Algemene inleiding:
Parenchymateuze organen: vb. nier, lever, bijnier, speekselklieren, milt, …
=> Zijn opgebouwd uit:
• Parenchym
o Is van epitheliale oorsprong
o Bestaat uit kliereindstukjes die eindigen in afvoerwegen, deze
afvoerwegen komen samen in 1 hoofdafvoerweg. Deze
hoofdafvoerweg zal dan uitmonden in bijvoorbeeld een buisvormig
orgaan
o Parenchym kan worden opgedeeld in lobi (macroscopisch zichtbaar),
en lobuli (microscopisch zichtbaar)
• Stroma
o Kapsel van bindweefsel (onregelmatig dens collageen BW) dat
rondom een orgaan zit.
o Zorgt ervoor dat al het parenchym mooi samenblijft.
o Zorgt ook voor bescherming van het orgaan
o Hilus = plek waar het de hoofdafvoerweg het orgaan verlaat, en waar
het kapsel zal indeuken
▪ Hier komen ook arteriën toe, en verlaten venen het orgaan
▪ Ook zenuwen lopen hierdoor
o Vanuit het kapsel vertrekken bindweefseltrabkels naar de binnenkant
van het orgaan. Hoe dieper in het orgaan, hoe minder dens de
trabekels worden, tot het ipv dens collageen BW nu losmazig
collageen BW is
▪ Deze bindweefseltrabekels zullen zorgen voor de stevigheid
van het orgaan
o Zorgt naast ondersteuning van het orgaan ook indirect voor de functie,
aangezien hier ook de bloedvaten en zenuwen door lopen
Buisvormige organen:
=> orgaan met een lumen, omgeven door een wand.
Vb. spijsverteringstractus, urogenitaalstelsel (ureter & urethra)
=> wand van die buis is opgebouwd uit verschillende mantels / tunicae
• Tunica mucosa (slijmvlies)
= binnenste laag die het lumen omgeeft.
o Lamina epithelialis mucosae
o Membrana basalis propria
▪ basaalmembraan
o Lamina propria mucosae
▪ Bestaat uit losmazig collageen BW, en is dus zeer celrijk
▪ Bevat veel bloed - en lymfecapillairen, zenuwuitlopers, klieren
en lymfefollikels.
1
, o Lamina muscularis mucosae
▪ Laagje glad spierweefsel, dat niet altijd aanwezig is
▪ Zorgt er voor dat de mucosa beweegt tov de inhoud, en zorgt
dus niet voor de voortbeweging van de mucosa
• Dit zorgt voor een betere interactie van de mucosa met
de inhoud, wat lijdt tot bv een betere vertering
▪ Komt niet voor in ureteren en mondholte
• Tela submucosa
o Tela ipv tunica, want het is eerder een verbindingslaag tss t. mucosa
en t. muscularis
o Opgebouwd uit losmazig collageen BW
• Tunica muscularis (spierlaag)
o Deze zorgt wel voor de voortbeweging van de mucosa / inhoud
o Opgebouwd uit glad spierweefsel die opgedeeld kan worden in 2
lagen
▪ Str. Circulare: is altijd de binnenste laag
▪ Str. Longitudinale: is altijd de buitenste laag
=> afhankelijk van hoe de doorsnede is gemaakt zien ze er anders uit
• Tunica adventitia & Tunica Serosa
o T. serosa:
▪ Bestaat uit losmazig collageen BW, afgelijnd met een 2-lagig
plavei epitheel
▪ Komt voor bij buisvormige organen die zich in een
lichaamsholte bevinden
▪ Hierin zitten ook kleine bloedvaatjes die vocht laten
uitmonden in de holte (fungeert als glijmiddel die tss de
organen en lichaamsholte zit)
o T. adventitia:
▪ Komt voor bij organen die zich niet in een lichaamsholte
bevinden.
▪ Is ook zeer moeilijk af te lijnen
Klieren:
• In de wand van buisvormige organen kunnen klieren voorkomen. Grootte kan
variëren. De grootste kunnen zelfs een apart parenchymateus orgaan vormen
• Soorten klieren:
o Exocrien, endocrien, holocrien, merocrien, paracrien, apocrien
• De afvoerwegen van deze klieren zullen wel altijd het epitheeltype aannemen
van het orgaan waarin ze uitmonden
Weefselregeneratie:
• Fysiologische vernieuwing
o Ofwel wordt de intercellulaire inhoud vernieuwd, ofwel de volledige
cel
2
, oEpitheelweefsel heeft een goede regeneratie, BW minder, bloed zeer
goed, kraakbeen niet goed, been goed, spierweefsel zeer slecht / niet,
neuronen niet, maar neurogliacellen wel goed
• Vernieuwing na letsel (herstel)
o Samengestelde weefsels hebben een goed regeneratievermogen
=> komt doordat ze goed gevoed worden door een goed doorbloeding
o Dood of beschadigd materiaal zal worden opgeruimd door MPS
(mononucleair fagocytair systeem)
Circulatiestelsel
Arterie (slagader)
Algemene kenmerken van arteries (slagaders):
• Dikke wand
o T. interna / t. intima
o T. media = sterkste laag
o T. adventitia / t. externa
• Venen hebben meestal wel een groter lumen dan arteriën, maar wel een
dunnere wand
• Aan de veneuze kan van de capillairen zal dmv osmotische druk, vocht
opnieuw naar binnen worden gezogen. Dit zorgt er voor dat het vocht dus
continu in beweging is. Aanvoer van voedingsstoffen in de weefsels, en afvoer
van afvalstoffen. Er treed wel nog steeds meer vocht af aan de arteriële kant,
dan dat er wocht opgenomen aan de veneuze kant. Dit overtollige vocht zal
worden afgevoed via lymfevaten
Grote en middelgrote arteries
• Musculair type
o Komen het vaakst voor
o Heeft een dikke wand, met een klein lumen. Er komen weinig
bloedcellen in voor
o Via vasodilatatie kan gekozen worden hoeveel bloed er wordt
doorgelaten.
o Ze zorgen dus niet voor de voortstuwing van het bloed, want hier zorgt
het hart al voor
o Exacte opbouw zie andere sv
▪ T. interna
▪ T. media
▪ T. adventitia / externa
• Elastisch type
o Komen minder voor dan arteries van het musculair type
o Veel dunwandiger, groter lumen en er komen meer bloedcellen in voor
o Bevinden zich achter het hart, en vangen de drukwisselingen op
o Exacte opbouw zie andere sv
▪ T. intima
▪ T. media
3
, ▪ T. adventitia
Kleine arteries
• Arteriolen (kleine slagaders)
o Opgebouwd uit:
▪ T. intima
▪ T. media
▪ T. adventitia
Metarteriool / Precapillair
• Deze zijn nog dunner dan arteriolen, en zijn eigenlijk de overgang tss arteriool
en capillair. Ongeveer diameter van een RBC
• Opgebouwd uit:
o T. intima
o T. media
o T. adventitia
Speciale arterietypes
• Eindarteries
o Gewone bouw
o Als hier iets misloopt, dan sterft het weefsel af, en komt er BW in de
plaats = infarct
=> want eindarteriolen krijgen geen bloed meer van andere arteriolen,
en soms krijgt het weefselstukje maar bloed van 1 enkele eindarterie
o Komen voor in het hart, hersenen, nier, retina, …
• A. centralis van de milt
o Rondom de arterie of arteriool zal er bij de milt nog een schede van
lymfocyten gevormd worden die de adventitia vervangt
• Arterio-veneuze anastomosen / Shunt
o = verbinding (shortcut) tussen een arteriool en een venule
o Deze shunt kan dmv vasoconstructie openen of sluiten, maar het zal
nooit volledig afgesloten zijn
• A. helicinae
o Dienen om het lumen volledig af te sluiten
o Bevatten tussen de t. intima en de t. media nog een longitudinaal
gerichte gladde spierlaag (ivm circulair gericht in de t. media). Bij het
contraheren zal hierdoor het bloedvat sterk verkorten en opkrullen
waardoor het lumen volledig afgesloten wordt
o Komt voor thv het voortplantingsstelsel
• Hersenarteries en retinale arteries
o De wand van hersenarteries is veel dunner, waardoor ze ook
gemakkelijker kunnen barsten = hersenbloeding / beroerte
o T. media en t. adventitia zijn maar zeer zwak ontwikkeld
• Glomus (neurovasculaire glomus)
o Knobbelvormige verdikking, meestal te vinden op het verloop van een
arterioveneuze shunt
4
, o Zorgen er voor dat shunt toegeknepen kan worden als het capilair
netwerk bv bloed nodig heeft.
o Opgebouwd uit:
▪ T. intima
• Tss de t. intima en de t. media zitten longitudinale
spierbalken die wanneer ze contrageren dikker
worden, maar enkel kunnen uitzetten naar binnen
aangezien het kapsel te hard is. Hierdoor wordt de
arteriool toegeknepen
▪ T. media
▪ T. adventitia
• Buitenkant bestaat uit een hard kapsel van dens
onregelmatig collageen BW
• Glomus caroticum & glomus aorticum
o Knobbelvormige verdikking op dde a. carotis of op de aorta
o Vanuit deze bloedvaten vertrekken allemaal kleine capillairtjes die
ingebed liggen in hoofd - en steuncellen
o Deze hoofdcellen fungeren als chemoreceptoren
o Het vocht dat uit de capillairen sijpelt, zal via die chemoreceptoren
gemeten worden op bep stoffen. Deze info wordt doorgestuurd naar
het ademhalingscentrum of het hartcentrum
• Sinus caroticus
o Dit is een plaatselijke verwijding van het bloedvat waar de bloeddruk
gemeten kan worden.
o De wand van het bloedvat is op deze plek dunner
o Info wordt doorgestuurd naar het hartcentrum
Capillair (haarvat)
Algemeenheden
• Komen enkel voor in het BW
• Nooit in het epitheelweefsel, aangezien BW en epitheelweefsel van elkaar
gescheiden zijn dmv een basaalmembraan (uitzondering bij lymfoïde
organen)
• Komen ook niet voor in het zenuwweefsel. Enkel in het BW tss de
zenuwvezels
• Ook in kraakbeen nooit capillairtjes. Kraakbeen kan dus enkel via diffusie
gevoed worden
• Ook in lens zitten geen bloedvaatjes. Als lens die groeit en gevoed wordt via
diffusie te groot wordt, zal hij in het midden niet meer gevoed kunnen worden.
Hierdoor kan hij troebel worden. = cataract
Gewone capillairen
• Hebben een regelmatige diameter die net iets kleiner is dan een RBC. De RBC
kunnen zich er nog net tussenwringen.
5