Aantekeningen hoorcolleges
Radboud Universiteit
Bachelor Bestuurskunde
Studiejaar 2020/2021
Inleiding Recht
Inhoudsopgave
1. Recht in het algemeen................................................................................................................................ 1
2. Beginselen der staatsinrichting................................................................................................................... 3
3. Parlement & Regering I.............................................................................................................................. 7
,4. Parlement & Regering II............................................................................................................................. 9
5. Wetgeving................................................................................................................................................ 13
6. De rechterlijke macht............................................................................................................................... 16
7. Grondrechten........................................................................................................................................... 18
8. Internationaal recht I............................................................................................................................... 19
9. Internationaal recht II.............................................................................................................................. 22
10. Europese Unie........................................................................................................................................ 26
11. Strafrecht 1............................................................................................................................................ 32
12. Strafrecht 2............................................................................................................................................ 34
13. Strafrecht 3............................................................................................................................................ 36
14. Bestuursrecht 1...................................................................................................................................... 40
15. Bestuursrecht 2...................................................................................................................................... 43
16. Bestuursprocesrecht............................................................................................................................... 44
17. Privaatrecht 1......................................................................................................................................... 48
18. Onrechtmatige daad............................................................................................................................... 51
1. Recht in het algemeen
Hoofdfunctie van recht: ordenen van de maatschappij.
Tweede functie: het oplossen van conflicten/geschillen.
Recht gaat over algemene regels, er zijn twee soorten algemene regels:
1
, Descriptief: beschrijven hoe werkelijkheid is. Zijn empirisch toetsbaar.
Prescriptief: normatief; regels die voorschrijven hoe de werkelijkheid zou moeten zijn. Hier
gaat recht vooral om, en het is niet empirisch toetsbaar.
Normatieve regels (verschillen van persoon tot persoon):
Moraal/ethiek: hoe je je ‘behoort’ te gedragen ‘je zou niet moeten vliegen of vlees moeten
eten’.
Fatsoen: je netjes aankleden voor school.
Religie: 10 geboden bijvoorbeeld.
Recht
Recht verschilt van andere normatieve kennisgebieden omdat:
1. Gelding je kunt je er niet aan ontgelden.
2. Sanctie op het moment dat je je er niet aan houdt, zijn er consequenties.
Iets is recht als het voortvloeit uit een van de bronnen van recht:
Wetten algemene regels die zijn opgeschreven en zijn langs een democratische weg tot
stand gekomen. (Is dus deel van recht).
Verdragen contracten/afspraken tussen landen onderling. Worden gesloten door
regeringen, maar parlementen moeten deze ook goedkeuren. Dus ook democratisch.
Jurisprudentie rechtspraak: wordt gemaakt door rechters. Rechters zijn niet democratisch
gekozen. Maar trias politica schrijft voor dat zij geen algemene wetten mogen maken. Toch
zijn uitspraken van rechters een bron van recht. Komt door:
o Rechter richt zich op objectieve aanknopingspunten (eerdere uitspraken bekijken).
o Praktische noodzaak; voor een rechter heeft het geen zin om iets anders te beslissen
dan de Hoge Raad. Alle rechters richten zich dus tot de hoogste rechters.
Gewoonten/rechtsbeginselen vertrouwensregel bijvoorbeeld. Ontstaan dus zonder dat er
een overheid aan te pas komt. Gedragingen worden geïnterpreteerd aan recht.
Twee eisen/elementen hieraan:
1). Bestendig gebruik = moet al heel lang op dezelfde manier plaatsvinden.
2). Er moet rechtsovertuiging zijn = is rechtens het juiste.
Positief recht (ius positium): het geheel van rechtsregels die op dit moment in Nederland gelden,
door de mens gemaakt.
Natuurrecht: (veronderstelde) fundamentele rechtsnormen die overal van nature gelden,
onafhankelijk van de vraag of de mens deze normen erkent. Universeel geldend onafhankelijk van
tijd, context en persoon
Vindbaar door je ratio te gebruiken; maar zijn deze universele normen voor iedereen
hetzelfde? Nee, ligt aan je opvattingen/cultuur….
Drie stromingen binnen het denken over het recht:
- Natuurrecht: alle universele.
- Rechtspositivisme: dat wat de mens als recht heeft gesteld, is geldig; recht in algemene zin is
leidend in Nederland.
- Legisme: alleen wat in de wet is vastgelegd, is geldig, gaat alleen uit van wet.
Meerwaarde van een rechtssysteem: scheiding van recht & moraal:
1. Rechtszekerheid biedt duidelijkheid.
2. Rechtsgelijkheid rechters ‘denken’ hetzelfde.
Een rechtssysteem is niet per definitie rechtvaardig (bijv. Nazi-Duitsland).
2
Radboud Universiteit
Bachelor Bestuurskunde
Studiejaar 2020/2021
Inleiding Recht
Inhoudsopgave
1. Recht in het algemeen................................................................................................................................ 1
2. Beginselen der staatsinrichting................................................................................................................... 3
3. Parlement & Regering I.............................................................................................................................. 7
,4. Parlement & Regering II............................................................................................................................. 9
5. Wetgeving................................................................................................................................................ 13
6. De rechterlijke macht............................................................................................................................... 16
7. Grondrechten........................................................................................................................................... 18
8. Internationaal recht I............................................................................................................................... 19
9. Internationaal recht II.............................................................................................................................. 22
10. Europese Unie........................................................................................................................................ 26
11. Strafrecht 1............................................................................................................................................ 32
12. Strafrecht 2............................................................................................................................................ 34
13. Strafrecht 3............................................................................................................................................ 36
14. Bestuursrecht 1...................................................................................................................................... 40
15. Bestuursrecht 2...................................................................................................................................... 43
16. Bestuursprocesrecht............................................................................................................................... 44
17. Privaatrecht 1......................................................................................................................................... 48
18. Onrechtmatige daad............................................................................................................................... 51
1. Recht in het algemeen
Hoofdfunctie van recht: ordenen van de maatschappij.
Tweede functie: het oplossen van conflicten/geschillen.
Recht gaat over algemene regels, er zijn twee soorten algemene regels:
1
, Descriptief: beschrijven hoe werkelijkheid is. Zijn empirisch toetsbaar.
Prescriptief: normatief; regels die voorschrijven hoe de werkelijkheid zou moeten zijn. Hier
gaat recht vooral om, en het is niet empirisch toetsbaar.
Normatieve regels (verschillen van persoon tot persoon):
Moraal/ethiek: hoe je je ‘behoort’ te gedragen ‘je zou niet moeten vliegen of vlees moeten
eten’.
Fatsoen: je netjes aankleden voor school.
Religie: 10 geboden bijvoorbeeld.
Recht
Recht verschilt van andere normatieve kennisgebieden omdat:
1. Gelding je kunt je er niet aan ontgelden.
2. Sanctie op het moment dat je je er niet aan houdt, zijn er consequenties.
Iets is recht als het voortvloeit uit een van de bronnen van recht:
Wetten algemene regels die zijn opgeschreven en zijn langs een democratische weg tot
stand gekomen. (Is dus deel van recht).
Verdragen contracten/afspraken tussen landen onderling. Worden gesloten door
regeringen, maar parlementen moeten deze ook goedkeuren. Dus ook democratisch.
Jurisprudentie rechtspraak: wordt gemaakt door rechters. Rechters zijn niet democratisch
gekozen. Maar trias politica schrijft voor dat zij geen algemene wetten mogen maken. Toch
zijn uitspraken van rechters een bron van recht. Komt door:
o Rechter richt zich op objectieve aanknopingspunten (eerdere uitspraken bekijken).
o Praktische noodzaak; voor een rechter heeft het geen zin om iets anders te beslissen
dan de Hoge Raad. Alle rechters richten zich dus tot de hoogste rechters.
Gewoonten/rechtsbeginselen vertrouwensregel bijvoorbeeld. Ontstaan dus zonder dat er
een overheid aan te pas komt. Gedragingen worden geïnterpreteerd aan recht.
Twee eisen/elementen hieraan:
1). Bestendig gebruik = moet al heel lang op dezelfde manier plaatsvinden.
2). Er moet rechtsovertuiging zijn = is rechtens het juiste.
Positief recht (ius positium): het geheel van rechtsregels die op dit moment in Nederland gelden,
door de mens gemaakt.
Natuurrecht: (veronderstelde) fundamentele rechtsnormen die overal van nature gelden,
onafhankelijk van de vraag of de mens deze normen erkent. Universeel geldend onafhankelijk van
tijd, context en persoon
Vindbaar door je ratio te gebruiken; maar zijn deze universele normen voor iedereen
hetzelfde? Nee, ligt aan je opvattingen/cultuur….
Drie stromingen binnen het denken over het recht:
- Natuurrecht: alle universele.
- Rechtspositivisme: dat wat de mens als recht heeft gesteld, is geldig; recht in algemene zin is
leidend in Nederland.
- Legisme: alleen wat in de wet is vastgelegd, is geldig, gaat alleen uit van wet.
Meerwaarde van een rechtssysteem: scheiding van recht & moraal:
1. Rechtszekerheid biedt duidelijkheid.
2. Rechtsgelijkheid rechters ‘denken’ hetzelfde.
Een rechtssysteem is niet per definitie rechtvaardig (bijv. Nazi-Duitsland).
2