Lichtbeelden | Havo
Uitwerkingen basisboek
K1.1 INTRODUCTIE
1 [W] Experiment: Spiegels en spiegelbeelden
2 [W] Voorkennistest
3 Waar of niet waar?
a Waar
b Niet waar: Ook glanzende oppervlakken zoals een glimmende auto kunnen als
spiegel gebruikt worden.
c Waar
d Waar
e Niet waar: Een voorwerp heeft kleur als er het licht dat er op schijnt de juiste kleur
bevat.
f Niet waar: In het maanlicht zie je bijna geen kleuren, omdat het licht van de maan te
zwak is. Hierdoor kunnen je ogen de kleuren niet goed onderscheiden.
4
5 Teken eerst het spiegelbeeld B van L en de lijn van B naar het oog.
© ThiemeMeulenhoff bv CONCEPTVERSIE Pagina 1 van 23
,6
a
b
c De lichtstraal met één pijltje erin die loopt van L naar de spiegel, loopt evenwijdig aan
de lichtstraal met één pijltje erin die loopt van spiegel S 2 naar omhoog. Hetzelfde geldt
voor de lichtstraal met twee pijltjes erin.
d De lichtstralen worden rechtstreeks gereflecteerd door de combinatie van S 1 en S2.
e Merk op dat de onderste lichtstraal na reflectie de bovenste is geworden. Met deze
spiegel kun je dus jezelf zien zoals anderen jou zien (dus niet in spiegelbeeld).
7
a
© ThiemeMeulenhoff bv CONCEPTVERSIE Pagina 2 van 23
, b Nee, de automobilist ziet niet de auto’s die hem inhalen.
c Met een bolle spiegel is het gezichtsveld veel groter en kan de automobilist ook zien
wat er links achter hem zit.
8 Wat je op de foto links ziet, zie je in de spiegel rechts.
9
a Rood-wit-blauw zie je als zwart-blauw-blauw.
b Rood-wit-blauw zie je als rood-rood-zwart.
c Rood-wit-blauw zie je als zwart-groen-zwart.
K1.2 HET MAKEN VAN BEELDEN
10 [W] Experiment: Lenzen en lensbeelden
11 [W] Experiment: Camera Obscura
12 Waar of niet waar?
a Niet waar: Een bolle lens breekt de lichtstralen van een bundel (meer) naar elkaar toe.
Dat is de convergerende werking van de bolle lens.
b Niet waar: Een holle lens breekt de lichtstralen van een bundel (meer) van elkaar af.
Dat is de divergerende werking van de holle lens
c Niet waar: De plek waar lichtstralen die uit één voorwerpspunt komen elkaar na een
bolle lens snijden, is het beeldpunt.
d Waar
e Waar
f Waar
g Waar
h Niet waar: Met een zwakke positieve lens kun je zowel een heel klein als een heel
groot beeld maken.
i Waar
13
a Als het voorwerp op brandpuntsafstand van de lens staat, komt er een evenwijdige
bundel uit een bolle lens.
b Als het voorwerp verder van het brandpunt afstaat, komt er een convergente bundel
uit de lens.
c Als het voorwerp tussen het brandpunt en de lens in staat, komt er een divergente
bundel uit de lens.
14 De lichtbundel die uit één punt komt wordt door een negatieve
lens alleen nog maar verder uit elkaar gebogen en kan dus nooit
in één punt bij elkaar komen achter de lens.
© ThiemeMeulenhoff bv CONCEPTVERSIE Pagina 3 van 23