Inhoud samenvatting OJW
Natuur en techniek.................................................................................................................................2
Hoofdstuk 4: ecologie en milieu.........................................................................................................2
4.2 ecosystemen in verandering.....................................................................................................2
4.3 menselijke invloeden op ecosystemen.....................................................................................2
Hoofdstuk 5 natuurkundige verschijnselen........................................................................................3
5.1 vaste stoffen, vloeistoffen en gassen........................................................................................3
5.2 magnetisme..............................................................................................................................3
5.3 elektriciteit................................................................................................................................3
5.4 geluid........................................................................................................................................4
5.5 licht en kleur.............................................................................................................................4
5.6 kracht........................................................................................................................................4
Hoofdstuk 6 technische inzichten.......................................................................................................6
6.2 constructies..............................................................................................................................6
6.3 energieomzettingen..................................................................................................................6
6.4 bewegings- en overbrengingsprincipes....................................................................................6
6.5 informatie- en communicatietechnologie................................................................................7
Geschiedenis.......................................................................................................................................9
Hoofdstuk 6 tijd van de regenten en vorsten (1600-1700).............................................................9
Hoofdstuk 7 tijd van de pruiken en revoluties (1700-1800)............................................................9
Hoofdstuk 8 Tijd van de burgers en stoommachines (1800-1900)...............................................10
Hoofdstuk 9 tijd van de wereldoorlogen en de Holocaust (1900-1950).......................................10
Hoofdstuk 10 tijd van de televisie en computer (vanaf 1950)......................................................11
, Natuur en techniek
Hoofdstuk 4: ecologie en milieu
De levende organismen en al hun onderlinge relaties vormen de biotische factoren in een
ecosysteem. De factoren die uit levenloze natuur (zoals de hoeveelheid licht, de temperatuur, de
luchtvochtigheid en de vruchtbaarheid van de bodem) vormen de abiotische factoren.
Een biotoop is een karakteristiek ecosysteem en beschrijft een gebied met een uniform
landschapstype waarbij klimaat en geografische omstandigheden hetzelfde zijn. Binnen een biotoop
zijn specifieke leefgebieden (habitats) voor organismen te onderscheiden.
In een ecosysteem zijn er meestal relatief veel planten, minder planteneters, nog minder vleeseters
en maar een paar grote roofdieren. Producenten zijn de planten, consumenten zijn de dieren en
reducenten zijn de bodemdieren, schimmels en bacteriën.
De energiestroom in een ecosysteem:
Niet alle energie die producenten vastleggen gaat door naar de consumenten. De reden hiervoor is
dat de planten zelf een deel van de energie gebruiken om te groeien en de dieren niet de hele plant
eten. Hierdoor gaat niet alle energie door naar de consumenten.
Ook de consumenten gebruiken zelf energie om bijvoorbeeld warm te blijven of te bewegen.
Hierdoor komt er telkens maar zo’n 10 procent van de vastgelegde energie in het volgende
voedselniveau.
Reducenten zetten natuurlijk afval (zoals poep, gevallen bladeren en dode dieren) om in
koolstofdioxide, water en voedingszouten. Koolstofdioxide wordt afgegeven aan de lucht en vormt
een belangrijke groeivoorwaarde voor planten, evenals water en de mineralen die via de wortels
opgenomen worden.
4.2 ecosystemen in verandering
Als de veranderingen van grootten in een ecosysteem binnen bepaalde grenzen blijven schommelen,
spreek je van een stabiel ecosysteem.
Primaire levensbehoeften zijn: aanwezigheid van voedsel, water, beschutting en mogelijkheden om
zich voort te planten.
DDT is een giftige stof die wordt opgeslagen in het vetweefsel van dieren. Bovendien is het zeer
moeilijk afbreekbaar, waardoor het zich als het ware ophoopt in de voedselpiramide, ook wel
accumulatie of bioaccumulatie genoemd.
Het proces waarbij de ene levensgemeenschap de andere opvolgt tot er uiteindelijk een ‘stabiel’
eindstadium ontstaat, noem je successie.
4.3 menselijke invloeden op ecosystemen
Milieuproblemen ontstaan doordat we stoffen aan het milieu toevoegen die leiden tot vervuiling of
doordat we zoveel stoffen aan het milieu onttrekken dat er sprake is van uitputting. Ook kunnen we
het milieu zo ingrijpend veranderen dat er sprake is van aantasting.
Natuur en techniek.................................................................................................................................2
Hoofdstuk 4: ecologie en milieu.........................................................................................................2
4.2 ecosystemen in verandering.....................................................................................................2
4.3 menselijke invloeden op ecosystemen.....................................................................................2
Hoofdstuk 5 natuurkundige verschijnselen........................................................................................3
5.1 vaste stoffen, vloeistoffen en gassen........................................................................................3
5.2 magnetisme..............................................................................................................................3
5.3 elektriciteit................................................................................................................................3
5.4 geluid........................................................................................................................................4
5.5 licht en kleur.............................................................................................................................4
5.6 kracht........................................................................................................................................4
Hoofdstuk 6 technische inzichten.......................................................................................................6
6.2 constructies..............................................................................................................................6
6.3 energieomzettingen..................................................................................................................6
6.4 bewegings- en overbrengingsprincipes....................................................................................6
6.5 informatie- en communicatietechnologie................................................................................7
Geschiedenis.......................................................................................................................................9
Hoofdstuk 6 tijd van de regenten en vorsten (1600-1700).............................................................9
Hoofdstuk 7 tijd van de pruiken en revoluties (1700-1800)............................................................9
Hoofdstuk 8 Tijd van de burgers en stoommachines (1800-1900)...............................................10
Hoofdstuk 9 tijd van de wereldoorlogen en de Holocaust (1900-1950).......................................10
Hoofdstuk 10 tijd van de televisie en computer (vanaf 1950)......................................................11
, Natuur en techniek
Hoofdstuk 4: ecologie en milieu
De levende organismen en al hun onderlinge relaties vormen de biotische factoren in een
ecosysteem. De factoren die uit levenloze natuur (zoals de hoeveelheid licht, de temperatuur, de
luchtvochtigheid en de vruchtbaarheid van de bodem) vormen de abiotische factoren.
Een biotoop is een karakteristiek ecosysteem en beschrijft een gebied met een uniform
landschapstype waarbij klimaat en geografische omstandigheden hetzelfde zijn. Binnen een biotoop
zijn specifieke leefgebieden (habitats) voor organismen te onderscheiden.
In een ecosysteem zijn er meestal relatief veel planten, minder planteneters, nog minder vleeseters
en maar een paar grote roofdieren. Producenten zijn de planten, consumenten zijn de dieren en
reducenten zijn de bodemdieren, schimmels en bacteriën.
De energiestroom in een ecosysteem:
Niet alle energie die producenten vastleggen gaat door naar de consumenten. De reden hiervoor is
dat de planten zelf een deel van de energie gebruiken om te groeien en de dieren niet de hele plant
eten. Hierdoor gaat niet alle energie door naar de consumenten.
Ook de consumenten gebruiken zelf energie om bijvoorbeeld warm te blijven of te bewegen.
Hierdoor komt er telkens maar zo’n 10 procent van de vastgelegde energie in het volgende
voedselniveau.
Reducenten zetten natuurlijk afval (zoals poep, gevallen bladeren en dode dieren) om in
koolstofdioxide, water en voedingszouten. Koolstofdioxide wordt afgegeven aan de lucht en vormt
een belangrijke groeivoorwaarde voor planten, evenals water en de mineralen die via de wortels
opgenomen worden.
4.2 ecosystemen in verandering
Als de veranderingen van grootten in een ecosysteem binnen bepaalde grenzen blijven schommelen,
spreek je van een stabiel ecosysteem.
Primaire levensbehoeften zijn: aanwezigheid van voedsel, water, beschutting en mogelijkheden om
zich voort te planten.
DDT is een giftige stof die wordt opgeslagen in het vetweefsel van dieren. Bovendien is het zeer
moeilijk afbreekbaar, waardoor het zich als het ware ophoopt in de voedselpiramide, ook wel
accumulatie of bioaccumulatie genoemd.
Het proces waarbij de ene levensgemeenschap de andere opvolgt tot er uiteindelijk een ‘stabiel’
eindstadium ontstaat, noem je successie.
4.3 menselijke invloeden op ecosystemen
Milieuproblemen ontstaan doordat we stoffen aan het milieu toevoegen die leiden tot vervuiling of
doordat we zoveel stoffen aan het milieu onttrekken dat er sprake is van uitputting. Ook kunnen we
het milieu zo ingrijpend veranderen dat er sprake is van aantasting.