Algemene psychologie
Hoofdstuk 2
2. Het zenuwstelsel
Onze hersenen zijn een belangrijk onderdeel van het zenuwstelsel. Als er een probleem
voordoet in de hersenen, kan dit een gevolg hebben voor het gedrag.
Voorbeelden:
- najaarsdepressie: door de afnemende hoeveelheid licht > meer productie van
melatonine > negatieve invloed op het gevoelsleven
- fantoomledenmaten: pijnlijk gevoel dat mensen hebben in een ledenmaat ondanks dat
deze er niet meer is > hersenen hebben dat nog niet door
Psychisch functioneren staat onder controle van de hersenen
MAAR ook andersom: gedrag een invloed uitoefenen op de structuur en de
werking van onze hersenen. (vb. door veel trainingen)
2.1 De bouwstenen van het zenuwstel
Zenuwstelsel cellen:
- Zenuwcellen of neuronen
> > Eigenlijke taak van het zenuwstelsel = het opvangen, integreren en
bewaren van informatie en het uitsturen van bevelen naar alle uithoeken van
het lichaam.
- Steun- of gliacellen: helpen de neuronen met hun informatie verwerkende
taak.
Structuur van neuronen:
Hoe ziet een
neuron eruit? Waauit is een neuron opgebouwd?
,Algemene eigenschappen:
- Buitenkant: celmembraan
- Binnenkant: cytoplasma met daarin organellen (=celorgaantjes) > moeten de
werking van de cel verzekeren.
- Celkern: bevat het erfelijk materiaal
Aparte eigenschappen ∞ informatieverwerkende taak:
- Cellichaam/ soma: bevat de celkern, meeste organellen, dendrieten (= vele
uitlopers) en een axon (= één langere uitloper) (verbinding tussen cellichaam
en axon = axonheuvel)
Taak:
- dendrieten: informatie vanuit andere cellen ontvangen
Duizende dendrietvertakkingen die elk tienduizenden synapsen bevat
enkele zenuwcellen ontvangen signalen van vele andere neuronen.
- axon: informatie uitsturen naar andere cellen
Bevat verschillende zijtakken/ collateralen > versturen info
Einde, waar synaps* gevormd wordt > eindknopje
vettige isolatielaag rond axon = myelineschede
Functie myelineschede = signaalbegeleiding > voortplanting van het
actiepotentiaal opdrijven
- zonder: 1 meter/ sec. (4km/h)
- met: (bij goed geïsoleerde axon) wel 100x sneller gaan (400km/h)
- *Synaps = contactpunten tussen neuronen > plaats informatie van ene cel
naar andere.
Neuronen zijn onzichtbaar voor het blote oog, terwijl ze wel tot 1 meter lang
kunnen worden en over het hele lichaam connecties vormt met anderen.
De signaalbegeleiding:
Voorbeeld: buigreflex
Wanneer hand warme plaat > bicepspier trekt samen om je hand op te tillen.
Relfex = automatische reactie op een prikkel
Drie aaneengeschakelde neuronen betrokken :
1. sensorische neuron = stuurt na prikkeling signaal naar ruggenmerg
2. Dat zenusignaal schakel- of interneuron = signaal afgeven aan (3)
3. Motorisch neuron = maakt via lange axon contact met spier
In die zenuwgeleiding: twee elkaar afwisselende mechanisme onderscheiden:
1. Actiepotentiaal = zorgt dat signaal over hele axon wordt geleid ≈ korte
elektrische spanningsverandering.
2. Synaptische overdracht = ter hoogte van eindknopje > chemische stoffen die
de dendrieten van aangrensende cel kunnen ontvangen.
-> Kan weer zorgen voor nieuw actiepotentiaal in de ontvangende neuron.
Verduidelijking:
1. Actiepotentiaal
Verschillende ‘standen’:
- rustpotentiaal:
, De cel niet geprikkeld
> binnenzijde negatieve lading van -70 mV in vergelijking met omgeving!,
door inonen in cytoplasma
> buitenzijde juist omgekeerde
die spanning tussen neg. Binnenkant en pos. Buitenkant =
rustpotentiaal
- actiepotentiaal
De cel wel geprikkeld
> interne spanning daalt tot -55mV > radicale ommekeer
> -55mV = drempelwaarden celmembraan laat grote hoeveelheid
positief geladen deeltjes binnen > intern nieuwe waarde: +30mV
plotselinge ommekeer van spanning = actiepotentiaal
‘alles- of – nietseffect’
Verloop van actiepotentiaal:
1. Rustfase
2. Depolarisatie
3. Stijging van het actiepotentiaal
4. Daling van het actiepotentiaal
5. Hyperpolarisatie
Rustpotentiaal = - - 70mV
Drempelwaarde = - - 55mV
-> actiepotentiaal = alle of niets effect
Die spanningsomslag = korte duur > opnieuw uitwisseling van ionen door
celmembraan waardoor rustpotentiaal herstelt wordt.
MAAR > domino-effect > signaal over hele lengte axon doordat er aanliggende
zone snelle ioonverschuivingen > daar ook actiepotentiaal ontstaan >
synaptische overdracht in gang.
Hoofdstuk 2
2. Het zenuwstelsel
Onze hersenen zijn een belangrijk onderdeel van het zenuwstelsel. Als er een probleem
voordoet in de hersenen, kan dit een gevolg hebben voor het gedrag.
Voorbeelden:
- najaarsdepressie: door de afnemende hoeveelheid licht > meer productie van
melatonine > negatieve invloed op het gevoelsleven
- fantoomledenmaten: pijnlijk gevoel dat mensen hebben in een ledenmaat ondanks dat
deze er niet meer is > hersenen hebben dat nog niet door
Psychisch functioneren staat onder controle van de hersenen
MAAR ook andersom: gedrag een invloed uitoefenen op de structuur en de
werking van onze hersenen. (vb. door veel trainingen)
2.1 De bouwstenen van het zenuwstel
Zenuwstelsel cellen:
- Zenuwcellen of neuronen
> > Eigenlijke taak van het zenuwstelsel = het opvangen, integreren en
bewaren van informatie en het uitsturen van bevelen naar alle uithoeken van
het lichaam.
- Steun- of gliacellen: helpen de neuronen met hun informatie verwerkende
taak.
Structuur van neuronen:
Hoe ziet een
neuron eruit? Waauit is een neuron opgebouwd?
,Algemene eigenschappen:
- Buitenkant: celmembraan
- Binnenkant: cytoplasma met daarin organellen (=celorgaantjes) > moeten de
werking van de cel verzekeren.
- Celkern: bevat het erfelijk materiaal
Aparte eigenschappen ∞ informatieverwerkende taak:
- Cellichaam/ soma: bevat de celkern, meeste organellen, dendrieten (= vele
uitlopers) en een axon (= één langere uitloper) (verbinding tussen cellichaam
en axon = axonheuvel)
Taak:
- dendrieten: informatie vanuit andere cellen ontvangen
Duizende dendrietvertakkingen die elk tienduizenden synapsen bevat
enkele zenuwcellen ontvangen signalen van vele andere neuronen.
- axon: informatie uitsturen naar andere cellen
Bevat verschillende zijtakken/ collateralen > versturen info
Einde, waar synaps* gevormd wordt > eindknopje
vettige isolatielaag rond axon = myelineschede
Functie myelineschede = signaalbegeleiding > voortplanting van het
actiepotentiaal opdrijven
- zonder: 1 meter/ sec. (4km/h)
- met: (bij goed geïsoleerde axon) wel 100x sneller gaan (400km/h)
- *Synaps = contactpunten tussen neuronen > plaats informatie van ene cel
naar andere.
Neuronen zijn onzichtbaar voor het blote oog, terwijl ze wel tot 1 meter lang
kunnen worden en over het hele lichaam connecties vormt met anderen.
De signaalbegeleiding:
Voorbeeld: buigreflex
Wanneer hand warme plaat > bicepspier trekt samen om je hand op te tillen.
Relfex = automatische reactie op een prikkel
Drie aaneengeschakelde neuronen betrokken :
1. sensorische neuron = stuurt na prikkeling signaal naar ruggenmerg
2. Dat zenusignaal schakel- of interneuron = signaal afgeven aan (3)
3. Motorisch neuron = maakt via lange axon contact met spier
In die zenuwgeleiding: twee elkaar afwisselende mechanisme onderscheiden:
1. Actiepotentiaal = zorgt dat signaal over hele axon wordt geleid ≈ korte
elektrische spanningsverandering.
2. Synaptische overdracht = ter hoogte van eindknopje > chemische stoffen die
de dendrieten van aangrensende cel kunnen ontvangen.
-> Kan weer zorgen voor nieuw actiepotentiaal in de ontvangende neuron.
Verduidelijking:
1. Actiepotentiaal
Verschillende ‘standen’:
- rustpotentiaal:
, De cel niet geprikkeld
> binnenzijde negatieve lading van -70 mV in vergelijking met omgeving!,
door inonen in cytoplasma
> buitenzijde juist omgekeerde
die spanning tussen neg. Binnenkant en pos. Buitenkant =
rustpotentiaal
- actiepotentiaal
De cel wel geprikkeld
> interne spanning daalt tot -55mV > radicale ommekeer
> -55mV = drempelwaarden celmembraan laat grote hoeveelheid
positief geladen deeltjes binnen > intern nieuwe waarde: +30mV
plotselinge ommekeer van spanning = actiepotentiaal
‘alles- of – nietseffect’
Verloop van actiepotentiaal:
1. Rustfase
2. Depolarisatie
3. Stijging van het actiepotentiaal
4. Daling van het actiepotentiaal
5. Hyperpolarisatie
Rustpotentiaal = - - 70mV
Drempelwaarde = - - 55mV
-> actiepotentiaal = alle of niets effect
Die spanningsomslag = korte duur > opnieuw uitwisseling van ionen door
celmembraan waardoor rustpotentiaal herstelt wordt.
MAAR > domino-effect > signaal over hele lengte axon doordat er aanliggende
zone snelle ioonverschuivingen > daar ook actiepotentiaal ontstaan >
synaptische overdracht in gang.