Sociale verzekeringen en sociale voorzieningen
Sociale verzekeringen → werknemersverzekeringen en volksverzekeringen
Werknemersverzekeringen → Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW), Wet
WIA
(IVA en WGA)
Volksverzekeringen → Algemene Ouderdomswet en Algemene
Nabestaandenwet
Sociale voorzieningen → Participatiewet (Pw), Wet Maatschappelijke Ondersteuning
(WMO), Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), Wet Kindgebonden Budget
(Wet KB) en Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
Welke uitvoerders zijn er bij SZR?
- Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)
- Werkloosheidswet WW-uitkering
- Ziektewet Ziektewetuitkering
- Wet WIA IVA- en WGA-uitkering
- Sociale Verzekeringsbank (SVB)
- Algemene Kinderbijslagwet Kinderbijslag
- Algemene Ouderdomswet Pensioen
- Algemene Nabestaandenwet Nabestaande-, wezenuitkering
- Belastingdienst Toeslagen
- Wet Kindgebonden Budget Kindgebonden budget
- Gemeente/College van B&W
- Wet Maatschappelijke Ondersteuning WMO-Indicatie
- Participatiewet Bijstandsuitkering
Werkloosheidswet
Voorwaarden Werkloosheidswet
→ 15 WW: Recht op een WW-uitkering ontstaat als is voldaan aan voorwaarden:
1. Verzekerde → werknemer (3 lid 1 WW):
a. Werknemer (3 WW): np, jonger dan pensioengerechtigde leeftijd in
privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking (7:610 BW).
b. Gelijkstelling (4 en 5 WW en 8 WW en Rariteitenbesluit).
c. Uitzonderingen (6, 4 lid 5 en 5 WW en Rariteitenbesluit)
2. Werkloosheid (16 lid 1 sub a en b WW):
a. Relevant arbeidsurenverlies (urenverlies en loonverlies, 1a lid 2 WW) en,
b. Beschikbaar voor arbeid
3. Referte-eis (17 en 17a WW) →In 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand
aan 1e dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken
(referteweken) als werknemer arbeid moet hebben verricht.
, 4. Afwezigheid van uitsluitingsgronden (19 WW) → uitsluitingsgronden verhinderen
het ontstaan van het recht op uitkering of beëindigen het recht op een
uitkering (20 WW).
→ Daarna kijken of de WW geldend kan worden gemaakt:
inspanningsverplichting en informatieverplichting. Indien bevestigend wordt
beantwoord wordt de WW uitbetaald.
Duur en hoogte
1. Basisuitkering (42 lid 1 WW) → minimaal 3 maanden en maximaal 24
maanden
2. Verlenging mogelijk indien voldaan is aan arbeidsverledeneis (lid 2 sub a) → als
men ten minste 4 van de 5 voorafgaande jaren gewerkt heeft en in die
gewerkte jaren voor 1 januari 2013 minimaal 52 dagen loon heeft
ontvangen en vanaf 1 januari 2013 208 of meer uren loon heeft
ontvangen.
3. Berekenen arbeidsverleden (lid 6) →
a. Reëel of feitelijk arbeidsverleden: vanaf en met inbegrip van 2013 t/m
kalenderjaar voorafgaand aan kalenderjaar vanaf 1e werkloosheidsdag,
waarin werknemer over 208 of meer uren loon heeft ontvangen. Dus 2013 telt
mee, het jaar van werkloosheid niet
b. Reëel of feitelijk arbeidsverleden: gerekend vanaf en met inbegrip van 1998
tot 2013 waarover de werknemer over 52 dagen of meer loon heeft
ontvangen. Dus 1998 telt mee en 2013 niet.
c. Fictief arbeidsverleden: het jaar waarin je 18 wordt tot 1998. Dus het jaar
waarin je 18 wordt telt mee en 1998 telt niet mee.
- Voor arbeidsverleden tussen 0-10 jaar heeft verzekerde recht op 1 maand uitkering
per volledig kalenderjaar (42 lid 2 sub b onder 1 WW): max. 10 maanden.
- Voor het arbeidsverleden dat langer is dan 10 jaar wordt de termijn van 10 maanden
verlengd met 42 lid 2 sub b onder 2 WW:
- Een halve maand voor ieder volledig kalenderjaar na 2015
- Een hele maand voor ieder volledig kalenderjaar voor 2016
→ de uitkering is maximaal 24 maanden
4. Berekenen hoogte van de WW-uitkering →
a. Eerste 2 maanden: 0.75 x (A - B x C/D) - E
b. Vanaf de derde maand: 0.75 x (A-B x C/D) - E
A → maandloon (gemaximeerd)
B → Nieuw inkomen per kalendermaand
C → Gemaximeerd dagloon
D → Eigen ongemaximeerde dagloon
E → Inkomsten ivm arbeid (inkomsten uit k=uitkeringen)
Indien het eigen dagloon lager is dan het gemaximeerde dagloon, kan gerekend
worden met C/D = 1