HT1. De chemie van levende
wezens.
Polaire moleculen moleculen die een verschil in lading hebben
Apolaire moleculen moleculen die geen verschil in lading hebben
Moleculatie Water wordt groter wanner bevroren
Thermoregulatie Correcte temperatuur houden
Solvent: vloeistof waarin andere substanties oplossen
Solute: opgeloste stof
Hydrofiel: polaire moleculen die aangetrokken worden door water en die gemakkelijk
interageren met water.
Hydrofoob: apolaire neutrale moleculen die niet interageren met of oplossen in water
(lipiden)
Emulgatoren kunnen ervoor zorgen dat hydrofobe stoffen toch kunnen oplossen in water (bv.
mayonaise is een emulsie; in het eigeel zitten emulgators
de intracellulaire het neemt de ruimten tussen de cellen
ruimte
Zuren An acid is any molecule that can donate (give up) an H+ ion
Basen Een base is een molecuul dat een H+ ion kan accepteren
PH-schaal Drukt de waterstofconcentratie uit
- Zuren: pH < 7
- Neutraal: pH = 7 (water)
- Basen: pH > 7
homeostase Het ideale lichamstoestand: veel organen zijn afhankelijk van deze lichamelijke
staat, bv de enzymen
Ph- buffers Stoffen die het veranderingen inhomeostase minimaliseert
- Bloed/urine/koofstof (hyperventileren)
Hyperventileren bicarbonaatbuffer wordt ontregeld à pH-waarde verandert (flauwvallen).
dehydration molecule worden samen opgebouwd/verbonden door coavalente verbindingen.
sunthesis: Van subheden naar macromoleculen
hydrolyse het afbreken van macromoleculen
maakt energie vrij à opgeslagen als potentiële energie (bv hydrolyse met
glycogeen)
macromoleculen Kooolhydraten // Vetten/lipiden // Nucleinezuren // Proteinen
,koolhydraten energie en ondersteuning.
- Insuline nodig om te afbreken
Monosachariden Disachariden Polysachariden
• Glucose • sucrose • zeetmeel
• fructose • maltose • glycogeen
• galactose • lactose • cellulose
• ribose
• deorybose
Vetten/ lipiden Tryglyceriden: bevaat 1 glycerool en 3 vetzuren:
• vetzuren: verzadigd en onverzadigd
o verzadigd: in vetten
o onverzadigd: in olieen
fosfolipiden: belangrijke component v. celmembraanen:
steroïden: onmogelijk oploosbaar op water
• cholesterol & geslachthormonen
Vetzuurstaven: zorgt ervoor dat vet niet gemakkelijk oplost in water
Proteïnen Ondersteunen/ maken enzymen/ beweging/ verdediging / transport van
substanties.
Lange ketens v aminozuren
proteïne is een polypeptide van meer dan 100 aminozuren
Aminozuren subunits van proteïnen die geproduceerd worden door
dehydratiesynthesereacties.
20 verschillende aminozuren op menselijke eiwitten.
Structuur:
- aminozuursequentie(amino verbinden door peptidebinding)
- vorm van eiwit(alfa helix krult//beta plooien)
- driedimensionale vorm(polaire/apolair gebied in mol. maken)
- polypeptide kettingen (complex eiwit vormen)
Denaturatie Permanente beschading van eiwitstructuur door temperatuur of PH è verlies
van biologische functie
Enzymen Proteinen (meestaal) die een biologische chemische reactie versnelt zonder het
eindproduct te veranderen..
Afhankelijk van: C° // PH // ionconcentratie// aawzg van remmers
Nucleïnezuren Slaan genetische info op.// lange ketens van nucleotiden
nucleotiden Bevat uit:
5-koolstof suiker
• DNA-nucleotiden: desoxyribonucleïnezuur
• RNA-nucleotiden: ribonucleïnezuur
Stikstofhoudende basen (nitrogenous bases)
Fosfaatgroep
DNA Genetische materiaal/replicatie/levensprocessen manage/RNA guide
,deoxyribonucleic Structuur: nucleotide (monomeren) bouwstenen (A T // G C) van nucleinezuren
acid
RNA: Ribonucleic Assistent van DNA//nucleus naar cytoplasma keren// bevat ribose // A D C U
acid
ATP Een nucleotide die bestaat uit adenosine en drie fosfaatgroepen. ATP is een
belangrijke energiedrager voor de cel omdat er energie vrijkomt wanneer een van
de fosfaatgroepen wordt verwijderd.
HT 2. Structuur & functie van cellen.
eukaryote cellen Menselijke cel die: plamamembraan//celkern en cytoplasma bevat
Prokaryote cellen Bacterielle cellen/ hebben ook een cytoplasma// rigid wall// hebben een tekort
aan organellen // dezelfde genetisch materiaal
Microvilli Cellen die een kleine uitsteeksels hebben, deze compeenseert zijn
oppervlakgebruik en bevinden zich in plaatsen van et lichaam waarop cellen in en
buiten gaan. (bv spijtsvertering//longen//)
Microscopen Lichtmicroscoop: de oudste// 1000x groot//
TEM microscoop: elektrobundels// doorsnede v celmembraan
SEM microscoop//3d oppervlak celoppervlak laten zien
Nucleolus: hier worden de componenten van ribosomen (RNA en ribosomale eiwitten)
aangemaakt. Deze gaan door de poriën naar buiten om ribosomen te kunnen
vormen in het cytoplasma. IN DE CEL
Ribosomen Het maken van specifieke eiwitten
Polyribosomen Snaar naar ribosomen die tegelijkertijd hetzelfde eiwit synthetiseerde
Endoplasmatisch De meeste ribosomen worden hier aangemakt, verdeeld in 2 types de ruwe en
reticulum glade:
Het gladde ER verpakt de eiwitten en andere producten van het ER en bereidt ze
voor op transport naar het Golgi-apparaat in blaasjes.
Golgi appaaat
, HT-4: Het skeletstelsel
Bindweefsels
Botten Harde elementen van het skelet
Ligamenten Dens vezelig/fibreus bindweefsel; bevestigt botten aan andere botten
Kraakbeen (cartilage) Gespecialiseerd bindweefsel, vezels van collageen en elastiek in een
gelachtige grondsubstantie; vormen kussentjes tussen wervels (cushions
vertebrae) en vermindert wrijving in gewrichten.
Soorten kraakbeen Fibreus kraakbeen (fibrocartilage): è collageenvezels
ð Bv. menisci in de knieën tussen de wervels
Hyalien kraakbeen: bestaat vnl. uit collageenvezels
ð Worden later botten
Elastisch kraakbeen: bestaat uit elastische vezels (=flexibel)
ð Bv. (epiglottis)weefsel dat strottenhoofd afschermt bij slikken.
Boten
Boten Levend weefsel // buitenste kant is hard en gebaseerd uit niet levende
kristallen v. calciummineralen
Functies vd boten Ondersteuning // bescherming // beweging // vorming v bloedcellen //
mineralopslag
Type botcellen Chondroblastenè kraakbeen. model vormen vd toekomstige bot.
Osteoblastenè (jong botvormen) zorg voor exracellulaire matriv vd bot
ontwikkelt
Osteocytesè (mature) zorg voor structuur vd bot behouden
Osteoclastenè botoplossende botcellen= breekt bot è calcium vrijkomen
Geel beenmerg: ð vet dat gebruikt kan worden voor energie
Rood beenmerg stamcellen, produceren rode en wittebloedcellen en bloedplaatjes
(platelets)
Beenvlies (periosteum) dikke laag bindweefsel, bevat botvormende cellen
Osteocyten: levende cellen die cylinderstructuren (osteonen) vormen.
• ontvangen nutriënten via aderen
• in sponsachtig bot zijn osteocyten niet afhankelijk vd centrale
kanalen; zij hebben toegang tot nabijgelegen aderen in het rode
beenmerg.
Van kraakbeen naar 1. chondroblasten vormen hyalien kraakbeen (deze sterven na 2-3
wezens.
Polaire moleculen moleculen die een verschil in lading hebben
Apolaire moleculen moleculen die geen verschil in lading hebben
Moleculatie Water wordt groter wanner bevroren
Thermoregulatie Correcte temperatuur houden
Solvent: vloeistof waarin andere substanties oplossen
Solute: opgeloste stof
Hydrofiel: polaire moleculen die aangetrokken worden door water en die gemakkelijk
interageren met water.
Hydrofoob: apolaire neutrale moleculen die niet interageren met of oplossen in water
(lipiden)
Emulgatoren kunnen ervoor zorgen dat hydrofobe stoffen toch kunnen oplossen in water (bv.
mayonaise is een emulsie; in het eigeel zitten emulgators
de intracellulaire het neemt de ruimten tussen de cellen
ruimte
Zuren An acid is any molecule that can donate (give up) an H+ ion
Basen Een base is een molecuul dat een H+ ion kan accepteren
PH-schaal Drukt de waterstofconcentratie uit
- Zuren: pH < 7
- Neutraal: pH = 7 (water)
- Basen: pH > 7
homeostase Het ideale lichamstoestand: veel organen zijn afhankelijk van deze lichamelijke
staat, bv de enzymen
Ph- buffers Stoffen die het veranderingen inhomeostase minimaliseert
- Bloed/urine/koofstof (hyperventileren)
Hyperventileren bicarbonaatbuffer wordt ontregeld à pH-waarde verandert (flauwvallen).
dehydration molecule worden samen opgebouwd/verbonden door coavalente verbindingen.
sunthesis: Van subheden naar macromoleculen
hydrolyse het afbreken van macromoleculen
maakt energie vrij à opgeslagen als potentiële energie (bv hydrolyse met
glycogeen)
macromoleculen Kooolhydraten // Vetten/lipiden // Nucleinezuren // Proteinen
,koolhydraten energie en ondersteuning.
- Insuline nodig om te afbreken
Monosachariden Disachariden Polysachariden
• Glucose • sucrose • zeetmeel
• fructose • maltose • glycogeen
• galactose • lactose • cellulose
• ribose
• deorybose
Vetten/ lipiden Tryglyceriden: bevaat 1 glycerool en 3 vetzuren:
• vetzuren: verzadigd en onverzadigd
o verzadigd: in vetten
o onverzadigd: in olieen
fosfolipiden: belangrijke component v. celmembraanen:
steroïden: onmogelijk oploosbaar op water
• cholesterol & geslachthormonen
Vetzuurstaven: zorgt ervoor dat vet niet gemakkelijk oplost in water
Proteïnen Ondersteunen/ maken enzymen/ beweging/ verdediging / transport van
substanties.
Lange ketens v aminozuren
proteïne is een polypeptide van meer dan 100 aminozuren
Aminozuren subunits van proteïnen die geproduceerd worden door
dehydratiesynthesereacties.
20 verschillende aminozuren op menselijke eiwitten.
Structuur:
- aminozuursequentie(amino verbinden door peptidebinding)
- vorm van eiwit(alfa helix krult//beta plooien)
- driedimensionale vorm(polaire/apolair gebied in mol. maken)
- polypeptide kettingen (complex eiwit vormen)
Denaturatie Permanente beschading van eiwitstructuur door temperatuur of PH è verlies
van biologische functie
Enzymen Proteinen (meestaal) die een biologische chemische reactie versnelt zonder het
eindproduct te veranderen..
Afhankelijk van: C° // PH // ionconcentratie// aawzg van remmers
Nucleïnezuren Slaan genetische info op.// lange ketens van nucleotiden
nucleotiden Bevat uit:
5-koolstof suiker
• DNA-nucleotiden: desoxyribonucleïnezuur
• RNA-nucleotiden: ribonucleïnezuur
Stikstofhoudende basen (nitrogenous bases)
Fosfaatgroep
DNA Genetische materiaal/replicatie/levensprocessen manage/RNA guide
,deoxyribonucleic Structuur: nucleotide (monomeren) bouwstenen (A T // G C) van nucleinezuren
acid
RNA: Ribonucleic Assistent van DNA//nucleus naar cytoplasma keren// bevat ribose // A D C U
acid
ATP Een nucleotide die bestaat uit adenosine en drie fosfaatgroepen. ATP is een
belangrijke energiedrager voor de cel omdat er energie vrijkomt wanneer een van
de fosfaatgroepen wordt verwijderd.
HT 2. Structuur & functie van cellen.
eukaryote cellen Menselijke cel die: plamamembraan//celkern en cytoplasma bevat
Prokaryote cellen Bacterielle cellen/ hebben ook een cytoplasma// rigid wall// hebben een tekort
aan organellen // dezelfde genetisch materiaal
Microvilli Cellen die een kleine uitsteeksels hebben, deze compeenseert zijn
oppervlakgebruik en bevinden zich in plaatsen van et lichaam waarop cellen in en
buiten gaan. (bv spijtsvertering//longen//)
Microscopen Lichtmicroscoop: de oudste// 1000x groot//
TEM microscoop: elektrobundels// doorsnede v celmembraan
SEM microscoop//3d oppervlak celoppervlak laten zien
Nucleolus: hier worden de componenten van ribosomen (RNA en ribosomale eiwitten)
aangemaakt. Deze gaan door de poriën naar buiten om ribosomen te kunnen
vormen in het cytoplasma. IN DE CEL
Ribosomen Het maken van specifieke eiwitten
Polyribosomen Snaar naar ribosomen die tegelijkertijd hetzelfde eiwit synthetiseerde
Endoplasmatisch De meeste ribosomen worden hier aangemakt, verdeeld in 2 types de ruwe en
reticulum glade:
Het gladde ER verpakt de eiwitten en andere producten van het ER en bereidt ze
voor op transport naar het Golgi-apparaat in blaasjes.
Golgi appaaat
, HT-4: Het skeletstelsel
Bindweefsels
Botten Harde elementen van het skelet
Ligamenten Dens vezelig/fibreus bindweefsel; bevestigt botten aan andere botten
Kraakbeen (cartilage) Gespecialiseerd bindweefsel, vezels van collageen en elastiek in een
gelachtige grondsubstantie; vormen kussentjes tussen wervels (cushions
vertebrae) en vermindert wrijving in gewrichten.
Soorten kraakbeen Fibreus kraakbeen (fibrocartilage): è collageenvezels
ð Bv. menisci in de knieën tussen de wervels
Hyalien kraakbeen: bestaat vnl. uit collageenvezels
ð Worden later botten
Elastisch kraakbeen: bestaat uit elastische vezels (=flexibel)
ð Bv. (epiglottis)weefsel dat strottenhoofd afschermt bij slikken.
Boten
Boten Levend weefsel // buitenste kant is hard en gebaseerd uit niet levende
kristallen v. calciummineralen
Functies vd boten Ondersteuning // bescherming // beweging // vorming v bloedcellen //
mineralopslag
Type botcellen Chondroblastenè kraakbeen. model vormen vd toekomstige bot.
Osteoblastenè (jong botvormen) zorg voor exracellulaire matriv vd bot
ontwikkelt
Osteocytesè (mature) zorg voor structuur vd bot behouden
Osteoclastenè botoplossende botcellen= breekt bot è calcium vrijkomen
Geel beenmerg: ð vet dat gebruikt kan worden voor energie
Rood beenmerg stamcellen, produceren rode en wittebloedcellen en bloedplaatjes
(platelets)
Beenvlies (periosteum) dikke laag bindweefsel, bevat botvormende cellen
Osteocyten: levende cellen die cylinderstructuren (osteonen) vormen.
• ontvangen nutriënten via aderen
• in sponsachtig bot zijn osteocyten niet afhankelijk vd centrale
kanalen; zij hebben toegang tot nabijgelegen aderen in het rode
beenmerg.
Van kraakbeen naar 1. chondroblasten vormen hyalien kraakbeen (deze sterven na 2-3