TILBURG UNIVERSITEIT 2019, BESTAANDE UIT:
• McMurran, M., & Howard, R., C. (2009). Personality, personality disorder and
violence. Chichester: Wiley-Blackwell. (HFD 1 t/m HFD 16)
Hoofdstuk 1: Persoonlijkheid, persoonlijkheidsstoornis en geweld: een introductie
1.1 Introductie
Interpersoonlijk geweld wordt als een groot sociaal probleem gezien omdat het veel schade
toebrengt aan individuen, families en samenlevingen. In 2002 wordt geweld dan ook als significant
publiek gezondheidsprobleem genoemd door de World Health Organisation (WHO) en ontwikkelen zij
een ecologisch model waarin verschillende factoren van geweld worden opgenomen: individueel,
relationeel, sociaal en cultureel geweld evenals belangrijke omgevingsfactoren die hierin een rol
spelen. Hoewel alle niveaus waarop geweld zich afspeelt natuurlijk belangrijk zijn, legt in dit boek de
nadruk op een individuele verklaring voor geweld. De bovenstaande factoren van geweld zijn als volgt
in het ecologisch model opgenomen:
Geweld wordt gedefinieerd als een range van gedragingen die erop gericht is om schade aan te
brengen aan een levend wezen die gemotiveerd is om deze schade te vermijden. Deze definitie zorgt
ervoor dat schadelijke ongelukken (zoals een auto-ongeluk), consensuele afspraken (zoals SM) of
uiteindelijk voordelige uitkomsten van schade (zoals een knieoperatie) niet als geweld worden gezien.
Er wordt echter wel onderscheid gemaakt tussen geweld en agressie: geweld is een krachtige
aanbrenging van fysieke schade, waar agressie meer gedrag is dat minder fysiek schadelijk is, maar
vaak mentaal schadelijker (zoals beledigen, bedreigen, negeren etc.). Omdat agressie soms even
schadelijk kan zijn als fysieke schade, gebruiken veel instanties de term geweld om te verwijzen naar
zowel agressie als fysiek geweld.
Er is veel variatie tussen individuen en hun neiging tot geweld, dit boek kijkt met name naar de rol van
persoonlijkheid en persoonlijkheidsstoornissen. Onderzoek naar persoonlijkheid en geweld, kijkt
naar hoe individuele verschillen, persoonlijke processen en motivationele processen gerelateerd zijn
aan gedrag. Onderzoek naar persoonlijkheidsstoornissen kijkt naar een range aan klinische
problemen met gedachten, gevoelens en gedrag die gedefinieerd kunnen worden in specifieke
persoonlijkheidspathologie. De voornaamste reden om onderzoek te doen naar persoonlijkheid,
persoonlijkheidsstoornissen en geweld is om psychologische en psychiatrische behandeling van
patiënten te verbeteren, omdat hier tot nu toe nog weinig over bekend is.
1.2 Persoonlijkheidsstoornissen en geweld
Persoonlijkheidsstoornissen worden over het algemeen in twee diagnostische systemen beschreven:
de DSM-IV (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) en de ICD-10 (International
Classification of Diseases-10). Beide hebben dan ook een verschillende definitie van een
persoonlijkheidsstoornis en onderscheidden hierin ook verschillende kenmerken.
1
,De DSM-IV beschrijft een persoonlijkheidsstoornis als: een langdurig patroon van innerlijke ervaringen
en gedrag dat sterk afwijkt van de verwachtingen van de cultuur waarin het individu zich bevindt,
pervasief en niet flexibel is, begint in de adolescentie of vroege volwassenheid, stabiel is over tijd én
leidt tot distress of beperkingen. Daarnaast deelt de DSM-IV persoonlijkheidsstoornissen in, in drie
verschillende soorten clusters:
1. Cluster A = apart of excentriek (paranoïde, schizoïde en schizotypisch)
2. Cluster B = dramatisch of flamboyant (antisociaal, borderline, histrionisch en narcistisch)
3. Cluster C = angstig en nerveus (vermijdend, afhankelijk en obsessief-compulsief).
De ICD-10 definieert een persoonlijkheidsstoornis als: diep geïntegreerde en langdurige
gedragspatronen, die gemanifesteerd worden als niet flexibele reacties op een brede range aan
persoonlijke en sociale situaties. Deze reacties representeren een extreme of significante afwijking
van de manier waarop een gemiddeld individu in een cultuur denkt, voelt, dingen ziet en relateert aan
anderen. Deze gedragspatronen zijn over het algemenen stabiel en omvatten meerdere
gedragsdomeinen en psychologisch functioneren. Vaak worden ze ook geassocieerd met
verschillende mate van subjectieve stress en problemen in sociaal functioneren en presteren.
De prevalentie van persoonlijkheidsstoornis in Engeland ligt rond de 4,4%, waarbij mannen meer
gediagnosticeerd worden met een persoonlijkheidsstoornis (5,4%), dan vrouwen (3,5%). Ongeveer
3,25 miljoen mensen in Engeland hebben dus een persoonlijkheidsstoornis, waarvan de meeste niet
geneigd zijn om geweld te vertonen. Zelfs bij de antisociale persoonlijkheidsstoornis wordt gevonden
dat ongeveer de helft van degene met deze diagnose, de afgelopen 5 jaar geen geweld hebben
gebruikt. Wat uit onderzoek echter wel naar voren komt is dat mensen met een cluster B
persoonlijkheidsstoornis ongeveer 10 keer grotere kans hebben op een veroordeling en ongeveer 8
keer een grotere kans hebben om in de gevangenis te hebben gezeten. Hieronder volgt een overzicht
van de verschillende persoonlijkheidsstoornissen en hun beschrijving in de DSM-IV of ICD-10.
DSM-IV ICD-10
Paranoïde persoonlijkheidsstoornis = niet Paranoïde persoonlijkheidsstoornis = sensitiviteit
vertrouwen van anderen en achterdocht en achterdocht
Schizoïde persoonlijkheidsstoornis = sociaal en Schizoïde persoonlijkheidsstoornis = emotioneel
emotioneel afstandelijk koud en afstandelijk
Schizotypische persoonlijkheidsstoornis = Geen equivalent
sociale en interpersoonlijke beperkingen en
cognitieve of perceptuele distorsies
Antisociale persoonlijkheidsstoornis = Dissociale persoonlijkheidsstoornis = ongevoelig
schending van de rechten van anderen negeren van anderen, onverantwoordelijkheid en
irriteerbaarheid
Borderline persoonlijkheidsstoornis = Emotioneel instabiel:
instabiliteit van relaties, zelfbeeld en stemming (A) Borderline = onduidelijk zelfbeeld en
intense en instabiele relaties
(B) Impulsiviteit = het onvermogen om woede
te controleren, onvoorspelbaar en
ruziezoekend
Histrionische persoonlijkheidsstoornis = Histrionische persoonlijkheidsstoornis =
excessief emotioneel en aandacht zoekend dramatisch, egocentrisch en manipulatief.
gedrag
Narcistische persoonlijkheidsstoornis = Geen equivalent
grandiositeit, gebrek aan empathie en behoefte
aan admiratie van anderen.
Vermijdende persoonlijkheidsstoornis = sociaal Angstige persoonlijkheidsstoornis = gespannen,
geïnhibeerd, gevoelens van inadequaat zijn en zelfbewust en hypersensitief
hypersensitiviteit
Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis = Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis = maakt eigen
vastklampen aan anderen en onderdanig zijn behoeften ondergeschikt, heeft constante
bevestiging van anderen nodig
Obsessieve-compulsieve Anankastic persoonlijkheidsstoornis = besluiteloos,
persoonlijkheidsstoornis = perfectionistisch, rigide en eigenwijs
niet flexibel
* Oranje is cluster A, groen is cluster B en blauw is cluster C.
2
,Overtreders met persoonlijkheidsstoornissen hebben een veel grotere kans om opnieuw de fout in te
gaan vergeleken met overtreders met mentale stoornissen. Nestor (2002) veronderstelt dan ook dat
er 4 verschillende fundamentele persoonlijkheidsdimensies zijn die fungeren als klinische
risicofactoren voor geweld, volgens hem onderscheidt dit degene die gewelddadig gedrag vertonen
van de meerderheid die dit niet doet. Dit draagt ook bij aan het verminderen van de stigmatisering dat
iedereen die een persoonlijkheidsstoornis heeft ook agressief gedrag vertoont. De volgende vier
persoonlijkheidsdimensies worden door hem als klinische risicofactoren voor geweld beschouwd:
1. Impulscontrole
2. Affectregulatie
3. Narcisme
4. Paranoïde cognitieve persoonlijkheidsstijl
Wat in de praktijk goed moet worden onthouden is dat degenen die in de forensische ziekenhuizen en
gevangenissen komen, niet een goede representatie zijn van alle mensen met
persoonlijkheidsproblemen of persoonlijkheidsstoornissen, zij zijn daar omdat ze een risico vormen
voor de samenleving. De relatie tussen geweld en persoonlijkheidsstoornissen is het sterkste voor de
antisociale persoonlijkheidsstoornis, wat ook niet geheel verassend is omdat agressief gedrag een
van de diagnostische criteria is bij deze stoornis. Hier zit dus ook een circulaire beredenering in: als
geweld onderdeel is van de definitie van de antisociale persoonlijkheidsstoornis, dan is de incidentie
van geweld onder de mensen die diagnose hebben natuurlijk hoger dan degene met diagnoses
waarin geweld niet is opgenomen. Ditzelfde probleem lijkt ook voor te komen bij de diagnose van
psychopathie, een stoornis die met name door de PCL-R gemeten wordt in termen van
persoonlijkheidskenmerken (grandiositeit, egoïstisch en gevoelloosheid-callousness) en gedragingen
(antisociaal, onverantwoordelijk en slechte levensstijl). De PCL-R is ontwikkeld door Robert Hare en
lijkt een goede voorspeller te zijn voor toekomstig gewelddadig gedrag bij veroordeelde overtreders.
Ook hier speelt de circulaire beredenering een rol omdat het zowel gedrag in de toekomst probeert te
voorspellen, maar ook items bevat die gerelateerd zijn aan criminaliteit waardoor zowel de verklaring
van het gedrag als voorspellen van gedrag door elkaar heen loopt. Dit kan ervoor zorgen dat de
mogelijke relatie die gevonden wordt tussen psychopathie en criminaliteit eigenlijk alleen bestaat
doordat deze gedragingen opgenomen zijn in de diagnostisering van de stoornis. Cooke en Michie
(2001) veronderstellen dan ook dat enkele onderdelen van psychopathie moeten worden verwijderd
en komen tot een concept van psychopathie wat bestaat uit drie onderdelen:
1. Arrogant en bedrieglijke interpersoonlijke stijl
2. Beperkte affectieve ervaring
3. Impulsieve en onverantwoordelijke gedragsstijl
Naast persoonlijkheidsstoornissen zijn er ook enkele persoonlijkheidskenmerken die in verband
worden gebracht met geweld. Onderzoek naar kinderen laat zien dat impulsiviteit op jonge leeftijd
geassocieerd is met antisociaal gedrag en geweld op latere leeftijd, terwijl inhibitie op vroege leeftijd
juist zorgt voor minder antisociaal en gewelddadig gedrag. Echter zijn persoonlijkheidskenmerken niet
voldoende of noodzakelijk om het gewelddadige of antisociale gedrag voldoende te verklaren! Over de
gehele levensspanne zijn er individuele, sociale en omgevingsfactoren die uiteindelijk de complexe
persoonlijkheid van een volwassene vormen. Kort samengevat zorgt deze interactie tussen biologie,
psychologie en sociale omgevingsfactoren voor de persoonlijkheid. Er kunnen wel mechanismen
bestaan waarbij basis persoonlijkheidstrekken de ontwikkeling van agressief gedrag en gewelddadig
gedrag kunnen verhogen. Deze mechanismen zijn onder andere emotionele ervaringen,
emotieregulatie, percepties en reacties op sociale cues en overtuigingen die een persoon heeft over
zichzelf en de wereld. Echter staan ook deze mechanismen open voor verandering die uiteindelijk de
kans op antisociaal- of gewelddadig gedrag kunnen verminderen.
De laatste vraag die in deze paragraaf gesteld wordt is of dat men kan herkennen wanneer een
gewelddadig persoon een persoonlijkheidsstoornis heeft? Ernstig geweld is niet alleen in strijd met de
wet, maar ook de morele en ethische codes van een samenleving. Dit leidt ertoe dat sommige mensen
zeggen dat ernstig geweld wel moet komen van een persoonlijkheidsstoornis. Hierin kunnen twee
visies worden onderscheidden: (1) een persoon gebruikt geweld als manier om te werk te gaan, (2)
een persoon gebruikt geweld wegens zijn individuele trekken, sociale geschiedenis, huidige gedachte
en gevoelens en door de context waarin hij/zij zich bevindt. Of deze factoren bijdragen aan een
persoonlijkheidsstoornis is dan afhankelijk van wat er in de criteria van de diagnose staat. Omdat er
meestal een cut-off point is (wegens categorische indeling) is het soms moeilijk omdat iemand wel
degelijk persoonlijkheidsproblemen vertoont, maar net niet genoeg om de diagnose te krijgen.
3
, 1.3 Persoonlijkheidsproblemen en persoonlijkheidsstoornissen als verzachtende omstandigheden:
straffen, behandelen of beide?
Over het algemeen is het doel van straffen om een signaal af te geven naar de samenleving over wat
acceptabel is en wat niet én om criminaliteit te voorkomen en te verminderen. Door sancties te stellen
op sociaal gedrag dat verboden is, zullen leden uit een samenleving afgeschrikt worden. Als dit
mechanisme zou werken, dan zouden de criminaliteitscijfers ook omlaag moeten gaan, maar in
werkelijkheid gebeurt dat niet. Voor de meeste veroordeelden ligt het recidivepercentage rond de 50-
60 procent. Onderzoek wijst ook uit dat cognitieve-gedragsmatige behandelingen veel effectiever
zijn en recidivepercentages zelfs tot 30-40% kunnen verminderen bij volwassenen en zelfs tot 60% bij
jonge overtreders. Dit is ook het geval bij overtreders met persoonlijkheidsproblemen of
persoonlijkheidsstoornissen; behandeling werkt beter dan straffen.
Als er dan wordt gekeken naar persoonlijkheidsproblemen en persoonlijkheidsstoornissen in relatie tot
verzachtende omstandigheden, ziet men dat mensen met deze problematiek veelal als
verantwoordelijk voor hun daden worden gezien. Dit zorgt ervoor dat men minder vaak rekening houdt
met verzachtende omstandigheden zoals bij mensen met een andere mentale stoornis of een
handicap. De basis van dit probleem ligt in de normaliteit die mensen met persoonlijkheidsproblemen
of een persoonlijkheidsstoornis laten zien. Een stoornis kan ervoor zorgen dat men een soort van
excuus heeft voor het antisociale en gewelddadige gedrag omdat een persoon zich niet compleet
bewust is van de legale of morele beperkingen omdat die persoon niet geheel begrijpt wat de
gevolgen zijn van schadelijk en gewelddadig gedrag. Voorbeelden hiervan zijn bijvoorbeeld dementie
of mensen met een mentale beperking en zij zullen dan ook zelden gestraft worden voor hun daden.
Als er gekeken wordt naar de antisociale persoonlijkheidsstoornis dan wordt verondersteld dat
men de consequenties van het gedrag kent, maar alsnog het gedrag niet onder controle kan houden.
Bij psychopathie zou het gebrek aan emotionele capaciteit de verantwoordelijkheid voor hun daden
verminderen omdat ze niet geheel begrijpen wat voor implicaties hun antisociale of agressieve gedrag
heeft, voor zowel henzelf of anderen.
Als we mensen verantwoordelijk kunnen houden voor hun daden, dan is proportionele straf een goede
optie. Echter moet er ook rekening worden gehouden met het effect van straf op een individu. Straf
kan leiden tot gedragsverandering wanneer deze direct en onvermijdelijk is (dit is in het huidige
rechtssysteem niet het geval). Vaak krijgt men pas straf nadat er een uitspraak is gedaan door de
rechter, op het moment dat hij/zij het delict pleegt, wordt men niet direct gestraft. Daarnaast kan een
stoornis ervoor zorgen dat men onmogelijk kan leren van wat hij heeft gedaan door bijvoorbeeld een
biologische achterstand. Door deze implicaties lijkt straffen dus vooral een signaal af te geven voor de
samenleving, in plaats van dat het crimineel gedrag voorkomt of verminderd. Behandeling zorgt er
voornamelijk voor dat gedrag veranderd en dus ook criminaliteit voorkomen of verminderd kan
worden. Vaak is er een combinatie van straffen en behandelen omdat beide doelen, verminderen en
voorkomen van criminaliteit én signaal naar de samenleving afgeven, dan behaald kunnen worden.
1.4 Identificeren van behandeldoelen
Als geweld wordt gezien als iets dat gedreven wordt door emoties, met name boosheid, en als de
persoon aangeeft dit gedrag niet te kunnen controleren, dan kan behandeling een goede optie zijn.
Wanneer een mentale stoornis in dit geval niet wordt gevonden, dan worden mensen die aan de
bovenstaande beschrijving voldoen veelal gediagnosticeerd met intermittent explosive disorder,
agressief gedrag dat zeer disproportioneel ten opzichte van de provocatie. Daarnaast kunnen zij ook
gediagnosticeerd worden met een persoonlijkheidsstoornis, meestal antisociale- of borderline
persoonlijkheidsstoornis. Wat belangrijk is om te weten is dat er in de huidige DMS 5 geen
categorie is van stoornissen die gericht is op agressie of boosheid. Wanneer geweld niet voornamelijk
wordt gedreven door emoties, maar door wat men erdoor kan verkrijgen (bijvoorbeeld materiele
voordelen of controle over de ander), dan kan het zijn dat mensen vinden dat straffen meer gepast is
dan behandelen. Maar wat als deze personen ook een duidelijke cognitieve beperking hebben die
bijdraagt aan de verklaring van het agressieve gedrag? Sommigen herkennen geen angst, kunnen
geen empathie voelen voor de ander of kunnen informatie van andere personen over hun gevoelens
niet gebruiken om hun gedrag aan te passen. Al deze kenmerken beschrijven de stoornis
psychopathie, een aandoening die voornamelijk gekenmerkt wordt door gebrek aan affectieve
ervaring, empathie en voelen van angst. Wat men echter niet moet vergeten is dat beide vormen van
agressie (zowel reactief als instrumenteel) bij boven beschreven stoornissen voorkomen. Het
onderscheidt wordt vooral gemaakt om aan te geven welke vorm bij welke stoornis meer voorkomt,
maar het een sluit de ander niet uit!
4