Inleiding in de Psychologie
Vaardigheden kritisch denken:
Wat is de bron?
Is de bewering redelijk of extreem?
Wat is het bewijsmateriaal?
Kan de conclusie zijn beïnvloed door bias?
Worden veelvoorkomende denkfouten vermeden?
Zijn voor het oplossen van het probleem verschillende invalshoeken nodig?
Perspectieven psychologie
Biologisch perspectief (Descartes): het lichaam kan apart van de geest worden bestudeerd
hersenen, zenuwstelsel, endocriene stelsel (hormoonstelsel) en genen bepalen gedrag.
Cognitieve perspectief (Wundt & James): de wetenschappelijke methode kan worden gebruikt
om de geest te bestuderen iemand unieke patroon van waarnemingen, interpretaties,
verwachtingen, overtuigingen en herinneringen bepalen gedrag.
Behavioristisch perspectief (Skinner): psychologie moet de wetenschap van observeerbaar
gedrag zijn, niet van mentale processen de prikkels in onze omgeving en de voorgaande
consequenties van ons gedrag bepalen gedrag.
Perspectief van de gehele persoon (‘whole person’)
- Psychodynamische psychologie (Freud): persoonlijkheid en psychische stoornissen komen
voort uit processen in het onbewuste processen in onze onbewuste geest bepalen gedrag.
- Humanistische psychologie (Rogers & Maslow): psychologie moet de nadruk leggen op
menselijke groei en potentieel in plaats van op psychische stoornissen onze aangeboren
behoefte om te groeien en ons potentieel zo goed mogelijk te verwezenlijken bepalen gedrag.
- Psychologie van karaktertrekken en temperament (de oude Grieken): individuen kunnen
worden begrepen in termen van hun temperament en blijvende karaktertrekken unieke
persoonlijkheidskenmerken die in de tijd en in alle situaties consistent zijn bepalen gedrag.
Ontwikkelingsperspectief (Ainsworth, Piaget, etc.): mensen veranderen als gevolg van een
interactie tussen erfelijke eigenschappen en de omgeving de interactie tussen erfelijkheid en
omgeving, die zich het hele leven door uit in voorspelbare patronen, bepalen gedrag.
Sociocultureel perspectief (Milgram, Zimbardo, etc.): sociale en culturele invloeden kunnen de
invloed overstemmen van alle factoren die gedrag beïnvloeden De kracht van de situatie
bepaalt gedrag.
Wetenschappelijke methode
1. Een hypothese ontwikkelen
2. Objectieve data verzamelen
3. De resultaten analyseren
4. De resultaten publiceren, bekritiseren en repliceren
Soorten psychologisch onderzoek
Experiment
Correlatieonderzoek
Survey
Natuurlijke observatie
Gevalstudie
, Van stimulatie tot perceptie
1. De zintuigen nemen stimuli waar
2. De zintuigen zetten de stimuli om in neurale impulsen (transductie) sensatie
3. Impulsen worden voor verdere bewerking naar de hersenen gestuurd
4. De impulsen worden door de hersenen geïnterpreteerd perceptie
Het systeem van perceptuele verwerking
De wat- en de waar-route in de hersenen
- Wat-route: Een neurale route die visuele informatie vanuit de primaire cortex projecteert op de
temporale kwab, die over de identificatie van voorwerpen gaat.
- Waar-route: Een neurale route die visuele informatie projecteert op de pariëtaal kwab;
verantwoordelijk voor de lokalisatie van voorwerpen in de ruimte.
Kenmerkdetector: Cel in de cortex die is gespecialiseerd in het opmerken van bepaalde
kenmerken in een stimulus.
Bottum-up- en top-downverwerking
- Top-downverwerking: Perceptuele analyse die de nadruk legt op onze verwachtingen,
concepten, herinneringen en andere cognitieve factoren, en niet zozeer gestuurd wordt door de
kenmerken van de stimulus.
- Bottum-upverwerking: Perceptuele analyse die de nadruk legt op de kenmerken van de
stimulus, en niet zozeer op onze concepten en verwachtingen.
Perceptuele constantie: Het vermogen om hetzelfde voorwerp in verschillende omstandigheden,
zoals na verandering van verlichting, afstand of omgeving, te herkennen.
Illusie: Een aantoonbaar verkeerde perceptie van een stimuluspatroon, in het bijzonder wanneer die
wordt gedeeld door anderen die dezelfde stimulus waarnemen.
Gestaltpsychologie: Een in Duitsland ontwikkelde visie op perceptie. Het Duitse voor ‘Gestalt’
betekent ‘geheel’, ‘vorm’ of ‘patroon’. Gestaltpsychologen menen dat een groot deel van onze
perceptie wordt gevormd door aangeboren en in de hersenen verankerde factoren.
Gestaltwetten van perceptuele ordening
Wet van gelijkenis: De neiging om gelijke voorwerpen in onze perceptie in een groep onder te
brengen.
Wet van nabijheid: De neiging om voorwerpen die dicht bij elkaar staan tot een groep te
ordenen.
Wet van continuering: De neiging om percepties van ononderbroken figuren te verkiezen boven
die van losse en onsamenhangende figuren.
De wet van gemeenschappelijke bestemming: De neiging om gelijkvormige objecten samen te
voegen als ze een gelijke beweging of bestemming hebben.
Wet van Prägnanz: Onze perceptie kiest voor de figuur met de eenvoudigste ordening, die de
minste cognitieve inspanning vereist.
Perceptuele predispositie: Gereedheid om een specifieke stimulus op te merken en betekenis te
geven in een gegeven context.
Vaardigheden kritisch denken:
Wat is de bron?
Is de bewering redelijk of extreem?
Wat is het bewijsmateriaal?
Kan de conclusie zijn beïnvloed door bias?
Worden veelvoorkomende denkfouten vermeden?
Zijn voor het oplossen van het probleem verschillende invalshoeken nodig?
Perspectieven psychologie
Biologisch perspectief (Descartes): het lichaam kan apart van de geest worden bestudeerd
hersenen, zenuwstelsel, endocriene stelsel (hormoonstelsel) en genen bepalen gedrag.
Cognitieve perspectief (Wundt & James): de wetenschappelijke methode kan worden gebruikt
om de geest te bestuderen iemand unieke patroon van waarnemingen, interpretaties,
verwachtingen, overtuigingen en herinneringen bepalen gedrag.
Behavioristisch perspectief (Skinner): psychologie moet de wetenschap van observeerbaar
gedrag zijn, niet van mentale processen de prikkels in onze omgeving en de voorgaande
consequenties van ons gedrag bepalen gedrag.
Perspectief van de gehele persoon (‘whole person’)
- Psychodynamische psychologie (Freud): persoonlijkheid en psychische stoornissen komen
voort uit processen in het onbewuste processen in onze onbewuste geest bepalen gedrag.
- Humanistische psychologie (Rogers & Maslow): psychologie moet de nadruk leggen op
menselijke groei en potentieel in plaats van op psychische stoornissen onze aangeboren
behoefte om te groeien en ons potentieel zo goed mogelijk te verwezenlijken bepalen gedrag.
- Psychologie van karaktertrekken en temperament (de oude Grieken): individuen kunnen
worden begrepen in termen van hun temperament en blijvende karaktertrekken unieke
persoonlijkheidskenmerken die in de tijd en in alle situaties consistent zijn bepalen gedrag.
Ontwikkelingsperspectief (Ainsworth, Piaget, etc.): mensen veranderen als gevolg van een
interactie tussen erfelijke eigenschappen en de omgeving de interactie tussen erfelijkheid en
omgeving, die zich het hele leven door uit in voorspelbare patronen, bepalen gedrag.
Sociocultureel perspectief (Milgram, Zimbardo, etc.): sociale en culturele invloeden kunnen de
invloed overstemmen van alle factoren die gedrag beïnvloeden De kracht van de situatie
bepaalt gedrag.
Wetenschappelijke methode
1. Een hypothese ontwikkelen
2. Objectieve data verzamelen
3. De resultaten analyseren
4. De resultaten publiceren, bekritiseren en repliceren
Soorten psychologisch onderzoek
Experiment
Correlatieonderzoek
Survey
Natuurlijke observatie
Gevalstudie
, Van stimulatie tot perceptie
1. De zintuigen nemen stimuli waar
2. De zintuigen zetten de stimuli om in neurale impulsen (transductie) sensatie
3. Impulsen worden voor verdere bewerking naar de hersenen gestuurd
4. De impulsen worden door de hersenen geïnterpreteerd perceptie
Het systeem van perceptuele verwerking
De wat- en de waar-route in de hersenen
- Wat-route: Een neurale route die visuele informatie vanuit de primaire cortex projecteert op de
temporale kwab, die over de identificatie van voorwerpen gaat.
- Waar-route: Een neurale route die visuele informatie projecteert op de pariëtaal kwab;
verantwoordelijk voor de lokalisatie van voorwerpen in de ruimte.
Kenmerkdetector: Cel in de cortex die is gespecialiseerd in het opmerken van bepaalde
kenmerken in een stimulus.
Bottum-up- en top-downverwerking
- Top-downverwerking: Perceptuele analyse die de nadruk legt op onze verwachtingen,
concepten, herinneringen en andere cognitieve factoren, en niet zozeer gestuurd wordt door de
kenmerken van de stimulus.
- Bottum-upverwerking: Perceptuele analyse die de nadruk legt op de kenmerken van de
stimulus, en niet zozeer op onze concepten en verwachtingen.
Perceptuele constantie: Het vermogen om hetzelfde voorwerp in verschillende omstandigheden,
zoals na verandering van verlichting, afstand of omgeving, te herkennen.
Illusie: Een aantoonbaar verkeerde perceptie van een stimuluspatroon, in het bijzonder wanneer die
wordt gedeeld door anderen die dezelfde stimulus waarnemen.
Gestaltpsychologie: Een in Duitsland ontwikkelde visie op perceptie. Het Duitse voor ‘Gestalt’
betekent ‘geheel’, ‘vorm’ of ‘patroon’. Gestaltpsychologen menen dat een groot deel van onze
perceptie wordt gevormd door aangeboren en in de hersenen verankerde factoren.
Gestaltwetten van perceptuele ordening
Wet van gelijkenis: De neiging om gelijke voorwerpen in onze perceptie in een groep onder te
brengen.
Wet van nabijheid: De neiging om voorwerpen die dicht bij elkaar staan tot een groep te
ordenen.
Wet van continuering: De neiging om percepties van ononderbroken figuren te verkiezen boven
die van losse en onsamenhangende figuren.
De wet van gemeenschappelijke bestemming: De neiging om gelijkvormige objecten samen te
voegen als ze een gelijke beweging of bestemming hebben.
Wet van Prägnanz: Onze perceptie kiest voor de figuur met de eenvoudigste ordening, die de
minste cognitieve inspanning vereist.
Perceptuele predispositie: Gereedheid om een specifieke stimulus op te merken en betekenis te
geven in een gegeven context.