PSYCHISCHE STOORNISSEN
1. Wat is angst?
= normale reactie op een angstopwekkende prikkel.
• Basis-emotie = nuttig.
• Basale proportionele reactie op reële bedreiging
• Overlevingsmechanisme: fight-freeze-flight respons als
anticipatie op gevaar.
LICHAMELIJKE KENMERKEN:
• Nervositeit.
• Duizeligheid.
• Koude, klamme handen.
• Maagklachten of misselijkheid.
• Geprikkeld zijn.
• Droge mond – keel.
• …
GEDRAGSKENMERKEN:
• Vermijdend gedrag.
• Afhankelijk gedrag.
• Geagiteerd gedrag.
COGNITIEVE KENMERKEN:
• Preoccupatie met lichamelijke gewaarwordingen.
• Angst voor controleverlies.
• Zich zorgen maken.
• Zich bedreigd voelen.
2. Pathologische angst?
• Ongewoon intens (= staat niet in verhouding tot de
dreiging).
• Buitengewoon langdurig (= niet in verhouding tot de
dreiging).
• Angst zonder angstprikkel (= de reactie treedt op bij
afwezigheid van gevaar).
3. Angststoornissen.
= stoornissen die zich kenmerken door buitensporige of
ongepaste angstreacties.
• Vroeger: neurose.
H4 ANGSTSTOORNISEN EN OCD (H5)
, PSYCHISCHE STOORNISSEN
4. Paniekstoornissen.
= angststoornissen gekenmerkt door herhaalde, onverwachte
paniekaanvallen.
• Symptomen bij paniekaanval:
o Hartkloppingen.
o Pijn in de borststreek.
o Zweten, trillen of beven.
o Duizeligheid/flauwvallen.
o Tintelingen of een verdoofd gevoel.
o Gevoel te stikken, naar adem happen.
o Koude rillingen/opvliegers.
o Angst om controle te verliezen, angst om te sterven of
gek te worden.
o Depersonalisatie: gevoel jezelf gade te slaan van
buitenaf.
o Misselijkheid/maagklachten.
• Na minstens één paniekaanval volgt minstens 1 van
volgende gebeurtenissen:
o Angst voor nieuwe aanval of de gevolgen ervan
gedurende minstens één maand.
o Significante gedragsveranderingen door de aanval.
• Paniekaanvallen treden onverwacht op, plots en
spontaan.
o Bereiken meestal binnen de 10 min. een piek.
o Sterke drang om de situatie te ontvluchten.
• Paniekaanvallen zijn niet gebonden aan een prikkel of
situatie – (!!! bij aanvang van de stoornis !!!)
o Kan leiden tot agorafobie.
4.1. Theoretische perspectieven.
• Biologisch: genetische kwetsbaarheid:
o Gevoelig inwendig alarmsysteem: vals verstikkings-
alarmtheorie.
o Onvolledig functioneren van ‘GABA’ = inhiberende
neurotransmitter:
» Zwakt overmatige activiteit in ZS af ® dempt
stressreactie.
» Angstremmers werken in op GABA: maken Psychologisch:
ontvangers van GABA gevoeliger. Angst voor angst: anticipatie-
» angst.
• Psychologisch: Grote evidentie voor cognitieve
factoren.
o Hogere angevoeligheid ® angst voor angst.
o Foutieve interpretaties.
H4 ANGSTSTOORNISEN EN OCD (H5)
1. Wat is angst?
= normale reactie op een angstopwekkende prikkel.
• Basis-emotie = nuttig.
• Basale proportionele reactie op reële bedreiging
• Overlevingsmechanisme: fight-freeze-flight respons als
anticipatie op gevaar.
LICHAMELIJKE KENMERKEN:
• Nervositeit.
• Duizeligheid.
• Koude, klamme handen.
• Maagklachten of misselijkheid.
• Geprikkeld zijn.
• Droge mond – keel.
• …
GEDRAGSKENMERKEN:
• Vermijdend gedrag.
• Afhankelijk gedrag.
• Geagiteerd gedrag.
COGNITIEVE KENMERKEN:
• Preoccupatie met lichamelijke gewaarwordingen.
• Angst voor controleverlies.
• Zich zorgen maken.
• Zich bedreigd voelen.
2. Pathologische angst?
• Ongewoon intens (= staat niet in verhouding tot de
dreiging).
• Buitengewoon langdurig (= niet in verhouding tot de
dreiging).
• Angst zonder angstprikkel (= de reactie treedt op bij
afwezigheid van gevaar).
3. Angststoornissen.
= stoornissen die zich kenmerken door buitensporige of
ongepaste angstreacties.
• Vroeger: neurose.
H4 ANGSTSTOORNISEN EN OCD (H5)
, PSYCHISCHE STOORNISSEN
4. Paniekstoornissen.
= angststoornissen gekenmerkt door herhaalde, onverwachte
paniekaanvallen.
• Symptomen bij paniekaanval:
o Hartkloppingen.
o Pijn in de borststreek.
o Zweten, trillen of beven.
o Duizeligheid/flauwvallen.
o Tintelingen of een verdoofd gevoel.
o Gevoel te stikken, naar adem happen.
o Koude rillingen/opvliegers.
o Angst om controle te verliezen, angst om te sterven of
gek te worden.
o Depersonalisatie: gevoel jezelf gade te slaan van
buitenaf.
o Misselijkheid/maagklachten.
• Na minstens één paniekaanval volgt minstens 1 van
volgende gebeurtenissen:
o Angst voor nieuwe aanval of de gevolgen ervan
gedurende minstens één maand.
o Significante gedragsveranderingen door de aanval.
• Paniekaanvallen treden onverwacht op, plots en
spontaan.
o Bereiken meestal binnen de 10 min. een piek.
o Sterke drang om de situatie te ontvluchten.
• Paniekaanvallen zijn niet gebonden aan een prikkel of
situatie – (!!! bij aanvang van de stoornis !!!)
o Kan leiden tot agorafobie.
4.1. Theoretische perspectieven.
• Biologisch: genetische kwetsbaarheid:
o Gevoelig inwendig alarmsysteem: vals verstikkings-
alarmtheorie.
o Onvolledig functioneren van ‘GABA’ = inhiberende
neurotransmitter:
» Zwakt overmatige activiteit in ZS af ® dempt
stressreactie.
» Angstremmers werken in op GABA: maken Psychologisch:
ontvangers van GABA gevoeliger. Angst voor angst: anticipatie-
» angst.
• Psychologisch: Grote evidentie voor cognitieve
factoren.
o Hogere angevoeligheid ® angst voor angst.
o Foutieve interpretaties.
H4 ANGSTSTOORNISEN EN OCD (H5)