De inhoud van deze samenvatting bevat een uitwerking van de
standpunten, argumenten, eindtermen en alle begrippen die
voorkomen in de syllabus filosofie vwo voor het eindexamen van
2026 en alle begrippen die in het boek 'Wat maakt de mens?'
Staan bij kwestie 4 grensvervagingen.
Standpunt 1: De grens tussen mens en dier is vervaagd.
Vroeger dachten filosofen en gelovigen dat de mens een unieke plaats
had in de wereld, duidelijk onderscheiden van dieren. Bijvoorbeeld:
Aristoteles noemde de mens animal rationale: een dier, maar mét
rationeel denkvermogen.
Het christendom zag de mens als “kroon van de schepping”, met
kennis van goed en kwaad en een moreel bewustzijn.
Nu zeggen denkers als Haraway dat die strikte scheidslijn niet meer
houdbaar is. Steeds vaker blijkt dat dieren, en zelfs planten,
eigenschappen hebben die wij eerder alleen aan mensen toeschreven
(zoals intelligentie, emoties of samenwerking). Bovendien zijn we volgens
de moderne biologie niet een “gesloten mens”, maar een samenstelling
van veel andere organismen, zoals bacteriën in ons lichaam.
Kortom het standpunt zegt dat de oude duidelijke grens tussen mens en
dier (en zelfs planten en micro-organismen) vervaagt door
wetenschappelijke en filosofische inzichten.
Argument 1: We bestaan uit allerlei niet-menselijke wezens.
Timothy Morton geeft een concreet biologisch argument voor dit
standpunt. Hij zegt: kijk maar naar ons lichaam, dat is niet puur
“menselijk”:
In onze darmen leven bacteriën die onmisbaar zijn voor onze
spijsvertering.
Onze cellen bevatten mitochondriën, die ooit zelfstandige bacteriën
waren en later zijn gaan “samenleven” met andere cellen.
Volgens Morton laat dit zien dat we nooit volledig los van andere
levensvormen bestaan. Hij stelt daarom voor dat we anders naar onszelf
kijken: niet als een geïsoleerd, autonoom wezen, maar als een wezen dat
altijd in verbinding staat met allerlei andere organismen. Dat noemt hij
ecologisch denken.
Argument 2: Ook dieren en zelfs planten hebben denk- en
handelingsvermogen.
,Dit argument laat zien dat de klassieke tegenstelling tussen mens en
dier/planten wankelt. Traditioneel werd gedacht:
Mens → kan nadenken, plannen, moreel handelen, dus intentioneel
handelen.
Dier/plant → reageert slechts instinctief of automatisch, dus
vertoont alleen gedrag.
Morton en Latour stellen echter dat dit onderscheid kunstmatig is:
1. Geest-lichaam scheiding klopt niet helemaal → Handelen
veronderstelt dat er eerst een “geest” nadenkt en daarna het
lichaam iets uitvoert. In werkelijkheid lopen denken en doen door
elkaar heen. Mensen handelen vaak minder bewust en intentioneel
dan we zelf denken.
2. Beperkingen van menselijk plannen → Wij overschatten ons
vermogen om volledig vooruit te denken en de gevolgen van ons
handelen te overzien.
3. Parallellen met dieren en planten → Als ons gedrag
“handelingsvermogen” genoemd wordt, dan moeten we datzelfde
label ook toekennen aan dieren en zelfs planten.
Wetenschappelijke onderbouwing:
Plantenneurobiologie laat zien dat planten cognitieve
eigenschappen hebben: ze kunnen zwaartekracht en magnetische
velden waarnemen, communiceren via chemische en elektrische
signalen, en soms samenwerken (bijvoorbeeld bomen die elkaar
“helpen”).
Sommige filosofen spreken zelfs over relaties tussen planten in
termen van “vriendschap”.
Gevolg: Als denken en handelen niet exclusief menselijk zijn, vervaagt de
grens nog verder. Dit kan leiden tot morele vragen, zoals: moeten we ook
praten over plantenrechten, naast dierenrechten?
Implicatie van standpunt 1: Een andere opstelling in wetenschappelijk
onderzoek.
Als de grens tussen mens en dier vervaagt, heeft dat ook gevolgen voor
hoe we wetenschap bedrijven. Traditioneel werkt dieronderzoek zo:
1. Onderzoeker moet neutraal en onzichtbaar blijven → zodat de
aanwezigheid van de mens geen invloed uitoefent.
2. Alleen derde-persoonsperspectief telt → gedrag van buitenaf
observeren; het innerlijke perspectief van het dier telt niet mee.
Vinciane Despret zegt dat dit niet realistisch is:
, De onderzoeker beïnvloedt altijd het dier, en die relatie moet juist
serieus genomen worden.
Het eerste-persoonsperspectief van het dier (hoe ervaart het zelf de
situatie?) moet ook worden meegenomen.
Als we vasthouden aan puur menselijke criteria (zoals de spiegeltest
voor zelfbewustzijn), dan meten we vooral hoe goed een dier op
mensen lijkt in plaats van hoe het dier werkelijk is.
Concreet voorbeeld:
Sommige dieren herkennen zichzelf niet in een spiegel, maar dat
betekent niet dat ze geen zelfbewustzijn hebben. Misschien drukken
ze dat gewoon anders uit. Daarom moeten we nieuwe manieren
ontwikkelen om dierlijk perspectief te onderzoeken.
Belangrijk gevolg:
De mens moet zichzelf niet langer in het centrum plaatsen, maar
openstaan voor andere manieren van zijn en denken. Zo schuiven we
richting een minder antropocentrische (mensgerichte) wetenschap.
Standpunt 2: De grens tussen leven en niet-levend is vervaagd.
Normaal maken we onderscheid:
Levende dingen (zoals mensen, dieren, planten) → die hebben
vitaliteit: ze lijken “levend”, kunnen zich bewegen, ontwikkelen,
reageren en invloed uitoefenen.
Niet-levende dingen (zoals stenen, sleutels, computers) → die
zouden juist géén vitaliteit hebben: ze zijn dood, passief, en doen
niets uit zichzelf.
Vitaliteit betekent dus: het vermogen om levendig of actief te lijken,
invloed uit te oefenen of dingen in beweging te zetten. Je zou het ook
kunnen omschrijven als “levenskracht” of “het vermogen om effect te
hebben op de wereld”.
Volgens moderne filosofen klopt dit scherpe onderscheid niet meer. Ze
zeggen: ook niet-levende dingen (zoals machines, technologie, objecten,
materie) hebben een soort vitaliteit, omdat ze mee vormgeven hoe er
gehandeld wordt.
Voorbeeld:
, Een smartphone bepaalt voor een groot deel hoe en wanneer
mensen communiceren → dat is invloed, alsof het toestel zelf iets
“wil”.
Een virus in een computer kan gedrag afdwingen (zoals een update
installeren of toegang blokkeren).
Dat betekent dat de scheidslijn tussen levend (mensen, dieren, planten)
en niet-levend (objecten, technologie) vervaagt: ook niet-levende dingen
doen mee in ons handelen, en lijken soms een “eigen leven” te leiden.
Argument: Latour - ook niet-levende entiteiten hebben vitaliteit en
handelsvermogen.
De Franse filosoof Bruno Latour ontwikkelde de actor-netwerktheorie
(ANT).
Zijn kernidee:
Een actor is alles wat invloed uitoefent of iets in beweging zet.
Dat kan een mens zijn, maar óók een niet-mens (zoals een sleutel,
een machine, een virus, of een computerprogramma).
Handelingen zijn nooit van één actor alleen, maar ontstaan uit een
netwerk van verbonden actoren die samen iets tot stand brengen.
Voorbeeld van Latour: de Berlijnse sleutel
Dat is een sleutel die je alleen uit het slot kunt halen als je hem
eerst van binnenuit weer terug in de deur steekt.
Gevolg: de sleutel dwingt mensen om de deur achter zich op slot te
doen.
Hier zie je dat de sleutel geen “levend wezen” is, maar toch een
soort handelingsvermogen heeft, omdat hij menselijk gedrag mede
bepaalt.
Conclusie van Latour: niet-levende dingen zijn geen passieve objecten,
maar actieve deelnemers in netwerken van handelen. Daardoor vervaagt
de grens tussen levend en niet-levend.
Vervolgargument: Hayles – het handelsvermogen van niet-levende
entiteiten.
Katherine Hayles laat zien dat ook niet-levende dingen, zoals
technologieën en machines, een zekere vorm van
handelingsvermogen kunnen hebben. Zij spreekt van niet-bewuste
cognitie, waarmee ze bedoelt dat er vormen van
informatieverwerking en ‘denken’ kunnen plaatsvinden zonder dat
er een bewustzijn of zelfbewustzijn aanwezig is, zoals bij mensen.
Volgens Hayles is cognitie dus niet iets wat alleen bij mensen