Biologie begrippenlijst H4 (V4)
H4.1
Ovulatie = bij een vrouw komt ongeveer één keer in de vier weken een rijpe eicel vrij uit de
eierstokken, dat is de eisprong of ovulatie
Spermacel = geslachtscel van de man, kan een eicel bevruchten aan het begin van de eileider
Zaadcel = hetzelfde als een spermacel, geslachtscel van de man, kan een eicel bevruchten aan het
begin van de eileider
Zygote = een bevruchte eicel, het DNA van de zaadcel en eicel vormen samen de celkern
Klievingsdelingen = de delingen die plaatsvinden tijdens de weg van de eileider naar de baarmoeder
Embryonale fase = de periode vanaf dat de eicel bevrucht is totdat het embryo acht weken is
Blastula = de bevruchte eicel deelt zich, er ontstaat een hol balletje van cellen, de blastula
Innesteling = de blastula nestelt zich in het baarmoederslijmvlies
Kiemschijf = een klompje cellen in de holte van de blastula
Navelstreng = een streng van de moeder naar de baby, vervoert voedingsstoffen en zuurstof
Amnionholte = in de kiemschijf ontstaan twee holtes, een van die holtes is de amnionholte
Vruchtwater = hiermee is de amnionholte gevuld
Vruchtvliezen = het vruchtwater wordt door 2 vliezen bij elkaar gehouden, de vruchtvliezen groeien
met het embryo mee
Foetus = een embryo vanaf acht weken is een foetus, totdat het geboren wordt
H4.2
Diploïde = een cel waarbij iedere chromosoom in een paar in de celkern voorkomt
Haploïde = een cel waarbij iedere chromosoom maar één keer voorkomt in de celkern
Chromatiden = tijdens de celdeling delen de chromosomen een gedeeld chromosoom is een
chromatiden
Meiose I = het proces waarbij elk paar verdubbelde chromosomen wordt verdeeld over de 2
dochtercellen
Meiose II = het proces waarbij de verdubbelde chromosomen uit elkaar worden getrokken en over 2
dochtercellen worden verdeeld
Poollichaampjes = meiose I eindigt met een ongelijke verdeling van het grondplasma, één cel blijft
klein, de kleine cel noem je een poollichaampje
Gameten = ander woord voor geslachtscellen
H4.3
Hormonen = signaalstoffen die allerlei processen in je lichaam aansturen: groei, gedrag etc.
Hormoonklieren = de plek waar hormonen worden geproduceerd
Secundaire geslachtskenmerken = lichamelijke kenmerken die zich opdoen in de puberteit
Hypofyse = klier in het midden van het hoofd onder de hersenen
Zaadballen = deel van het mannelijke geslachtsdeel, produceert zaadcellen
Eierstokken = orgaan in de baarmoeder waar de eicellen zijn opgeslagen
Negatieve terugkoppeling = een manier om de juiste hoeveelheden van bepaalde hormonen te
regelen
FSH = hormoon bedoeld voor je voortplantingsorgaan
Oestrogeen = zorgt voor de secundaire geslachtskenmerken en menstruatiecyclus bij vrouwen
Menstruatiecyclus = de cyclus met de ovulatie en menstruatie
H4.1
Ovulatie = bij een vrouw komt ongeveer één keer in de vier weken een rijpe eicel vrij uit de
eierstokken, dat is de eisprong of ovulatie
Spermacel = geslachtscel van de man, kan een eicel bevruchten aan het begin van de eileider
Zaadcel = hetzelfde als een spermacel, geslachtscel van de man, kan een eicel bevruchten aan het
begin van de eileider
Zygote = een bevruchte eicel, het DNA van de zaadcel en eicel vormen samen de celkern
Klievingsdelingen = de delingen die plaatsvinden tijdens de weg van de eileider naar de baarmoeder
Embryonale fase = de periode vanaf dat de eicel bevrucht is totdat het embryo acht weken is
Blastula = de bevruchte eicel deelt zich, er ontstaat een hol balletje van cellen, de blastula
Innesteling = de blastula nestelt zich in het baarmoederslijmvlies
Kiemschijf = een klompje cellen in de holte van de blastula
Navelstreng = een streng van de moeder naar de baby, vervoert voedingsstoffen en zuurstof
Amnionholte = in de kiemschijf ontstaan twee holtes, een van die holtes is de amnionholte
Vruchtwater = hiermee is de amnionholte gevuld
Vruchtvliezen = het vruchtwater wordt door 2 vliezen bij elkaar gehouden, de vruchtvliezen groeien
met het embryo mee
Foetus = een embryo vanaf acht weken is een foetus, totdat het geboren wordt
H4.2
Diploïde = een cel waarbij iedere chromosoom in een paar in de celkern voorkomt
Haploïde = een cel waarbij iedere chromosoom maar één keer voorkomt in de celkern
Chromatiden = tijdens de celdeling delen de chromosomen een gedeeld chromosoom is een
chromatiden
Meiose I = het proces waarbij elk paar verdubbelde chromosomen wordt verdeeld over de 2
dochtercellen
Meiose II = het proces waarbij de verdubbelde chromosomen uit elkaar worden getrokken en over 2
dochtercellen worden verdeeld
Poollichaampjes = meiose I eindigt met een ongelijke verdeling van het grondplasma, één cel blijft
klein, de kleine cel noem je een poollichaampje
Gameten = ander woord voor geslachtscellen
H4.3
Hormonen = signaalstoffen die allerlei processen in je lichaam aansturen: groei, gedrag etc.
Hormoonklieren = de plek waar hormonen worden geproduceerd
Secundaire geslachtskenmerken = lichamelijke kenmerken die zich opdoen in de puberteit
Hypofyse = klier in het midden van het hoofd onder de hersenen
Zaadballen = deel van het mannelijke geslachtsdeel, produceert zaadcellen
Eierstokken = orgaan in de baarmoeder waar de eicellen zijn opgeslagen
Negatieve terugkoppeling = een manier om de juiste hoeveelheden van bepaalde hormonen te
regelen
FSH = hormoon bedoeld voor je voortplantingsorgaan
Oestrogeen = zorgt voor de secundaire geslachtskenmerken en menstruatiecyclus bij vrouwen
Menstruatiecyclus = de cyclus met de ovulatie en menstruatie