Begrippenlijst biologie Nectar H6 (V4)
H6.1
Soort = organismen die onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen krijgen
Taxon = een niveau van de piramide van verwantschap (leven-domein-rijk-stam-klasse-orde-familie-
geslacht-soort)
Rassen = variaties van een soort, doen niet mee in de piramide van verwantschap.
Binominale naamgeving = de wetenschappelijke naamgeving die bestaat uit twee delen; de
geslachtsnaam en soortnaam
Hybriden = nakomeling van twee verschillende soorten
H6.2
Populatie = groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied die zich onderling
voortplanten
Steekproef = een selectie uit een totale populatie om eigenschappen van die populatie te bepalen
(grootte)
Vangst-hervangst-methode = bij dieren die veel bewegen werk de steekproef methode niet, je
gebruikt dus een andere methode. Je vangt de dieren met vallen, merkt ze en laat ze los. Een dag
later ze je weer vallen en kijk je hoeveel er gemerkt zijn.
Totale populatie = populatie 2e vangst * aantal gemerkt 1e vangst / aantal gemerkt 2e vangst
Ook wel: N = n1 * n2 / n3
Groeicurve = manier om omvang van populatie gedurende tijd te laten zijn
J-curve = aantal organismen neemt snel toe in een gebied
Exponentieel = de groei van een populatie waarin het aantal geboortes per individu of per echtpaar
constant blijft, evenredig met het aantal individuen in de populatie
Geboorte = nieuwe organismen
Immigratie = nieuwe organismen van buitenaf in een populatie
Sterfte = doodgaan van organismen
Emigratie = organismen die vanuit een populatie vertrekken naar een andere populatie
Beperkende factor = Factor die het aantal individuen in een populatie laag houdt, bijvoorbeeld door
voedsel etc.
S-curve = kleinere groei van een populatie door een beperkende factor, groei wordt stabiel
Draagkracht = het maximale aantal individuen dat in één gebied kan leven
Genetische diversiteit = verschil in genotype van organismen
Inteelt = Bij inteelt krijgen individuen die genetisch sterk aan elkaar verwant zijn (broertjes, zusjes
etc.) nakomelingen met elkaar. Die nakomelingen zijn heel vaak homozygoot recessief voor allerlei
allelen. Het gevolg is dat ze daardoor heel vaak last hebben van zeldzame aandoeningen, die je alleen
krijgt als je 2 recessieve allelen hebt voor dat gen.
Gene flow = Het verschijnsel dat tussen individuen van twee populaties van dezelfde soort
uitwisseling van genen plaats vindt.
Biodiversiteit = het aantal verschillende soorten dat in een gebied leeft
H6.3
Habitat = leefomgeving van een organisme
Biotische factoren = alle invloeden uit de levende natuur
Abiotische factoren = alle invloeden uit de levenloze natuur
H6.1
Soort = organismen die onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen krijgen
Taxon = een niveau van de piramide van verwantschap (leven-domein-rijk-stam-klasse-orde-familie-
geslacht-soort)
Rassen = variaties van een soort, doen niet mee in de piramide van verwantschap.
Binominale naamgeving = de wetenschappelijke naamgeving die bestaat uit twee delen; de
geslachtsnaam en soortnaam
Hybriden = nakomeling van twee verschillende soorten
H6.2
Populatie = groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied die zich onderling
voortplanten
Steekproef = een selectie uit een totale populatie om eigenschappen van die populatie te bepalen
(grootte)
Vangst-hervangst-methode = bij dieren die veel bewegen werk de steekproef methode niet, je
gebruikt dus een andere methode. Je vangt de dieren met vallen, merkt ze en laat ze los. Een dag
later ze je weer vallen en kijk je hoeveel er gemerkt zijn.
Totale populatie = populatie 2e vangst * aantal gemerkt 1e vangst / aantal gemerkt 2e vangst
Ook wel: N = n1 * n2 / n3
Groeicurve = manier om omvang van populatie gedurende tijd te laten zijn
J-curve = aantal organismen neemt snel toe in een gebied
Exponentieel = de groei van een populatie waarin het aantal geboortes per individu of per echtpaar
constant blijft, evenredig met het aantal individuen in de populatie
Geboorte = nieuwe organismen
Immigratie = nieuwe organismen van buitenaf in een populatie
Sterfte = doodgaan van organismen
Emigratie = organismen die vanuit een populatie vertrekken naar een andere populatie
Beperkende factor = Factor die het aantal individuen in een populatie laag houdt, bijvoorbeeld door
voedsel etc.
S-curve = kleinere groei van een populatie door een beperkende factor, groei wordt stabiel
Draagkracht = het maximale aantal individuen dat in één gebied kan leven
Genetische diversiteit = verschil in genotype van organismen
Inteelt = Bij inteelt krijgen individuen die genetisch sterk aan elkaar verwant zijn (broertjes, zusjes
etc.) nakomelingen met elkaar. Die nakomelingen zijn heel vaak homozygoot recessief voor allerlei
allelen. Het gevolg is dat ze daardoor heel vaak last hebben van zeldzame aandoeningen, die je alleen
krijgt als je 2 recessieve allelen hebt voor dat gen.
Gene flow = Het verschijnsel dat tussen individuen van twee populaties van dezelfde soort
uitwisseling van genen plaats vindt.
Biodiversiteit = het aantal verschillende soorten dat in een gebied leeft
H6.3
Habitat = leefomgeving van een organisme
Biotische factoren = alle invloeden uit de levende natuur
Abiotische factoren = alle invloeden uit de levenloze natuur