Defenition of culture: “A group’s distinctive way of life, including its beliefs and values, its
customs, and its art and technologies” (Arnett & Hughes, 2012; p 311)
à Geographical (factors)
- Cultuur verschilt per land/regio/plek; waar je opgroeit (de samenleving om je heen)
beïnvloedt welke waarden, gewoontes en technologieën “normaal” zijn
à Social (where you wished to belong to, social economic status, social status, “I want to be
health, so I belong to that group)
- Cultuur verschilt ook binnen een samenleving tussen groepen/subculturen; je
(peer)groep heeft eigen normen, stijl, taal en gewoontes.
à Temporal factors, age & generation also goes together with culture.
- Cultuur verandert door de tijd heen; wat jongeren doen/goed vinden is dynamisch en
kan per periode/generatie verschillen.
Youth culture:
Refers to:
- Shared beliefs, behaviors, practices, and values of young people within a particular
society or subculture.
- the ways in which young individuals express themselves, interact with one another,
and distinguish themselves from older generations.
- is dynamic and can vary significantly across time and place, reflecting the cultural,
social, and historical context in which it emerges.
Youth culture is not universal: jeugdcultuur verschilt tussen samenlevingen en subculturen, en
verandert door de tijd. Daarom kun je bevindingen over jongeren/media niet automatisch 1-
op-1 generaliseren naar alle landen, groepen of generaties.
Jeugdcultuur gaat over de gedeelde overtuigingen, gedragingen, praktijken en
waarden van jongeren binnen een bepaalde samenleving of subcultuur, en over hoe jongeren
zich uiten, met elkaar omgaan en zich onderscheiden van oudere generaties. Het is
bovendien dynamisch en kan sterk verschillen tussen plekken en door de tijd, afhankelijk
van de culturele, sociale en historische context.
Key aspects:
Waarom is dit vak alleen bezig met SM?
- Fashion and style
- Music
Omdat alle “key aspects” komen terug online
- Language
- Social activities
- Values and ideas
- Media &t technology
,Social media (SM) = websites and applications that enable users to create and share content
or to participate in social networking. Not all media is social media.
The Anxious Generation
Volgens Haidt gaat The Anxious Generation over hoe digitale
technologie (vooral smartphones) de jeugd ingrijpend heeft
‘herbedraad’, en hoe dit volgens hem samenhangt met een stijging
van mentale problemen bij tieners. In het hoorcollege wordt het
boek gebruikt als startpunt voor discussie, juist omdat er ook
stevige kritiek is: sommige auteurs vinden de anti-tech logica
scheef, stellen dat ‘smartphone-paniek’ tieners niet helpt, en dat
het niet het hele verhaal vertelt. Daarom zegt de docent: op de
vraag ‘veroorzaken sociale media mentale problemen?’ is het
antwoord niet universeel; effecten hangen af van gebruik en
context en kan positief of negatief uitpakken.
Deze slide zet drie theorieën op een continuüm van “disrupted” → “enriched” (digitale
media kunnen communicatie verstoren óf verrijken).
• Social Presence Theory: in digitale media is het “sense of being together” vaak
lager → kan voelen als minder nabij/meer afstandelijk (meer richting disrupted).
• Social Information Processing (SIP) Theory: kijkt naar hoe
mensen sociale informatie verwerken en erop reageren; effecten
hangen af van de ontvanger/interpretatie.
• Channel Expansion Theory: met meer
ervaring ontwikkelen gebruikers de vaardigheden om het kanaal
beter te gebruiken → kan communicatie juist rijker maken (meer
richting enriched).
,Effecten hangen niet alleen af van wat je gebruikt, maar vooral van hoe:
• Replacement vs addition: vervangt social media andere activiteiten, of komt het er
vooral bovenop?
• Passive vs active: ben je vooral passief (consumeren/scrollen)
of actief (meedoen/communiceren)? De slides koppelen dit aan “one size does not fit
all” (passief scrollen vs actief deelnemen kan heel anders uitpakken).
Why use SM?
à Uses &Gratifications theory: "What purposes or functions does media offer for active
users/receivers?
Gratifications theory = deze theorie vraagt welke doelen/functies media vervullen
voor actieve gebruikers/ontvangers, dus: waarom iemand media gebruikt en welke
behoefte daarmee wordt vervuld.
Lasswell (1948), die vier hoofdredenen noemt om media te gebruiken. Surveillance of the
environment betekent: de wereld “in de gaten houden” (informatie verzamelen, op de hoogte
blijven). Affective need gaat over emotionele behoeften: media gebruiken om je gevoelens te
sturen, troost/steun te zoeken of spanning te verminderen. Cultural transmission betekent
dat media helpen om cultuur over te dragen: normen, waarden en ideeën leren en
delen. Entertainment is ontspanning en plezier.
Belangrijk is de boodschap “one size does not fit all”: niet
iedereen gebruikt social media op dezelfde manier of om dezelfde
reden. In de slides worden
o.a. information, social, entertainment en convenience/pass the time genoemd, en ook
motivaties als self-promotion (jezelf profileren), relaties onderhouden, behoefte
aan creativiteit, escapism (even ontsnappen aan de realiteit) en opinies uiten.
Daarom stellen de slides ook de vergelijking: is passief scrollen om te ontsnappen hetzelfde
als actief deelnemen aan een community om gevoelens te uiten? Dat onderstreept dat
“gebruik” verschillende vormen heeft en dus anders kan uitwerken.
Bij youth development gebruikt het hoorcollege twee manieren om naar jongeren (en media-
effecten) te kijken. De Developmental Tasks Approach is een normatieve benadering:
jongeren doorlopen een hiërarchische lijst van ontwikkelingstaken (developmental
tasks/challenges) die “gehaald” moeten worden om goed te kunnen functioneren; sommige
taken komen door biologische rijping, andere door sociale
verwachtingen (gezin/school/cultuur). Omdat ontwikkeling cumulatief is (nieuwe taken
bouwen voort op eerdere), verwacht je ook dat media-effecten verschillen per leeftijd: wat
“raakt” bij een 10-jarige kan iets anders zijn dan bij een 17-jarige.
, Als voorbeeld van zo’n hiërarchische lijst van ontwikkelingstaken (developmental tasks)
gebruikt het hoorcollege Erikson’s developmental stages (1958). In dit model heeft elke
levensfase een centrale psychosociale “taak”/spanningsveld dat je moet uitwerken, zoals trust
vs. mistrust (infancy), autonomy vs. shame & doubt (early childhood), initiative vs.
guilt (preschool), industry vs. inferiority (school age), identity vs. role
confusion(adolescence), intimacy vs.
isolation (young adulthood), generativity vs.
stagnation (middle adulthood) en ego integrity
vs. despair (maturity). Dit sluit aan bij het idee
dat ontwikkeling cumulatief is en dat media-
effecten afhangen van de
leeftijd/ontwikkelingsfase. Voor dit vak is
vooral de adolescentiefase relevant: identiteit
moet in deze periode worden opgebouwd
via exploratie online én offline.
Binnen de developmental tasks
approach verandert wat “eng” of zelfs
traumatisch kan zijn door cognitieve
ontwikkeling. In de perceptual stage (2–7) is
iets vooral eng omdat het er eng
uitziet (surface/perceptie: “looking scary”). In
de conceptual stage (7+) wordt iets juist eng
omdat het (kan) echt zijn (begrip/realiteitsbesef:
“being real”).
Ook bij modellen/voorbeelden zie je een leeftijdsverschil:
bij kinderen <12 zijn ouders de belangrijkste voorbeelden,
terwijl bij +12 jongeren juist influencers vaker als
voorbeelden/rolmodellen functioneren en peers.
De Risk & Resilience Approach focust juist op verschillen
tussen jongeren door verschillende levenservaringen. Risk factors vergroten de kans op
problemen, protective factors beschermen juist.
Een belangrijk idee is het cumulative risk model: hoe meer risico’s zich opstapelen, hoe
groter de kans op negatieve uitkomsten, en dat helpt verklaren waarom hetzelfde
mediagebruik bij de ene jongere zwaarder kan uitpakken dan bij de andere à Snowballeffect
Het Turnaround model (Krahé et al., 2012) laat zien dat media-
geweldgebruik (media violence use) niet voor iedereen hetzelfde
verloopt, maar dat er verschillende trajecten over tijd bestaan
(T1–T3). In de figuur zie je drie subgroepen: stable low (±64,9%)
blijft laag en verandert nauwelijks; stable high (±30,9%) blijft
hoog en neemt zelfs iets toe; en een kleine groep desisters (±4,2%)
laat juist een duidelijke daling zien (van hoog gebruik naar veel
lager/bijna nul). Dit illustreert dat er bij jongeren zowel stabiele
patronen als een “turnaround” (afname/stoppen) kan voorkomen.