NEDERLANDS 1: SPIJKER JE
SPELLING BIJ
Hoofdstuk 1: Werkwoorden
1.1 Tegenwoordige tijd:
Hoofdregel:
> stam + t
Ik studeer Jij studeert Hij/zij studeert
! Als de persoonsvorm vóór het onderwerp je/jij staat, schrijf je geen -t
Je fietst Fiets je?
> Deze regel geldt niet als ‘je/jij’ een meewerkend voorwerp of een bezittelijk voornaamwoord is:
Wordt je vriendje dan toch piloot?
1.2 Verleden tijd en voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden:
Regel van ’t kofschip:
Stam + te of (ge) + stam + t
= de laatste hoorbare klank in de infinitief voor -en is een medeklinker van ’t kofschip of een ‘sj’-klank
Missen Miste Gemist
Stam + de of (ge) + stam + d
= de laatste hoorbare klank in de infinitief voor -en is geen medeklinker van ’t kofschip of een klinker
Branden Brandde Gebrand
1.3 Het voltooid deelwoord als adjectief:
Voltooid deelwoord + en
= geen verandering van de schrijfwijze indien adjectief
> Het brood is gebakken.
> Het gebakken brood ruikt lekker.
Voltooid deelwoord + t/d
= toevoegen van -e indien adjectief
,> Het schip dat is gestrand, moet losgetrokken worden
> Het gestrande schip moet losgetrokken worden.
! De algemene spellingsregels blijven van toepassing
- na een korte klank moet je de medeklinker verdubbelen (bv. uitgeput - uitgeputte)
- na een lange klank is er slechts 1 klinkerteken nodig (bv. vergroot – vergrote)
1.4 Imperatief:
De imperatief drukt een gebod (bevel) of verbod uit.
Kom hier!
Word volwassen!
! Wanneer het onderwerp ‘u’ is, krijg het werkwoord een -t
Meldt u zich bij de politie!
Denkt u gerust nog wat na!
> Als ‘u’ de betekenis heeft van ‘zich’, dan moet er geen -t bij
Wind u niet zo op!
Hoed u voor oplichters!
> Stam + t is de verouderde vorm van de imperatief en wordt enkel nog in oude vaste uitdrukkingen gebruikt, zoals
liedjes of Bijbelteksten
Komt allen tezamen!
Bezint eer ge begint!
1.5 Enkele twijfelgevallen:
U + hulpwerkwoorden:
Gebruik de je-vorm (2e persoon enk.) voor volgende werkwoorden
Hebben U hebt
Kunnen U kunt
Mogen U mag
Willen U wilt
Zijn U bent
Zullen U zult – U zou
Hij wil of hij wilt?
Hij wil!
Je zal of je zult?
zie boven
> wanneer ‘je’ de betekenis van ‘men’ heeft, gebruik je ‘je zal’
Je zal het maar meemaken!
,1.6 Stamtijden van enkele ‘probleemwerkwoorden’:
Aanzien Zag aan Aangezien
Afgelasten Gelastte af Afgelast
Bederven Bedierf Bedorven
Belijden Beleed Beleden
Benijden Benijdde Benijd
Bevelen Beval Bevolen
Bidden Bad Gebeden
Blazen Blies Geblazen
Breiden Breide Gebreid
Brouwen Brouwde Gebrouwen
Delven Dolf/delfde Gedolven
Durven Durfde Gedurfd
Eten At Gegeten
Genezen Genas Genezen
Graven Groef Gegraven
Hangen Hing Gehangen
Heffen Hief Geheven
Hijsen Hees Gehesen
Jagen Jaagde (op jacht) Gejaagd
Joeg (andere betekenis)
Kerven Korf /kerfde Gekerfd/gekorven
Kijven Keef Gekeven
Klagen Klaagde Geklaagd
Klieven (door lucht) Kliefde Gekliefd
Kloven (bv. diamant) Kloofde Gekloofd
Krimpen Kromp Gekrompen
Kunnen Kon Gekund
Lezen Las Gelezen
Malen (graan) Maalde Gemalen
Meten Mat Gemeten
Melken Molk Gemolken
Mogen Mocht Gemogen
Overhalen Haalde over Overgehaald
Plegen (moord) Pleegde Gepleegde
Pluizen Ploos (uitrafelen) Geplozen
Pluisde (pluisjes) Gepluisd
Plukken Plukte Geplukt
Prijzen Prees (loven) Geprezen
Prijsde (prijs bepalen) Geprijsd
Raden Raadde Geraden
Rekken Rekte Gerekt
Rijgen Reeg Geregen
Rijzen Rees Gerezen
Scheppen Schiep (maken) Geschapen
Schepte (putten) Geschept
Scheren Schoor (baard) Geschoren
Scheerde (over water) Gescheerd
Schrikken Schrok Geschrokken
Schuilen Schuilde/school Geschuild/gescholen
Skiën Skiede Geskied
Slaan Sloeg Geslagen
, Snuiten Snoot Gesnoten
Snuiven Snoof Gesnoven
Spugen Spuugde Gespuugd
Steken Stak Gestoken
Stijven Steef (stijfsel) Gesteven
Stijfde (sterken) Gestijfd
Stofzuigen Stofzuigde Gestofzuigd
Stoten Stootte/stiet Gestoten
Varen Voer Gevaren
Vernissen Verniste Gevernist
Verraden Verraadde Verraden
Vouwen Vouwde Gevouwen
Vragen Vroeg Gevraagd
Vriezen Vroor Gevroren
Vrijen Vrijde Gevrijd
Waaien Waaide Gewaaid
Weven Weefde Geweven
Willen Wilde/wou (enkelvoud) Gewild
Wilden (meerwoud)
Wreken Wreekte Gewroken
Zweren Zwoer (eed afleggen) Gezworen
Zwoor/zweerde (etteren)
Zuigen Zoog Gezogen
1.7 Vervoeging van Engelse werkwoorden:
Engelse werkwoorden gedragen zich zoals zwakke werkwoorden in het Nederlands, ze volgen dus de regels van ’t
kofschip
Stam + te of (ge) + stam + t
= wanneer de uitspraak van de stam eindigt om een medeklinker van ’t kofschip of een ‘sj’-klank
Faxen Faxte Gefaxt
Stam + de of (ge) + stam + d
= in alle andere gevallen
De stam eindigt op een klinker:
Fonduen Fondude Gefonduud
De uitspraak van de stam eindigt om een stemhebbende klinker:
Showen Showde Geschowd
Speciale gevallen:
- er is een -e nodig voor de correcte uitspraak
Racen Racete Geracet
- de ‘o’ in de stam wordt verdubbeld
Scoren Scoorde Gescoord
SPELLING BIJ
Hoofdstuk 1: Werkwoorden
1.1 Tegenwoordige tijd:
Hoofdregel:
> stam + t
Ik studeer Jij studeert Hij/zij studeert
! Als de persoonsvorm vóór het onderwerp je/jij staat, schrijf je geen -t
Je fietst Fiets je?
> Deze regel geldt niet als ‘je/jij’ een meewerkend voorwerp of een bezittelijk voornaamwoord is:
Wordt je vriendje dan toch piloot?
1.2 Verleden tijd en voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden:
Regel van ’t kofschip:
Stam + te of (ge) + stam + t
= de laatste hoorbare klank in de infinitief voor -en is een medeklinker van ’t kofschip of een ‘sj’-klank
Missen Miste Gemist
Stam + de of (ge) + stam + d
= de laatste hoorbare klank in de infinitief voor -en is geen medeklinker van ’t kofschip of een klinker
Branden Brandde Gebrand
1.3 Het voltooid deelwoord als adjectief:
Voltooid deelwoord + en
= geen verandering van de schrijfwijze indien adjectief
> Het brood is gebakken.
> Het gebakken brood ruikt lekker.
Voltooid deelwoord + t/d
= toevoegen van -e indien adjectief
,> Het schip dat is gestrand, moet losgetrokken worden
> Het gestrande schip moet losgetrokken worden.
! De algemene spellingsregels blijven van toepassing
- na een korte klank moet je de medeklinker verdubbelen (bv. uitgeput - uitgeputte)
- na een lange klank is er slechts 1 klinkerteken nodig (bv. vergroot – vergrote)
1.4 Imperatief:
De imperatief drukt een gebod (bevel) of verbod uit.
Kom hier!
Word volwassen!
! Wanneer het onderwerp ‘u’ is, krijg het werkwoord een -t
Meldt u zich bij de politie!
Denkt u gerust nog wat na!
> Als ‘u’ de betekenis heeft van ‘zich’, dan moet er geen -t bij
Wind u niet zo op!
Hoed u voor oplichters!
> Stam + t is de verouderde vorm van de imperatief en wordt enkel nog in oude vaste uitdrukkingen gebruikt, zoals
liedjes of Bijbelteksten
Komt allen tezamen!
Bezint eer ge begint!
1.5 Enkele twijfelgevallen:
U + hulpwerkwoorden:
Gebruik de je-vorm (2e persoon enk.) voor volgende werkwoorden
Hebben U hebt
Kunnen U kunt
Mogen U mag
Willen U wilt
Zijn U bent
Zullen U zult – U zou
Hij wil of hij wilt?
Hij wil!
Je zal of je zult?
zie boven
> wanneer ‘je’ de betekenis van ‘men’ heeft, gebruik je ‘je zal’
Je zal het maar meemaken!
,1.6 Stamtijden van enkele ‘probleemwerkwoorden’:
Aanzien Zag aan Aangezien
Afgelasten Gelastte af Afgelast
Bederven Bedierf Bedorven
Belijden Beleed Beleden
Benijden Benijdde Benijd
Bevelen Beval Bevolen
Bidden Bad Gebeden
Blazen Blies Geblazen
Breiden Breide Gebreid
Brouwen Brouwde Gebrouwen
Delven Dolf/delfde Gedolven
Durven Durfde Gedurfd
Eten At Gegeten
Genezen Genas Genezen
Graven Groef Gegraven
Hangen Hing Gehangen
Heffen Hief Geheven
Hijsen Hees Gehesen
Jagen Jaagde (op jacht) Gejaagd
Joeg (andere betekenis)
Kerven Korf /kerfde Gekerfd/gekorven
Kijven Keef Gekeven
Klagen Klaagde Geklaagd
Klieven (door lucht) Kliefde Gekliefd
Kloven (bv. diamant) Kloofde Gekloofd
Krimpen Kromp Gekrompen
Kunnen Kon Gekund
Lezen Las Gelezen
Malen (graan) Maalde Gemalen
Meten Mat Gemeten
Melken Molk Gemolken
Mogen Mocht Gemogen
Overhalen Haalde over Overgehaald
Plegen (moord) Pleegde Gepleegde
Pluizen Ploos (uitrafelen) Geplozen
Pluisde (pluisjes) Gepluisd
Plukken Plukte Geplukt
Prijzen Prees (loven) Geprezen
Prijsde (prijs bepalen) Geprijsd
Raden Raadde Geraden
Rekken Rekte Gerekt
Rijgen Reeg Geregen
Rijzen Rees Gerezen
Scheppen Schiep (maken) Geschapen
Schepte (putten) Geschept
Scheren Schoor (baard) Geschoren
Scheerde (over water) Gescheerd
Schrikken Schrok Geschrokken
Schuilen Schuilde/school Geschuild/gescholen
Skiën Skiede Geskied
Slaan Sloeg Geslagen
, Snuiten Snoot Gesnoten
Snuiven Snoof Gesnoven
Spugen Spuugde Gespuugd
Steken Stak Gestoken
Stijven Steef (stijfsel) Gesteven
Stijfde (sterken) Gestijfd
Stofzuigen Stofzuigde Gestofzuigd
Stoten Stootte/stiet Gestoten
Varen Voer Gevaren
Vernissen Verniste Gevernist
Verraden Verraadde Verraden
Vouwen Vouwde Gevouwen
Vragen Vroeg Gevraagd
Vriezen Vroor Gevroren
Vrijen Vrijde Gevrijd
Waaien Waaide Gewaaid
Weven Weefde Geweven
Willen Wilde/wou (enkelvoud) Gewild
Wilden (meerwoud)
Wreken Wreekte Gewroken
Zweren Zwoer (eed afleggen) Gezworen
Zwoor/zweerde (etteren)
Zuigen Zoog Gezogen
1.7 Vervoeging van Engelse werkwoorden:
Engelse werkwoorden gedragen zich zoals zwakke werkwoorden in het Nederlands, ze volgen dus de regels van ’t
kofschip
Stam + te of (ge) + stam + t
= wanneer de uitspraak van de stam eindigt om een medeklinker van ’t kofschip of een ‘sj’-klank
Faxen Faxte Gefaxt
Stam + de of (ge) + stam + d
= in alle andere gevallen
De stam eindigt op een klinker:
Fonduen Fondude Gefonduud
De uitspraak van de stam eindigt om een stemhebbende klinker:
Showen Showde Geschowd
Speciale gevallen:
- er is een -e nodig voor de correcte uitspraak
Racen Racete Geracet
- de ‘o’ in de stam wordt verdubbeld
Scoren Scoorde Gescoord