Bio psychologie samenvatting boek en college
aantekeningen
Biological psychology |14th editi on
Chapter 1: the cellular foundations of behavior + college 1
Verklaren van gedrag:
• Fysiologisch niveau: verband onderzoeken tussen de fysiologische processen in (met
name) de hersenen en ons gedrag
• Ontogenetisch niveau: onderzoeken hoe gedrag of een hersenstructuur zich ontwikkelt
in een individu, waarbij de rol van genen, voeding en ervaringen wordt meegenomen
• Evolutionair niveau: gedrag of een hersenstructuur relateren aan de evolutionaire
geschiedenis van een soort (hoe heeft de ontwikkeling plaatsgevonden)
• Functioneel niveau: onderzoeken waarom gedrag of een hersenstructuur zich op een
bepaalde manier ontwikkeld heeft
Celstructuur
Celmembraan: 2 lagen vetcellen, zitten proteïne kanalen in. Semi permeabel kan niet
heen en weer.
Celkern: DNA, De kern is omgeven door een dubbel membraan, het kernmembraan, dat
communicatie met de rest van de cel mogelijk maakt.
Mitochondriën: De mitochondriën worden vaak de "energiecentrales" van de cel genoemd.
Ze zijn verantwoordelijk voor het genereren van energie in de vorm van ATP.
Ribosomen: Ribosomen zijn de fabriekjes in de cel die eiwitten aanmaken. Ze kunnen vrij in
het cytoplasma drijven of gebonden zijn aan het endoplasmatisch reticulum. Door instructies
van het DNA, via mRNA, te volgen, bouwen ribosomen eiwitten die nodig zijn voor celgroei,
reparatie en regulatie van processen.
Endoplasmatisch reticulum (ER): Het endoplasmatisch reticulum is een netwerk van
membranen dat een belangrijke rol speelt in de productie, verwerking en transport van
eiwitten en lipiden. Het ER heeft twee vormen:
• Ruw ER: Bedekt met ribosomen en betrokken bij de eiwitsynthese.
• Glad ER: Betrokken bij de synthese van lipiden en detoxificatie van schadelijke
stoffen.
Zenuwstelsel hersenen + ruggenmerk
• Neuronen (zenuwcellen): ontvangen informatie en geven door naar andere cellen.
o Cellichaam (soma): centrale deel van
neuron, waar de celkern en de meeste
organellen zich bevinden
o Dendrieten: uitlopers die de signalen
ontvangen van andere neuronen of
sensorische cellen.
o Axon: een langere uitloper die signalen
doorgeeft naar andere neuronen, spieren of
klieren.
o Synapsen: de verbindingspunten waar een neuron signalen overdraagt naar
een ander neuron of een doelcel via chemische stoffen. Neurotransmitters
, Sensorische neuronen (afferente neuronen)
• Geleiden signalen van zintuigen naar centrale zenuwstelsel
• Meestal unipolair
• Lange dendriet/axon
Motorische neuronen (efferente neuronen)
• Geleiden signalen van het centrale zenuwstelsel naar spieren
of klieren
• Multipolair
• Complex cellichaam met veel vertakte dendrieten en een lange axon die direct naar
de doelcel leidt.
Schakelneuronen (interneuronen)
• Verbinden sensorische en motorische neuronen in
het centrale zenuwstelsel
• Multipolair
• Klein cellichaam met veel korte dendrieten en een
korte of ontbrekende axon, afhankelijk van de functie
Afferent: ‘naar toe’
Efferent: ‘van af’
• Gliacellen
o Astrocyten:
ondersteuenen neuronen fysiek en metabool.
Vorming bloed-hersenbarrière
Reguleren van ionen- en neurotransmitterconcentraties in de
extracellulaire vloeistof.
Repareren van beschadigd zenuwweefsel en vormen van
littekenweefsel
Locatie rond neuronen, synapsen en bloedvaten
o Oligodendrocyten:
Produceren myeline
Bevorderen snellere signaalgeleiding langs de axonen
o Microgliacellen:
Werken als imuumcellen en verwijderen afvalstoffen, dode cellen en
ziekteverwekkers via fagocytose
Detecteren en reageren op ontstekingen en schade in CZS
o Ependymale cellen:
Bekleden de ventrikels van de hersenen en het centrale kanaal van
ruggenmerg
Produceren en circuleren van cerebrospinale vloeistof die CSZ
beschermt en voedt.
aantekeningen
Biological psychology |14th editi on
Chapter 1: the cellular foundations of behavior + college 1
Verklaren van gedrag:
• Fysiologisch niveau: verband onderzoeken tussen de fysiologische processen in (met
name) de hersenen en ons gedrag
• Ontogenetisch niveau: onderzoeken hoe gedrag of een hersenstructuur zich ontwikkelt
in een individu, waarbij de rol van genen, voeding en ervaringen wordt meegenomen
• Evolutionair niveau: gedrag of een hersenstructuur relateren aan de evolutionaire
geschiedenis van een soort (hoe heeft de ontwikkeling plaatsgevonden)
• Functioneel niveau: onderzoeken waarom gedrag of een hersenstructuur zich op een
bepaalde manier ontwikkeld heeft
Celstructuur
Celmembraan: 2 lagen vetcellen, zitten proteïne kanalen in. Semi permeabel kan niet
heen en weer.
Celkern: DNA, De kern is omgeven door een dubbel membraan, het kernmembraan, dat
communicatie met de rest van de cel mogelijk maakt.
Mitochondriën: De mitochondriën worden vaak de "energiecentrales" van de cel genoemd.
Ze zijn verantwoordelijk voor het genereren van energie in de vorm van ATP.
Ribosomen: Ribosomen zijn de fabriekjes in de cel die eiwitten aanmaken. Ze kunnen vrij in
het cytoplasma drijven of gebonden zijn aan het endoplasmatisch reticulum. Door instructies
van het DNA, via mRNA, te volgen, bouwen ribosomen eiwitten die nodig zijn voor celgroei,
reparatie en regulatie van processen.
Endoplasmatisch reticulum (ER): Het endoplasmatisch reticulum is een netwerk van
membranen dat een belangrijke rol speelt in de productie, verwerking en transport van
eiwitten en lipiden. Het ER heeft twee vormen:
• Ruw ER: Bedekt met ribosomen en betrokken bij de eiwitsynthese.
• Glad ER: Betrokken bij de synthese van lipiden en detoxificatie van schadelijke
stoffen.
Zenuwstelsel hersenen + ruggenmerk
• Neuronen (zenuwcellen): ontvangen informatie en geven door naar andere cellen.
o Cellichaam (soma): centrale deel van
neuron, waar de celkern en de meeste
organellen zich bevinden
o Dendrieten: uitlopers die de signalen
ontvangen van andere neuronen of
sensorische cellen.
o Axon: een langere uitloper die signalen
doorgeeft naar andere neuronen, spieren of
klieren.
o Synapsen: de verbindingspunten waar een neuron signalen overdraagt naar
een ander neuron of een doelcel via chemische stoffen. Neurotransmitters
, Sensorische neuronen (afferente neuronen)
• Geleiden signalen van zintuigen naar centrale zenuwstelsel
• Meestal unipolair
• Lange dendriet/axon
Motorische neuronen (efferente neuronen)
• Geleiden signalen van het centrale zenuwstelsel naar spieren
of klieren
• Multipolair
• Complex cellichaam met veel vertakte dendrieten en een lange axon die direct naar
de doelcel leidt.
Schakelneuronen (interneuronen)
• Verbinden sensorische en motorische neuronen in
het centrale zenuwstelsel
• Multipolair
• Klein cellichaam met veel korte dendrieten en een
korte of ontbrekende axon, afhankelijk van de functie
Afferent: ‘naar toe’
Efferent: ‘van af’
• Gliacellen
o Astrocyten:
ondersteuenen neuronen fysiek en metabool.
Vorming bloed-hersenbarrière
Reguleren van ionen- en neurotransmitterconcentraties in de
extracellulaire vloeistof.
Repareren van beschadigd zenuwweefsel en vormen van
littekenweefsel
Locatie rond neuronen, synapsen en bloedvaten
o Oligodendrocyten:
Produceren myeline
Bevorderen snellere signaalgeleiding langs de axonen
o Microgliacellen:
Werken als imuumcellen en verwijderen afvalstoffen, dode cellen en
ziekteverwekkers via fagocytose
Detecteren en reageren op ontstekingen en schade in CZS
o Ependymale cellen:
Bekleden de ventrikels van de hersenen en het centrale kanaal van
ruggenmerg
Produceren en circuleren van cerebrospinale vloeistof die CSZ
beschermt en voedt.