft de specifieke taak
van de aangewezen autoriteit wel duidelijk, anders dan artikel 30 van verordening nr.
1371/2007 die centraal stond in de zaak ÖBB-Personenverkehr.
Om deze ambiguïteit op te lossen, kijk ik daarom naar het arrest
Österreichische Datenschutzbehörde. Indien gesteld zou worden dat ÖBB-
Personenverkehr hier niet aan de orde is, denk ik namelijk dat vooralsnog geen sprake
is van bijzondere omstandigheden gezien Österreichische Datenschutzbehörde. Het
HvJEU overwoog in dit arrest dat slechts in uitzonderlijke gevallen een nationaal
bestuursorgaan een bevoegdheid rechtstreeks aan een verordening kan ontlenen,
namelijk wanneer er slechts één orgaan is dat naar zijn aard geschikt is om die
bevoegdheid uit te oefenen.7 In casu blijkt uit de bewoording van lid 2 mijns inziens
dat daar geen sprake van kan zijn: de EU-wetgever wijst namelijk meerdere
autoriteiten aan die deze bevoegdheid tot informeren toegewezen kunnen krijgen.
Het HvJEU bepaalde bovendien dat voor rechtstreekse werking uit de
bewoordingen van de bepaling zelf moet blijken dat zij geen nationale
5
S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven, ‘Hoofdstuk I – Inleiding’, in: S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven
(red.), Inleiding tot het Europees Bestuursrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2025, p. 23-24.
6
J.E. van den Brink, annotatie bij CBb 8 december 2020, ECLI:NL:CBB:2020:929, punt 2.
7
S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven, ‘Hoofdstuk I – Inleiding’, in: S. Prechal & R.J.G.M. Widdershoven
(red.), Inleiding tot het Europees Bestuursrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2025, p. 28.