WC1 - Vetzuren en eiwit
Opdracht 1: meervoudig onverzadigde vetzuren bij hond en kat
Vetten in de voeding fungeren niet alleen als energiebron en mediator van de absorptie van
vetoplosbare vitaminen, maar ook als leverancier van essentiële vetzuren. De stamvetzuren van de n-6
en n-3 familie van meervoudig onverzadigde vetzuren zijn respectievelijk linolzuur (C18:2, n-6) en a-
linoleenzuur (C18:3, n-3). De stamvetzuren kunnen in het lichaam enzymatisch worden verlengd en
gedesatureerd. De eindprodukten kunnen vervolgens dienen als precursor voor de diverse eicosanoïden
(prostaglandinen, thromboxanen en leukotriënen), waarvan er meer dan 250 bekend zijn.
Vetzuren van de n-6 familie kunnen niet in die van de n-3 familie worden omgezet en ook niet vice
versa. Vetzuren van de ene familie werken remmend op de omzetting van vetzuren binnen de andere
familie. In grote lijnen verlopen de vetzuuromzettingen als volgt:
Plaatje links = linolzuur, rechts is alfa linoleenzuur
Oxidatie in plaatje is vgm beta oxidatie dus voor energie
Desaturase telt vanaf COOH kant!!! Dus delta 9 desaturase, die op C9 geteld vanaf COOH
Je bouwt het vetzuur langer aan de COOH kant dus het hangt ervan af hoelang het vetzuur is, hoeveelste
C atoom het is, dus daarom liever zeggen dat de eerste 9 C atomen vanaf CH3 geteld niet dubbele
binding op kan door ons. Dus C9 vanaf COOH werkt vgm alleen als het C18 is want dan is het 9 aan ene
kant en ook 9 aan andere kant
a. Na het verstrekken van een synthetisch voer met 15 % saffloerzaadolie, hetgeen 74 % linolzuur
bevat, werd bij de kat in de serumfosfolipiden een stapeling van C20:2, n-6 waargenomen.
Wanneer het voer lijnzaadolie (55 % a-linoleenzuur) bevatte, was er accumulatie van C20:3, n-3.
Onder vergelijkbare condities werd er bij de hond een toename van respectievelijk C20:4, n-6 en
C20:5, n-3 gezien. Op grond van de waarnemingen is het duidelijk dat de vetzuurstofwisseling
verschilt tussen hond en kat. Welke consequentie heeft het verschil in vetzuurstofwisseling
tussen hond en kat voor de formulering van het dieet voor wat betreft de voorziening van
essentiële vetzuren voor deze diersoorten?
Dat komt omdat kat delta 6 desaturase niet heeft!! Daarom gaan ze de andere kant op en VZ gebruiken
voor oxidatie.
,Als je veel lijnzaad voert, krijg je veel omega 3, maar kat heeft weer die delta 6 desaturase niet, dus kan
niet de stappen naar beneden maken dus gaat naar rechts, oxidatie.
Daarom heeft de kat 2 extra dus 4 in totaal essentiele VZ, nl arachidonzuur en eicosapentaeenzuur (EPA
vgm). Deze 2 heb je alleen in voedermiddelen van dierlijke oorsprong. Kat heeft dierlijke grondstoffen
nodig in de voeding, hond niet noodzakelijkerwijs.
C20:4, n-6 is arachidonzuur -> hond maakt dat vanuit linolzuur, kat kan dat niet dus apart nog geven.
C20:5 n-3, is eicosapentaeenzuur (EPA), kan hond naartoe maar kat niet, dus geef ook apart
De tussenstappen naar deze 2 AZ zijn niet per se nodig.
b. Kat moet dierlijke producten krijgen of supplementeren ergens anders vandaan, maar kat kan je
dus niet zomaar vegetarisch worden gevoerd. Ook niet door vitamines, zie HC erover.
c. Linolzuur kan door kat niet worden omgezet naar de Eicosanoïden, die nodig zijn door de
behandeling van die 2 ziektes, dus je hebt daar niks aan.
Het laatste stapje naar arachidonzuur kunnen katten ook niet, dus van gamma-linolzuur naar
arachidonzuur, dus het heeft ook geen zin om gamma-linolzuur te geven.
d. De prostaglandines vanuit de n-6 en n-3 familie hebben niet alleen verschillende, maar soms
ook tegengestelde effecten op onder meer inflammatoire en vasculaire processen. Leukotrieën
B4 (uit de n-6 familie) heeft een pro-inflammatoire activiteit, terwijl leukotrieën B5 (uit de n-3
familie) anti-inflammatoire activiteit medieert.
Balans tussen wel en geen ontsteking, dus je wilt juist evenwicht.
Door een juist evenwicht tussen ontstekingsremmende en ontstekingsmediërende stoffen kan gepast
gereageerd worden op een noxe.
, !!!
Omega 6 en 3 eicosanoiden zijn de eindproducten van omega 3 en 6.
Opdracht 2: vetzuurstatus
a. De vetzuuraanzet verschil tussen beide dus of de biggen hebben ook andere vetbronnen
gegeten of het is in het lichaam omgezet.
Maar het is wel vergelijkbaar dus je bent wat je eet!! Dat is de boodschap
Vetzuurpatroon (% soorten vetzuren erin) van sojaolie en van de vetaanzet zijn heel vergelijkbaar!!
Conclusie: Vetzuurpatroon van vetmassa die wordt aangezet is vergelijkbaar met die van sojaolie
b. Deel/geheel * 100% moet je doen van hoeveel gram van verschillende VZ in sojaolie en
vetopslag, voor % van orale opname die vastgelegd is in de groei
71%
91%
58%
Redenen dat niet 100% van orale opname in groei gaat:
Opdracht 1: meervoudig onverzadigde vetzuren bij hond en kat
Vetten in de voeding fungeren niet alleen als energiebron en mediator van de absorptie van
vetoplosbare vitaminen, maar ook als leverancier van essentiële vetzuren. De stamvetzuren van de n-6
en n-3 familie van meervoudig onverzadigde vetzuren zijn respectievelijk linolzuur (C18:2, n-6) en a-
linoleenzuur (C18:3, n-3). De stamvetzuren kunnen in het lichaam enzymatisch worden verlengd en
gedesatureerd. De eindprodukten kunnen vervolgens dienen als precursor voor de diverse eicosanoïden
(prostaglandinen, thromboxanen en leukotriënen), waarvan er meer dan 250 bekend zijn.
Vetzuren van de n-6 familie kunnen niet in die van de n-3 familie worden omgezet en ook niet vice
versa. Vetzuren van de ene familie werken remmend op de omzetting van vetzuren binnen de andere
familie. In grote lijnen verlopen de vetzuuromzettingen als volgt:
Plaatje links = linolzuur, rechts is alfa linoleenzuur
Oxidatie in plaatje is vgm beta oxidatie dus voor energie
Desaturase telt vanaf COOH kant!!! Dus delta 9 desaturase, die op C9 geteld vanaf COOH
Je bouwt het vetzuur langer aan de COOH kant dus het hangt ervan af hoelang het vetzuur is, hoeveelste
C atoom het is, dus daarom liever zeggen dat de eerste 9 C atomen vanaf CH3 geteld niet dubbele
binding op kan door ons. Dus C9 vanaf COOH werkt vgm alleen als het C18 is want dan is het 9 aan ene
kant en ook 9 aan andere kant
a. Na het verstrekken van een synthetisch voer met 15 % saffloerzaadolie, hetgeen 74 % linolzuur
bevat, werd bij de kat in de serumfosfolipiden een stapeling van C20:2, n-6 waargenomen.
Wanneer het voer lijnzaadolie (55 % a-linoleenzuur) bevatte, was er accumulatie van C20:3, n-3.
Onder vergelijkbare condities werd er bij de hond een toename van respectievelijk C20:4, n-6 en
C20:5, n-3 gezien. Op grond van de waarnemingen is het duidelijk dat de vetzuurstofwisseling
verschilt tussen hond en kat. Welke consequentie heeft het verschil in vetzuurstofwisseling
tussen hond en kat voor de formulering van het dieet voor wat betreft de voorziening van
essentiële vetzuren voor deze diersoorten?
Dat komt omdat kat delta 6 desaturase niet heeft!! Daarom gaan ze de andere kant op en VZ gebruiken
voor oxidatie.
,Als je veel lijnzaad voert, krijg je veel omega 3, maar kat heeft weer die delta 6 desaturase niet, dus kan
niet de stappen naar beneden maken dus gaat naar rechts, oxidatie.
Daarom heeft de kat 2 extra dus 4 in totaal essentiele VZ, nl arachidonzuur en eicosapentaeenzuur (EPA
vgm). Deze 2 heb je alleen in voedermiddelen van dierlijke oorsprong. Kat heeft dierlijke grondstoffen
nodig in de voeding, hond niet noodzakelijkerwijs.
C20:4, n-6 is arachidonzuur -> hond maakt dat vanuit linolzuur, kat kan dat niet dus apart nog geven.
C20:5 n-3, is eicosapentaeenzuur (EPA), kan hond naartoe maar kat niet, dus geef ook apart
De tussenstappen naar deze 2 AZ zijn niet per se nodig.
b. Kat moet dierlijke producten krijgen of supplementeren ergens anders vandaan, maar kat kan je
dus niet zomaar vegetarisch worden gevoerd. Ook niet door vitamines, zie HC erover.
c. Linolzuur kan door kat niet worden omgezet naar de Eicosanoïden, die nodig zijn door de
behandeling van die 2 ziektes, dus je hebt daar niks aan.
Het laatste stapje naar arachidonzuur kunnen katten ook niet, dus van gamma-linolzuur naar
arachidonzuur, dus het heeft ook geen zin om gamma-linolzuur te geven.
d. De prostaglandines vanuit de n-6 en n-3 familie hebben niet alleen verschillende, maar soms
ook tegengestelde effecten op onder meer inflammatoire en vasculaire processen. Leukotrieën
B4 (uit de n-6 familie) heeft een pro-inflammatoire activiteit, terwijl leukotrieën B5 (uit de n-3
familie) anti-inflammatoire activiteit medieert.
Balans tussen wel en geen ontsteking, dus je wilt juist evenwicht.
Door een juist evenwicht tussen ontstekingsremmende en ontstekingsmediërende stoffen kan gepast
gereageerd worden op een noxe.
, !!!
Omega 6 en 3 eicosanoiden zijn de eindproducten van omega 3 en 6.
Opdracht 2: vetzuurstatus
a. De vetzuuraanzet verschil tussen beide dus of de biggen hebben ook andere vetbronnen
gegeten of het is in het lichaam omgezet.
Maar het is wel vergelijkbaar dus je bent wat je eet!! Dat is de boodschap
Vetzuurpatroon (% soorten vetzuren erin) van sojaolie en van de vetaanzet zijn heel vergelijkbaar!!
Conclusie: Vetzuurpatroon van vetmassa die wordt aangezet is vergelijkbaar met die van sojaolie
b. Deel/geheel * 100% moet je doen van hoeveel gram van verschillende VZ in sojaolie en
vetopslag, voor % van orale opname die vastgelegd is in de groei
71%
91%
58%
Redenen dat niet 100% van orale opname in groei gaat: