Farmacologie
Farmacologie = het vakgebied dat zich bezighoudt met wat farmaca doen en hoe ze dat
doen.
Farmacon = chemische verbinding die wordt gebruikt om ziektes te behandelen =
geneesmiddel
Elk farmacon heeft bijwerkingen, waarvan sommige wel toxisch zijn en andere niet.
Wat de hoofdwerking is en wat de bijwerkingen zijn hangt af van het therapeutisch doel.
Farmacologie is op te delen in:
1. Farmacodynamiek beschrijft wat het farmacon met het lichaam doet.
(geneesmiddel-receptor-interactie, werkingsmechanisme)
2. Farmacokinetiek beschrijft van het lichaam met het farmacon doet.
Bepaald bijvoorbeeld de dosering en hoelang je dit moet volhouden.
Verschillende fasen van toedienen farmacon tot therapeutisch effect:
farmacie (farmaceutische vormgeving van een geneesmiddel) → farmacokinetiek →
farmacodynamiek
Farmacotherapie = het toepassen van kennis en kunde uit de farmacologie voor het op een
verantwoorde, effectieve en veilige wijze behandelen van de zieke mens (dus toegepaste
farmacologie).
De hoofdwerking is het effect waar het geneesmiddel voor wordt toegediend.
De bijwerking is het ongewenste effect van het geneesmiddel.
Een intoxicatie is een ongewenst effect door een overdosering.
Therapeutisch raam = geeft concentraties waarbinnen het bloedplasma van het farmacon
zich moet bevinden.
De grenzen hiervan worden bepaald door de minimale effectieve plasmaconcentratie (MEC);
het medicijn gaat werken, en de minimale toxische plasmaconcentratie (MTC); het medicijn
wordt toxisch vanwege hevige bijwerkingen.
,Farmacodynamiek (wat doet het farmacon met het lichaam → werkingsmechanisme)
Er zijn vier niveaus waarop gecommuniceerd wordt over de werking van farmaca.
1. systeem
Het effect dat het farmacon heeft op de systeemfunctie (bv bloedcirculatie).
2. weefsel
Het effect dat het farmacon heeft op de functie van een weefsel (bv
contractie/secretie).
3. cellulair
Transductie; communicatie tussen de cellen; de biochemische stoffen die gelinkt zijn
aan het aangrijpingspunt van het farmacon.
4. moleculair
De interactie met het moleculaire aangrijpingspunt van het farmacon.
Het mechanisme is pas echt goed te bestuderen op moleculair niveau.
Een vijfde niveau zou eigenlijk moeten zijn wat het effect is dat het farmacon heeft op het
welbevinden van de patiënt, maar dit is lastig omdat sommige behandelingen geen direct
merkbaar effect hebben voor de patiënt, terwijl de behandeling op lange termijn veel
voordelen heeft.
Aangrijpingspunten/targets voor farmaca zijn:
Receptoren
Agonisten binden aan een receptor en activeren deze. Antagonisten binden ook aan een
receptor, maar hebben geen effect. Deze blokkeren hiermee de bindingsplek voor agonisten.
Enzymen
Inhibitoren (enzymremmers) binden aan de katalytische kant van een receptor, waardoor
de normale reactie die wordt gekatalyseerd, wordt geremd, doordat de active site als bezet
is.
Valse substraten bezetten het enzym niet, maar worden er zelf door omgezet, waardoor
abnormale metabolieten worden geproduceerd. De enzymactiviteit wordt hierdoor (in minder
mate) geremd.
Pro-drugs zijn inactieve stoffen die door enzymatische activiteit omgezet worden tot een
actief farmacon.
Transporteiwitten
Transporteiwitten transporteren stoffen over het celmembraan. Bepaalde farmaca inhiberen
deze transport.
Transporteiwitten kunnen ook worden geremd door middel van een vals substraat.
Ionkanalen
Ionkanaalblokkers blokkeren de passage van het ion dat normaal door het kanaal gaat.
Er zijn ook stoffen die moduleren hoe lang het kanaal op staat = modulators.
Idiosyncratische targets (metaalionen, surfactant eiwitten etc.)
Nucleïnezuren (DNA, RNA)
, Bij directe farmacodynamische interacties kan er sprake zijn antagonisme:
Antagonisme = de werking van twee middelen gaan elkaar tegen.
Voorbeelden:
- opiaten met naloxon
- vitamine K antagonisten met vitamine K
- methotrexaat met folinezuur
Twee middelen kunnen elkaar ook versterken:
Summatie = werking van twee middelen wordt bij elkaar opgeteld
Synergisme = middelen werken samen beter dan alleen
- ACE-remmers en AT-2 agonisten
Bij indirecte farmacodynamische interacties grijpen de interacties niet op elkaar aan.
- hydrochloorthiazide en bètablokkers verlagen beide de bloeddruk, maar grijpen ieder
een ander systeem aan
ze kunnen elkaar wel beïnvloeden en zo het effect versterken
Placebo = middel dat geen farmacologisch actieve substantie bevat
Als een patiënt gelooft dat een middel een bepaalde werking heeft, kan dit de patiënt
psychologisch zodanig beïnvloeden, dat de symptomen verminderen of verdwijnen
(placebo-effect).
Hiertegenover staat het nocebo-effect = de patiënt ervaart nadelige effecten, maar het is
lastig te onderscheiden of er echt sprake is van bijwerkingen als gevolg van de actieve
substantie, of dat de patiënt hier slechts van overtuigd is.
Agonist = na binding van een agonist aan een receptor ontstaat er een complex, waardoor
de ruimtelijke structuur van de receptormolecuul verandert, waardoor deze wordt
geactiveerd, waardoor er een respons (bijv de bloeddruk gaat omlaag) plaatsvindt.
Agonisten activeren de receptor dus.
Volle agonisten kunnen het maximale effect van een receptor bereiken → intrinsieke
effectiviteit is gelijk aan 100% = 1.
Partiële agonisten doen minder dan een volle agonist, maar meer dan een antagonist.
Intrinsieke activiteit ligt tussen de 0 en 1.
Inverse agonisten hebben een negatieve werkzaamheid; ze verlagen de activiteit.
Intrinsieke activiteit ligt tussen de 0 en -1.
Antagonist = na binding van een antagonist verandert de ruimtelijke structuur van het
receptormolecuul niet, waardoor er geen respons plaatsvindt.
De intrinsieke effectiviteit van een antagonist is gelijk aan 0% = 0.
Competitieve antagonist = door binding van deze antagonist aan de orthosterische
bindingsplek kan de agonist hier niet meer aan binden en dus geen reactie op gang
brengen.
Farmacologie = het vakgebied dat zich bezighoudt met wat farmaca doen en hoe ze dat
doen.
Farmacon = chemische verbinding die wordt gebruikt om ziektes te behandelen =
geneesmiddel
Elk farmacon heeft bijwerkingen, waarvan sommige wel toxisch zijn en andere niet.
Wat de hoofdwerking is en wat de bijwerkingen zijn hangt af van het therapeutisch doel.
Farmacologie is op te delen in:
1. Farmacodynamiek beschrijft wat het farmacon met het lichaam doet.
(geneesmiddel-receptor-interactie, werkingsmechanisme)
2. Farmacokinetiek beschrijft van het lichaam met het farmacon doet.
Bepaald bijvoorbeeld de dosering en hoelang je dit moet volhouden.
Verschillende fasen van toedienen farmacon tot therapeutisch effect:
farmacie (farmaceutische vormgeving van een geneesmiddel) → farmacokinetiek →
farmacodynamiek
Farmacotherapie = het toepassen van kennis en kunde uit de farmacologie voor het op een
verantwoorde, effectieve en veilige wijze behandelen van de zieke mens (dus toegepaste
farmacologie).
De hoofdwerking is het effect waar het geneesmiddel voor wordt toegediend.
De bijwerking is het ongewenste effect van het geneesmiddel.
Een intoxicatie is een ongewenst effect door een overdosering.
Therapeutisch raam = geeft concentraties waarbinnen het bloedplasma van het farmacon
zich moet bevinden.
De grenzen hiervan worden bepaald door de minimale effectieve plasmaconcentratie (MEC);
het medicijn gaat werken, en de minimale toxische plasmaconcentratie (MTC); het medicijn
wordt toxisch vanwege hevige bijwerkingen.
,Farmacodynamiek (wat doet het farmacon met het lichaam → werkingsmechanisme)
Er zijn vier niveaus waarop gecommuniceerd wordt over de werking van farmaca.
1. systeem
Het effect dat het farmacon heeft op de systeemfunctie (bv bloedcirculatie).
2. weefsel
Het effect dat het farmacon heeft op de functie van een weefsel (bv
contractie/secretie).
3. cellulair
Transductie; communicatie tussen de cellen; de biochemische stoffen die gelinkt zijn
aan het aangrijpingspunt van het farmacon.
4. moleculair
De interactie met het moleculaire aangrijpingspunt van het farmacon.
Het mechanisme is pas echt goed te bestuderen op moleculair niveau.
Een vijfde niveau zou eigenlijk moeten zijn wat het effect is dat het farmacon heeft op het
welbevinden van de patiënt, maar dit is lastig omdat sommige behandelingen geen direct
merkbaar effect hebben voor de patiënt, terwijl de behandeling op lange termijn veel
voordelen heeft.
Aangrijpingspunten/targets voor farmaca zijn:
Receptoren
Agonisten binden aan een receptor en activeren deze. Antagonisten binden ook aan een
receptor, maar hebben geen effect. Deze blokkeren hiermee de bindingsplek voor agonisten.
Enzymen
Inhibitoren (enzymremmers) binden aan de katalytische kant van een receptor, waardoor
de normale reactie die wordt gekatalyseerd, wordt geremd, doordat de active site als bezet
is.
Valse substraten bezetten het enzym niet, maar worden er zelf door omgezet, waardoor
abnormale metabolieten worden geproduceerd. De enzymactiviteit wordt hierdoor (in minder
mate) geremd.
Pro-drugs zijn inactieve stoffen die door enzymatische activiteit omgezet worden tot een
actief farmacon.
Transporteiwitten
Transporteiwitten transporteren stoffen over het celmembraan. Bepaalde farmaca inhiberen
deze transport.
Transporteiwitten kunnen ook worden geremd door middel van een vals substraat.
Ionkanalen
Ionkanaalblokkers blokkeren de passage van het ion dat normaal door het kanaal gaat.
Er zijn ook stoffen die moduleren hoe lang het kanaal op staat = modulators.
Idiosyncratische targets (metaalionen, surfactant eiwitten etc.)
Nucleïnezuren (DNA, RNA)
, Bij directe farmacodynamische interacties kan er sprake zijn antagonisme:
Antagonisme = de werking van twee middelen gaan elkaar tegen.
Voorbeelden:
- opiaten met naloxon
- vitamine K antagonisten met vitamine K
- methotrexaat met folinezuur
Twee middelen kunnen elkaar ook versterken:
Summatie = werking van twee middelen wordt bij elkaar opgeteld
Synergisme = middelen werken samen beter dan alleen
- ACE-remmers en AT-2 agonisten
Bij indirecte farmacodynamische interacties grijpen de interacties niet op elkaar aan.
- hydrochloorthiazide en bètablokkers verlagen beide de bloeddruk, maar grijpen ieder
een ander systeem aan
ze kunnen elkaar wel beïnvloeden en zo het effect versterken
Placebo = middel dat geen farmacologisch actieve substantie bevat
Als een patiënt gelooft dat een middel een bepaalde werking heeft, kan dit de patiënt
psychologisch zodanig beïnvloeden, dat de symptomen verminderen of verdwijnen
(placebo-effect).
Hiertegenover staat het nocebo-effect = de patiënt ervaart nadelige effecten, maar het is
lastig te onderscheiden of er echt sprake is van bijwerkingen als gevolg van de actieve
substantie, of dat de patiënt hier slechts van overtuigd is.
Agonist = na binding van een agonist aan een receptor ontstaat er een complex, waardoor
de ruimtelijke structuur van de receptormolecuul verandert, waardoor deze wordt
geactiveerd, waardoor er een respons (bijv de bloeddruk gaat omlaag) plaatsvindt.
Agonisten activeren de receptor dus.
Volle agonisten kunnen het maximale effect van een receptor bereiken → intrinsieke
effectiviteit is gelijk aan 100% = 1.
Partiële agonisten doen minder dan een volle agonist, maar meer dan een antagonist.
Intrinsieke activiteit ligt tussen de 0 en 1.
Inverse agonisten hebben een negatieve werkzaamheid; ze verlagen de activiteit.
Intrinsieke activiteit ligt tussen de 0 en -1.
Antagonist = na binding van een antagonist verandert de ruimtelijke structuur van het
receptormolecuul niet, waardoor er geen respons plaatsvindt.
De intrinsieke effectiviteit van een antagonist is gelijk aan 0% = 0.
Competitieve antagonist = door binding van deze antagonist aan de orthosterische
bindingsplek kan de agonist hier niet meer aan binden en dus geen reactie op gang
brengen.