hormoontesten
Aan de hand van de hypofyse-endocriene klier-as
Zelfstudie
§8.1. Inleiding
De endocrinologie is de leer van de communicatie en controle in een levend organisme door middel van
chemische boodschappers die in dat organisme worden gesynthetiseerd. In klassieke zin heeft de term
endocrinologie betrekking op boodschappers, die door een endocriene klier worden afgegeven en
elders in het organisme effect sorteren door binding aan specifieke receptoren. Intussen is duidelijk
geworden dat ook andere vormen van communicatie via chemische boodschappers een zeer belangrijke
rol vervullen bij de controle van diverse lichaamsprocessen. Zo kan bijvoorbeeld een signaalstof, die
door een cel wordt geproduceerd, effect hebben op een nabijgelegen cel (paracriene communicatie) of
op de cel zelf (autocriene communicatie). Endocriene en paracriene signaleringen verlopen vaak via
dezelfde moleculaire paden. Soms heeft eenzelfde signaalstof zowel endocriene als paracriene effecten.
De chemische boodschappers in de endocrinologie zijn de hormonen. Dit zijn endogene informatie
moleculen die betrokken zijn bij de intercellulaire en intracellulaire communicatie. Endocriene
aandoeningen zijn vaak gekenmerkt door een tekort of een overmaat van hormonen. Deze overmaat of
dat tekort geeft dan aanleiding tot een welomschreven ziektebeeld, dat soms één en soms meerdere
organen kan betreffen.
Onder endocriene ziekten verstaat men de verschijnselen en afwijkingen, die ontstaan als gevolg van te
veel of te weinig circulerend hormoon of als gevolg van het niet reageren van doelwitorganen op
hormonale stimuli.
,Steroide hormonen kunnen dus ook werken membraanreceptoren en met second messenger systemen,
maar meeste (ongebonden!) gaan de cel in!
Op basis van de pathogenese onderscheiden we de volgende categorieën endocriene aandoeningen:
- Primaire hyperfunctie: autonome hypersecretie van een hormoon door een meestal
neoplastisch ontaarde endocriene klier (bijvoorbeeld insulinoom, hyperfunctionerende
schildklierneoplasie en hyperfunctionerend bijnierschors-neoplasie).
- Secundaire hyperfunctie: te sterke stimulatie van een endocriene klier door een andere
endocriene klier (bijvoorbeeld hyperadrenocorticisme door een verhoogde secretie van het
adrenocorticotroop hormoon (ACTH) door de hypofyse). (Figuur 8.2)
Hierbij heb je dus vgm niet zoals bij hypofunctie tertiar dus hypothalamus is ook secundair
- Primaire hypofunctie: te geringe hormoonsecretie ten gevolge van bijvoorbeeld agenesie (=
ontbrekende of gebrekkige aanleg) of destructie van endocrien klierweefsel (bijvoorbeeld ziekte
van Addison en primaire hypothyreoïdie).
- Secundaire (of tertiaire=hypothalamus probleem!) hypofunctie: te geringe hormoonsecretie ten
gevolge van onvoldoende stimulatie van de endocriene klier (bijvoorbeeld hypofunctie van
schildklier of gonaden door hypofysaire insufficiëntie). Als dit weer een gevolg is van een
aandoening van de hypothalamus (dus hypothalamus stimuleert hypofyse niet genoeg waardoor
hypofyse het andere orgaan niet goed stimuleerd), wordt de insufficiëntie van het
doelwitorgaan met tertiair aangeduid.
- Secundaire endocriene stoornissen: niet-endocriene ziekten kunnen op endocriene klieren soms
klinisch waarneembare effecten hebben (bijvoorbeeld secundaire hyperparathyreoïdie bij
chronische nierinsufficiëntie).
- Hormoonresistentie: verminderde tot afwezige capaciteit van vaak normale doelwitorganen om
te reageren op een hormoonstimulus (bijvoorbeeld nefrogene diabetesinsipidus, waarbij de nier
niet of nauwelijks reageert op vasopressine).
- Dyshormonogenese: blokkade in de hormoonsynthese door een defect in het gen dat codeert
voor dat hormoon of in een gen dat codeert voor een voor de synthese van dat hormoon
noodzakelijk enzym (bij bepaalde erfelijke stofwisselingsziekten). Voor bijvoorbeeld de
schildklier kan dit leiden tot struma (=vergrote schildklieren).
- Syndromen die worden veroorzaakt door weefselhormonen: hormoonsecretie door een
hyperplasie of een nieuwvorming die niet uitgaat van een (klassieke) endocriene klier, maar van
diffuus in diverse weefsels aanwezige cellen, die worden gerekend tot het zogenoemde ‘diffuus
neuro-endocriene systeem’ (DNES). Een voorbeeld zijn de neoplasieën die uitgaan van
apocriene klieren rond de anaalzakken en een paraathormoonachtig hormoon (‘PTH-related
peptide’) kunnen afgeven.
- Iatrogene endocriene ziekten: ontstaan door toediening van een overmaat van hormonen
(bijvoorbeeld iatrogeen syndroom van Cushing door corticosteroïd- therapie) of verwijdering
van endocriene klieren (bijvoorbeeld hypogonadisme na castratie).
,§8.2. De hypofyse
De hypofyse bestaat bij de meeste diersoorten uit drie onderdelen: voorkwab (pars anterior),
middenkwab (pars intermedia) en achterkwab (pars posterior of neurohypofyse). In de literatuur wordt
voor de combinatie van voorkwab en middenkwab ook vaak de term adenohypofyse gebruikt.
De voorkwab is een fraai voorbeeld van klassieke endocriene regulatie. De productie en secretie van de
hormonen van de hypofysevoorkwab staan onder directe invloed van hormonen uit de hypothalamus
met een stimulerende (‘releasing hormones’) of remmende (‘inhibiting factors’) werking. De
middenkwab is een voorbeeld van neurale regulatie. Dit betreft voornamelijk een remmende
dopaminerge invloed. De achterkwab is een voorbeeld van neurosecretie. Vanuit bepaalde kernen in de
hypothalamus lopen zenuwvezels door de hypofysesteel naar de neurohypofyse. Nadat zij zijn
geproduceerd in de hypothalamus worden de hormonen van de achterkwab opgeslagen in
secretiegranula in de uiteinden van deze zenuwvezels in de neurohypofyse en daar – na een adequate
prikkeling – afgegeven aan de circulatie.
De hypofyse produceert een tiental hormonen die een regulerende taak hebben bij uiteenlopende
lichaamsprocessen. De twee hormonen van de neurohypofyse, oxytocine en vasopressine, hebben
effecten op glad spierweefsel (van uterus, mammae en bloedvaten) en de niertubuli en spelen daarmee
een belangrijke rol tijdens de partus en in de regulatie van de bloeddruk en de waterexcretie door de
nier. De hormonen van de adenohypofyse spelen onder andere een rol bij de regulatie van groei
, (groeihormoon), de voortplanting (gonadotrope hormonen), metabolisme en stress (ACTH, TSH) en
productie van melk (prolactine).
Bestudeer hierbij ook uit Cunningham’s Textbook of Veterinary Physiology, 5th ed. 2013, Figuur 33-11:
Het hypothalamo-neurohypofyseale systeem (p. 367) en Fig. 33-16: Diagram hypothalamo-hypofysaire
unit (p. 370). ->