Liste de vocabulaire Français 4
Module 1: Actualités
Substantifs
Climat Klimaat
Politique intérieure Binnenlandse politiek
Justice Gerechtigheid
Rechtvaardigheid
Loisirs Hobby’s
Environnement Milieu
Politique étrangère Buitenlandse politiek
Culture Cultuur
Medias Media
Consommation Consumptie
Société Maatschappij
Santé Gezondheid
Criminalité Criminaliteit
Fait divers Verschillende feiten
Sport Sport
People (pipole) Mensen
Des indondations De overstromingen
Les citoyens précarisés De arme mensen
Les coups de feu De schoten
Un surendettement Een schuldenberg
Une grève Een staking
Une agression Een aanval
Un agresseur Een aanvaller
Une annulation Een annulatie
Une arrestation Een aanhouding
Un assassinat Een moord
Un assassin Een moordenaar
Une augmentation Een toename
Une condamnation Een veroordeling
Un condamné Een veroordeelde
Une contestation Een betwisting
Une création Een creatie
Une découverte Een ontdekking
Une destruction Een vernieling
Les élections De verkiezingen
Un électeur Een kiezer
Une électrice
Un envoi Een zending
Une évacuation Een ontruiming
Een evacuatie
Une explosion Een ontploffing
Une fermeture Een sluiting
Une introduction Een inleiding
Une invention Een uitvinding
Un inventeur Een uitvinder
Un lancement Een lancering
Une manifestation Een betoging
Un manifestant Een betoger
Une négociation Een onderhandeling
Un négociateur Een onderhandelaar
Une négociatrice
Une ouverture Een opening
, Une propagation Een verspreiding
Une réduction Een vermindering
Un refus Een weigering
Un témoignage Een getuigenis
Un témoin Een getuige
Une vaccination Een vaccinatie
Un vol Een diefstal
Un voleur Een dief
Un harcèlement Een pesterij
Le lendemain De dag erna
De dag nadien
La veille De dag ervoor
Les environs De omgeving
Verbes
Agresser Aanvallen
Annuler Annuleren
Arrêter Aanhouden
Assassiner Vermoorden
Augmenter (Doen) toenemen
Condamner Veroordelen
Contester Betwisten
Créer Creëren
Découvrir Ontdekken
Détruire Vernielen
Élire Verkiezen
Envoyer Verzenden
Évacuer Evacueren
Ontruimen
Exploser Ontploffen
Fermer Sluiten
Introduire Inleiden
Inventer Uitvinden
Lancer Lanceren
Manifester Betogen
Négocier Onderhandelen
Ouvrir Openen
Propager Verspreiden
Réduire Verminderen
Beperken
Refuser Weigeren
Témoigner Getuigen
Vacciner Vaccineren
Voler Stelen
Extra
Au cours de (la semaine) In de loop van (de week)
Au fin de (d’après-midi) Aan het einde van (de namiddag)
Au milieu de (la nuit) Midden in (de nacht)
Module 2: Le rendez-vous
Substantifs
Un empêchement Een verhindering
Un pneu crevé Een platte band (van een fiets, auto,
motorfiets,…)
Module 1: Actualités
Substantifs
Climat Klimaat
Politique intérieure Binnenlandse politiek
Justice Gerechtigheid
Rechtvaardigheid
Loisirs Hobby’s
Environnement Milieu
Politique étrangère Buitenlandse politiek
Culture Cultuur
Medias Media
Consommation Consumptie
Société Maatschappij
Santé Gezondheid
Criminalité Criminaliteit
Fait divers Verschillende feiten
Sport Sport
People (pipole) Mensen
Des indondations De overstromingen
Les citoyens précarisés De arme mensen
Les coups de feu De schoten
Un surendettement Een schuldenberg
Une grève Een staking
Une agression Een aanval
Un agresseur Een aanvaller
Une annulation Een annulatie
Une arrestation Een aanhouding
Un assassinat Een moord
Un assassin Een moordenaar
Une augmentation Een toename
Une condamnation Een veroordeling
Un condamné Een veroordeelde
Une contestation Een betwisting
Une création Een creatie
Une découverte Een ontdekking
Une destruction Een vernieling
Les élections De verkiezingen
Un électeur Een kiezer
Une électrice
Un envoi Een zending
Une évacuation Een ontruiming
Een evacuatie
Une explosion Een ontploffing
Une fermeture Een sluiting
Une introduction Een inleiding
Une invention Een uitvinding
Un inventeur Een uitvinder
Un lancement Een lancering
Une manifestation Een betoging
Un manifestant Een betoger
Une négociation Een onderhandeling
Un négociateur Een onderhandelaar
Une négociatrice
Une ouverture Een opening
, Une propagation Een verspreiding
Une réduction Een vermindering
Un refus Een weigering
Un témoignage Een getuigenis
Un témoin Een getuige
Une vaccination Een vaccinatie
Un vol Een diefstal
Un voleur Een dief
Un harcèlement Een pesterij
Le lendemain De dag erna
De dag nadien
La veille De dag ervoor
Les environs De omgeving
Verbes
Agresser Aanvallen
Annuler Annuleren
Arrêter Aanhouden
Assassiner Vermoorden
Augmenter (Doen) toenemen
Condamner Veroordelen
Contester Betwisten
Créer Creëren
Découvrir Ontdekken
Détruire Vernielen
Élire Verkiezen
Envoyer Verzenden
Évacuer Evacueren
Ontruimen
Exploser Ontploffen
Fermer Sluiten
Introduire Inleiden
Inventer Uitvinden
Lancer Lanceren
Manifester Betogen
Négocier Onderhandelen
Ouvrir Openen
Propager Verspreiden
Réduire Verminderen
Beperken
Refuser Weigeren
Témoigner Getuigen
Vacciner Vaccineren
Voler Stelen
Extra
Au cours de (la semaine) In de loop van (de week)
Au fin de (d’après-midi) Aan het einde van (de namiddag)
Au milieu de (la nuit) Midden in (de nacht)
Module 2: Le rendez-vous
Substantifs
Un empêchement Een verhindering
Un pneu crevé Een platte band (van een fiets, auto,
motorfiets,…)